Zo de ouden zongen…

Onder deze titel werd een simpel liedboekje uitgegeven door Uitgeverij DEKO in Rotterdam, Vlaggemanstraat 5. Het bundeltje kostte 50 cent.

Alleen de ‘kale’ liedteksten staan genoteerd, dus geen bronvermelding en muzieknotatie.
Ik heb het, zeker in de tijd dat ik veel op pad was om veldopnames te maken, vaak van mensen gekregen.
Het leek mij een leuk idee om de inhoud van Zo de ouden zongen op deze site te publiceren.

De liedjes moeten wel zeer bekend geweest zijn in de tijd dat het liedbundeltje werd uitgegeven, anders ga je deze teksten niet publiceren. Uitgeverij DEKO was kennelijk op de hoogte van de populariteit van de 14 liedjes.

Mijn bedoeling is om de muzieknotatie te vinden bij dit repertoire en de bronvermelding en eventueel nog wat achtergrondinformatie.
Kortom, ik ga de liedjes wat aangenaam aankleden.

 

 

 

 

De inhoud is:

Het hutje bij de zee.
Het vrouwtje van Stavoren.
De drie ruitertjes.
Het weesmeisje.
Op ’t somb’re kerkhof.
Bij het ouderen graf.
In het zwarte klooster.
Eduard en Helena.
De dobbelaar.
Bittere smarten.
De schone bruid.
De laatste vaderkus.
Andreas Vesten.
Het nederige hutje.

Het hutje bij de zee.

Van dit lied, ook wel het hutje áán de zee geheten zijn twee teksten bekend op dezelfde melodie.
Ik geef eerst de drie coupletten zoals ze staan gepubliceerd in Zo de ouden zongen.

1.
Beelden uit mijn kinderjaren
Uit mijn jeugd zo vrij en blij
Trokken dikwijls als een schaduw
Aan mijn peinzend oog voorbij
Ik denk nog dikwijls aan die dagen
Vol geluk en zoete vree
Hoe ik voor het eerst ontwaakte
In ons hutje, ons hutje bij de zee.

2.
Mijn verbeelding ziet de bloemen
Voor ons nederig venster staan
En het strand waar ik schelpen gaarde
Glazen bij het licht der maan
Ik hoorde mijn moeder zoet vermanen
Als zij mij in ’t bedje lee
En ik voel weer ’s levens morgen
In ons hutje, ons hutje bij de zee.

3.
Wat ik later mocht ervaren
’s Levens droefheid, ’s levens vreugd
Immer zal mijn hart u loven
Vreedzaam plekje uit mijn jeugd
En mijn laatste wens zal wezen
Dat ik eens in kalme vree
’t Moede hoofd ter rust mag vlijen
In ons hutje, ons hutje bij de zee.

Dit derde couplet luidt ook wel eens:

3.
Wat mij later zal gebeuren
’s Levens droefheid, ’s levens vreugd
Nimmer zal ik de plek vergeten
Dierbaar plekje mijner jeugd
En mijn laatste wens zal wezen
Dat ik eens verheugd, tevree
Het moede hoofd terneer kan vleien
In ons hutje aan de zee.

Dan is er nóg een tekst. Deze staat in het: Groot Geïllustreerd Keukenmeiden Zangboek.
Eerst het titelblad:

Nu de muzieknotatie en de drie coupletten.

Nu nog eens apart: Een luisterbestand, de muzieknotatie en het eerste couplet.

Luisterbestand: Het hutje bij de zee.

 Naar boven

Het vrouwtje van Stavoren.

Dit beroemde lied kon ik opteken bij mevrouw Santegoeds- van Gaal in Schijndel. Veel mensen hebben nog herinneringen aan dit verhaal en in bijna elk liedjesschrift kom je het tegen.
Het is in heel Nederland bekend (geweest) als lied en ook als volksverhaal.

De legende van de rijke, hoogmoedige weduwvrouw, speelt zich af in Stavoren, ooit de grootste en rijkste stad van Friesland. Zelfs de Fries koningen waren er gevestigd.
De Friese handel was op het buitenland gericht, het belangrijkste was de doorvoerhandel van het Rijnland naar Scandinavië.
Dit alles dank zij de gunstige ligging van Stavoren.
De weelde kon in die tijd in Stavoren niet op en men sprak van ‘dy forwende bern fen Starum’ ofwel de verwende kinderen van Stavoren.
Tegen deze achtergrond speelt het verhaal zich af.

Als rijke koopmansweduwe gaf zij een van haar kapiteins opdracht om met een van haar schepen het kostbaarste te gaan halen uit overzees grondgebied (couplet 5).
De kapitein kwam tenslotte terug met een prachtige partij tarwe die hij had weten te bemachtigen in het Poolse Gdansk, vroeger Danzig geheten.
De weduwvrouw was hier erg ontevreden over en vond het surrogaat. Zij liet de hele lading tarwe overboord gooien.
Een grijsaard zag het gebeuren en voorspeelde de rijke vrouw dat zij eens armoe zou lijden.
Met luid geschater wierp zij haar kostbare ring in het water en sprak: eer geeft de zee weerom deez’ schone ring en parel, eer ik tot armoe kom. (couplet 9).
Hoogmoed komt voor de val want na acht dagen vond zij haar ring al terug in een zojuist gevangen vis.
Tenslotte stierf het vrouwtje van Stavoren toch nog als bedelares omdat de zee al haar schepen verzwolg. Met haar glorie was het toen gedaan.
Op de plaats waar het tarwe overboord was gegooid groeiden nog koren-aren, maar met lege halmen.
De moraal van het verhaal wordt ons verteld in het laatste couplet: hoogmoed wordt vernederd en past ons niet.

Het verhaal is geen duizend jaar oud zoals in het eerste couplet staat. De beschreven gebeurtenis wordt gedateerd rond het jaar 1200. In deze periode heerste er regelmatig hongersnood en de achteruitgang van Stavoren was in zicht.
Het verhaal werd pas in 1597 voor het eerst vermeld door de kroniekschrijver Ocko Scarlensis in een Friese kroniek.

De verspreiding en bekendheid van zowel lied als verhaal kwamen vooral tot stand doordat de tekst gedrukt werd in liedboekjes en op losse liedbladen.
De liedblaadjes en – boekjes vonden gretig aftrek bij het volk en velen, vooral vrouwelijk geïnteresseerden, schreven de tekst over in hun liedjesschrift.
De hier vermeldde, in Schijndel genoteerde versie werd waarschijnlijk al rond 1840 gedrukt.
Het verhaal is ook nog gebruikt voor het theater, voor poppenkastvoorstellingen en voor radiohoorspelen.
Volgt nu de melodie en de liedtekst.

Luisterbestand: Het vrouwtje van Stavoren.

1.
Hoort vrienden, hoort een lied
Wat duidelijk zal verklaren
Wat eenmaal is geschied
Voor meer dan duizend jaren
Toen oud en grijs Stavoren
Nog bloeide op Frieslands grond
En van zijn macht deed horen
Door heel de wereld rond.

2.
Daar in die rijke stad
Waar jaarlijks duizend schepen
Belaan met ’s werelds schat
Haar haven in zag slepen
Daar leefde in roem en ere
Een rijke weduwvrouw
Wier voorbeeld ons zal leren
Hoe hoogmoed voert tot rouw.

3.
Geen koper, neen maar goud
Zo sprak zij, siert mijn woning
En ’t huis voor haar gebouwd
Scheen ’t woonhuis van een koning
’t Was al wat d’ ogen zagen
Vol vorstelijke praal
Ge hoeft men niet te vragen
De stoep was van metaal.

4.
De leuning was zeer schoon
Uit louter goud gedreven
De deurknop scheen een kroon
Met parelen omgeven
En brede zilveren platen
Geklonken aan de grond
Bedekten alle straten
Zover haar woning stond.

5.
Daar treedt een zeekap’ tein
Haar bij de haven tegen
Wat, sprak ze zal het zijn
Wat schoons hebt gij verkregen
Wat heerlijks brengt gij mede
Uit overzees grondgebied
Uw schip ligt op de rede
Maar hoe, gij antwoordt niet.

6.
‘k Heb immers u belast
Het kostelijkst in te laden
Wat rondom d’Oostzee was
En ’t oog hier zal verzaden
Wie zich aan prijs mocht storen
‘k Vraag immers naar geen geld
De weduwe van Stavoren
Wordt niet teleurgesteld.

7.
‘k Bracht tarwe naar uw zin
Als edelst wat wij vonden
Aan stuurboord kwam het in
Zoveel wij laden konden
Hoe, gilt zij dol van zinnen
Hoe, tarwe, lage guit
Bracht gij ze aan stuurboord binnen
Zo werp ze aan bakboord uit.

De laatst vier regels van het 7de couplet luiden ook wel eens:
Toch was zij ontevreden
Want vond het surrogaat
Een dienaar riep, gij vrouwe
God straft u vroeg of laat.

8.
Helaas het kost’lijk graan
Werd in de vloed geworpen
Een grijsaard zag het aan
Uit een der naaste dorpen
Beef, sprak hij, o, gij vrouwe
Wellicht lijdt gij eens gebrek
Dat nooit dit stuk u rouwe
Zwijg sprak ze, grijze gek.

9.
Zij lachte en greep haar ring
En wierp met luid geschater
Terwijl zij henen ging
Hem weg in het woelige water
Kijk, riep ze, dwaze kerel
Eer geeft de zee weerom
Deez’ schone ring en parel
Eer ik tot armoe kom.

10.
Het duurde een dag of acht
Toen werd op haar verlangen
Een grote vis gebracht
Zo pas in zee gevangen
Maar sidderend zonk ze neder
Want reeds bij de eerste snee
Vond ze haar ring toen weder
Geworpen in de zee.

11.
Daar treedt een dienstknecht in
Uw schepen zijn verloren
De zee zwolg alles in
Gods wraak rust op Stavoren
Een andere knecht snelt binnen
En biedt een brief haar aan
God, gilt ze woest van zinnen
Mijn glorie is vergaan.

12.
Beroofd van goed en geld
Veracht van die haar kende
Zoals die oude meldt
Slachtoffer der ellende
Nog doet de nazaat horen
Der hovaardij tot les
Hoe ’t vrouwtje van Stavoren
Toch stierf als bedelares.

13.
Nog ziet men aan het strand
Zo rijk in vroeger dagen
De haven gans verzand
Een zee van halmen dragen
Meer ledig zijn die aren
Geen korrel lacht u aan
Als blijk wat hier voor jaren
Gods almacht heeft gedaan.

14.
Ja, hoogmoed wordt vernederd
Is wissen val beschoren
Het werd ons hier geleerd
Door ’t vrouwtje van Stavoren
Wilt vrienden er aan denken
Wat ook het lot u biedt
Al wat u wordt geschonken
Doch hoogmoed past ons niet.

Naar boven

De drie ruitertjes.

Een meisje heeft een oogje op een ruitertje en biedt hem meteen maar een trouwring aan.
Het ruitertje wijst haar echter af omdat hij een gravenzoon is en zij slechts een zedeloze dienstmaagd.
Na deze afwijzing treedt het meisje het klooster in en wordt non. Het ruitertje, kennelijk kreeg hij spijt van de afwijzing, gaat het meisje aldaar bezoeken.
Zij komt er evenwel voor hem niet uit en dan besluit het ruitertje het klooster in brand te steken zodat zij er wel uit móet komen.
Het nonnetje op haart beurt, wijst nu het ruitertje af en hij pleegt vervolgens zelfmoord, hij schiet zich dood.
Het nonnetje laat het ruitertje begraven onder een rozemarijn en zij zal bloempjes plukken en die strooien op zijn graf en op de jongste dag zal zij haar lief weer zien.

Als je het lied zoekt in de Liederenbank.nl, krijg je 296 verwijzingen, dit zegt genoeg over de populariteit ervan.
Al in het Antwerps Liedboek, verschenen in 1544, komt het lied voor. En als je dan bedenkt dat er veldopnames van gemaakt zijn, ook door mijzelf in de jaren 80 van de vorige eeuw, kun je spreken van een klassieker van de Nederlandse volksliederen.
Volgen nu tekst en melodie.

Luisterbestand: De drie ruitertjes.

1.
Toen ik op Neerlands bergen stond
Keek ik het zeegat in
Daar zag ik een scheepje zeilen
Daar waren drie ruitertjes in
Een van die drie was naar mijn zin.

2.
Het allerjongste ruitertje
Dat in het scheepje zat
Dat bood mij aan te drinken
’t Was koele wijn uit het vat
Het was het beste wat hij bezat.

3.
Ik bracht het glaasje aan de mond
En dronk het uit met zijn
Ik sprak: mijnheer stout ruitertje
Hier hebt ge een trouwring van mij
En daarom min ik u vrij.

4.
Wat zal ik met die trouwring doen
Wat zal ik daarmee doen
Gij zijt een zedeloze dienstmaagd
En ik een gravenzoon
En wat zou ik daarmee doen.

5.
Wilt gij mij dan niet hebben
’t Is goed, daar zijn er nog meer
Dan ga ik in een klooster dienen
Daar dien ik de lieve Heer
En ziet gij mij niet weer.

6.
Toen het nonnetje halverwege was
Haar vader en moeder waren dood
Daar was geen rijker nonnetje
Op het zedeloos dorp zo groot
Ja, haar vader en moeder waren dood.

7.
Toen ’t ruitertje dit te horen kwam
Was ‘t : knecht, kom zadel mijn paard
Ik wil naar ’t klooster toe rijden
Dat is mij een kansje waard
Jan, kom knecht, kom zadel mijn paard.

8.
Toen ’t ruitertje aan het klooster kwam
Toen schelde hij lustig aan
En vroeg toen aan het bagijntje
Of daar een nonnetje was
Dat daar pas gekomen was.

9.
Ja, hier is wel een nonnetje
Maar ze komt voor u niet uit
Zij is de Heer gaan dienen
Zij is des Heeren bruid
En zij komt voor u niet uit.

10.
Als gij haar niet laat komen
Sprak deze loze guit
Zal ik ’t klooster in brand gaan steken
Met zwavel en met kruit
En dan zal zij komen eruit.

11.
Toen het klooster stond in volle vlam
Kwam het nonnetje voor hem staan
Met opgestroopte mouwtjes
Haar nonnenkleed had zij aan
En toen kwam zij voor hem staan.

12.
Zij sprak: mijnheer stout ruitertje
Wat doet gij voor een schand’
Want laatst toen ik een ring u bood
Toen weigerde gij mijn hand
Ga, en vertrek nu uit mijn land.

13.
De ruiter keerde zich omme
En sprak geen enkel woord
Maar toen hij aan ’t fonteintje kwam
Daar schoot hij zich zelve dood
Zij was verslagen en hij was dood.

14.
Het was op ene donderdag
’t Nonnetje zou gaan halen brood
Toen zij aan ’t fonteintje kwam
Daar vond zij haar zoetlief dood
Hij was verslagen, hij was dood.

15.
Zij sprak: mijnheer stout ruitertje
Is dat ter wille van mij
Dan zal ik u laten begraven
Hier onder deze rozemarijn
Alwaar die stoute ruitertjes zijn.

16.
Dan zal ik bloempjes plukken
En strooien die op uw graf
Dan zal ik de tulpjes planten
Tot aan de jongste dag
Al waar ik mijn lief weer zag.

17.
En toen er de jongste dag brak aan
Toen zagen zij elkander weer
Zij vielen elkander in de armen
In ’t bijzijn van de Heer
Ja, zij kregen elkander weer.

Naar boven

Het weesmeisje.

Als u meer wilt weten over dit lied verwijs ik u graag naar de rubriek: Tekst en uitleg op deze site.
Ik geef nu melodie en tekst, deze kunt u ook weer terugvinden in Tekst en uitleg.

Luisterbestand: Aan de oever van een snelle vliet.

1.
Aan een oever van een snelle vliet
Een treurig meisje zat
Zij weende en schreide van verdriet
In ’t gras van tranen nat.

2.
Zij wierp de bloempjes die zij zag
Gestadig in de stroom
Zij riep: ach lieve vader, ach
Ach lieve broeder, kom.

3.
Een rijk man wandelde langs de vliet
Bespeurt haar bitt’re smart
Daar hij het meisje wenend ziet
Breekt zijn meedogend hart.

4.
Hij zei tot haar: wel lieve meid
Spreek op en weest niet schuw
Zeg mij waarom gij kermt en schreit
Kan ’t zijn, zo help ik u.

5.
Zij zuchtte en zag hem troosteloos aan
En sprak: ach brave man
Een arme wees ziet gij hier staan
Die God slechts helpen kan.

6.
Ziet gij dat groene bergje niet
Daar is mijn moeders graf
Ziet gij de oever van deez’ vliet
Daar viel mijn vader af.

7.
De snelle stroom verwon hem dra
Hij worstelde, ach hij zonk
Mijn broeder sprong hem achterna
Helaas, hij ook verdronk.

8.
Nu vlucht ik ’t eenzaam hutje uit
Waar niets dan jammer is
Zo sprak zij hare klachten uit
In het hart vol droefenis.

9.
De heer die zei: o, klaag niet kind
Uw hart verdient geen pijn
Ik wil uw broeder en uw vriend
En ook uw vader zijn.

10.
Hij nam haar minzaam bij de hand
En noemde haar zijn bruid
Men deed haar aan de waterkant
Haar slechte kleren uit.

11.
Zij heeft nu spijs en lekkere drank
Al waar haar hart naar tracht
Deez’ rijke man verdient wel dank
Dat hij zo edel dacht.

Naar boven

Op ’t som’bre kerkhof.

Dit lied kom je eveneens in bijna elk liedjesschrift tegen, moet dus heel populair geweest zijn.
Het lied is verspreid geraakt door een los liedblad,  een zogenaamd vliegend blaadje. De beroemde Rombouts uit Rosendaal (N.B.) drukte het lied op een liedblad en F.W. Vislaake uit Amsterdam.
De melodie van dit prachtige drama haalde ik van de Liederenbank. Will Scheepers tekende dit lied op in Ten Boer in 1954.
Het is wel interessant om deze veldopname eens te beluisteren, de zanger heeft een prachtige heldere stem, dit maak je helaas niet veel mee bij je liedveldwerk!
Het lied is ongeveer te dateren in 1850.
In de Liederenbank vond ik nog twee namen behorende bij de tekstdichter en de componist; dit zijn respectievelijk E. Tetaert en K. Miry.

Luisterbestand: Op ‘t sombere kerkhof.

1.
Op ’t somb’re kerkhof, zekere nacht
Zag men een meisje knielen
Wijl vlokjes sneeuw zo stil, zo zacht
Op ’t aardrijk neder vielen
De graver ging het kerkhof rond
Toen hij een meisje biddend vond
O, geef mij albehoeder
Wat doet gij meisje nog zo laat
Er is geen mens meer op de straat
Ik vraag aan God mijn moeder.

2.
Ik dwaal hopeloos straat op straat neer
Moest het mijn moeder weten
Zij keerde wis wel spoedig weer
Ik heb vandaag nog niet gegeten
Ik vroeg aan gindse deur wat brood
Men lachte en spotte met mijn nood
Men joeg mij van hun trappen
Dat was de hulp die men mij gaf
O, man, ontsluit dit dierbaar graf
‘k Wil bij mijn moeder slapen.

3.
‘k Mocht in een vriend’lijk vaderwoord
Helaas mij nooit verblijden
Door zwoegen werd hij vroeg vermoord
‘k Ben ook van haar gescheiden
Die eind’loos werkte voor haar kind
O, ze heeft me toen zo teer bemind
‘k Moet haar voor altijd derven
Zij blikt nu zeker op mij neer
O, God geef mij mijn moeder weer
Of laat mij liever sterven

4.
De graver licht het van de grond
IJlt naar zijn woning henen
Geen zucht ontvliegt nog ’s meisjes mond
Hij hoort haar niet meer wenen
Maar ’t is alsof hij nog het woord
Van ’t biddend stemmetje immer hoort
O, geef mij albehoeder
De vrouw ontving haar in haar schoot
Te laat, helaas, het was reeds dood
Het was bij hare moeder.

Naar boven

Bij het ouderengraf.

De melodie haalde ik weer van de Liederenbank, hoewel ik het lied zelf kon optekenen in Schijndel bij mevrouw Munsters- van Houtum.
Het is een veldopname uit 1951, gedaan door Will Scheepers in Braamberg bij Slagharen. Bij de transcriptie staat genoteerd: vertaald uit het Duits. En in De kist van Pierlala, straatliederen uit het geheugen van Nederland lees ik dat het Duitse lied is getiteld: Am Elterngrab.
In een andere veldopname van dit lied, ook weer te beluisteren in de Liederenbank, hoor je een zanger met begeleiding van een mondharmonicaspeler, leuk om naar te luisteren!
Bij het ouderengraf zou al in 1850 bekend zijn geweest.

Luisterbestand: Bij het ouderengraf.

1.
Ik ken een eenzaam plekje op aard’
Door stil geboomte omgeven
Daar vlied ik heen wanneer mijn leed bezwaard
Of zorg mij drukt voor ’t leven
En vraagt gij mij naar ’t oord zo dier
Het ligt niet ver, niet ver van hier.

Refrein:
Geen plek op aard’ die zoveel troost mij gaf
Als ’t dierbaar, vroeg gesloten oudergraf.

2.
Hoe trekt met toverkracht die groeve mij aan
Hoe kan ik vrij daar klagen
‘k Gevoel dan niet dat ik alleen bleef staan
Of mensen mij belagen
Daar spreken wij van strijden moe
Beminde daar vertroostend toe.

Refrein.

3.
En als mijn levensavond daalt vol vree
En zich de hemel opent
Laat mij dan hier, o, God, zo luidt zijn bêe
Uw opstandingsdag verhopen
Op ’t zelfde kerkhof vredig, klein
Moet ook mijn graf gedolven zijn.

Refrein.

Naar boven

In het zwarte klooster.

Dit lied zou ontstaan zijn naar aanleiding van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871).
De tekst is uit het Duits vertaald: Leise tönt die Abendglocke.
De titel is ook wel: In het stille klooster of Achter in het stille klooster.

Luisterbestand: Zachtjes klinkt het avondklokje.

1.
Zachtjes klinkt het avondklokje
Alles keert ter ruste weer
Vog’ len zingen treurige lied’ ren
’t Zonlicht daalt in ’t westen neer.

2.
Achter in het stille klooster
Zusters in hun zwarte dracht
Zij verplegen daar de lijders
Die gewond zijn aangebracht.

3.
Beide deuren staan wijd open
En een zuster treedt erin
Met een jongeling in haar armen
Die nooit weer ten strijde ging.

4.
Beide benen afgeschoten
En daarbij de rechterhand
Want hij had zo trouw gestreden
Voor zijn dierbaar vaderland.

5.
Achter in het stille klooster
Klopt een droeve moeder aan
Ligt mijn zoon hier zwaargewond soms
Gaarne zou ik tot hem gaan.

6.
Arme moeder sprak de zuster
Ach uw zoon, hij leeft niet meer
Al zijn lijden is geweken
Hij stierf voor zijn land en eer.

7.
In de kamer aangekomen
Nam zij ’t witte doodskleed af
En in tranen stort zij neder
Delf voor hem en mij een graf.

8.
Op het kerkhof ligt begraven
Ene moeder met haar zoon
En nu strijden zij voor eeuwig
Ja, voor eeuwig voor Gods troon.

Naar boven

Eduard en Helena.

Dit is ook een klassieker, ooit bekend geworden door De zangeres zonder naam alias Rietje Bey en nog eens alias Mary Servaes.
Het lied is van Duitse oorsprong en heeft bij onze Oosterburen de titel: In des Garten dunk’ler Laube. (ongeveer 1840)
De hoofdpersonen in het Duitse lied zijn ridder Ewald en zijn Minna!
In ’n Nederlandse vertaling zijn dit geworden ridder Eduard en zijn Lina en later dus Eduard en Helena.
De tekst komt voor in bijna elk liedjesschrift en elke keer merk je weer dat er flink gesleuteld is aan of gerommeld is met de liedtekst.
De melodie haalde ik van de Liederenbank, het is een opname van Will Scheepers uit 1951 gedaan te Siddeburen.
Het lied wordt ook wel gezongen op de melodie van het hiervoor beschreven lied In het zwarte klooster.

Luisterbestand: Eduard en Helena.

1.
In het lommer van ’t prieeltje
Zaten samen hand in hand
Daar zat Eduard met zijn Lena
Sloten samen de huwelijksband.

2.
Toen sprak Eduard tot zijn Lena
Neem geen ander aan uw zij
Eer die rozen tweemaal bloeien
Zal ik hier weer bij u zijn.

3.
En die twee jaar zijn verlopen
Eer de roos haar knoppen brak
Toen ging Eduard naar ’t prieeltje
Waar hij eens naast Lena zat.

4.
Maar wie ligt daar nu begraven
Onder deez’ witte marmersteen
Op die steen daar stond geschreven
Hier rust Lena, gans alleen.

5.
Toen trad Eduard in het klooster
Trok zijn jas en mantel uit
En hij treurde om zijn Helena
Tot de dood hem bracht naar ’t graf.

Naar boven

De dobbelaar, of het ziek- en sterfbed van zijn kind.

Aan de melodie kun je aflezen hoe dramatisch de tekst is, en dat klopt als je de vijf coupletten eens bekijkt!
De melodie vond ik deze keer niet in de Liederenbank, maar vond ik in De Vlaamse zanger, deel 1. In 1899 vond de eerste uitgave plaats van deze populaire, 4-delige zangbundelserie.
Boven de melodienotatie staat: Amerikaans lied.

Luisterbestand: De dobbelaar.

1.
O, vader, o, vader kom huiswaarts met mij
De klok slaat reeds één op de kerk
Gij beloofde mij vader te komen naar huis
Zodra als gedaan was uw werk
Het vuur is gedoofd, geen licht is in huis
En moeder verlangt u te zien
Vermits kleine Bennie ligt ziek op haar schoot
En niemand haar hulp kan bien
Kom thuis, kom thuis, kom thuis
O, vader, o, vader kom thuis.

2.
O, vader, o, vader kom huiswaarts met mij
Reeds twee uren slaat de klok nu
Het huis is zo stil en Bennie zo ziek
En hij roept gestadig om u
Want moeder zij denkt dat hij sterven zal
Noch eer de donker zal vlien
Daarom lieve vader, kom huiswaarts met mij
Als gij hem nog levend wilt zien
Kom thuis, kom thuis, kom thuis
O, vader, o, vader kom thuis.

3.
O, vader, o, vader kom huiswaarts met mij
Want moeder die schreit van verdriet
Zij kust onze Bennie zo teer en zo dier
Terwijl hij geen lachje meer biedt
Zij wringt haar handen krimpend ineen
Zij is zo droevig van hart
Zij ligt op haar knieën en biddend roept zij
Mijn God wat lij ik een smart
Kom thuis, kom thuis, kom thuis
O, vader, o, vader kom thuis.

4.
O, vader, o, vader laat het spel dan toch staan
Kom mede en gaat toch met mij
Want Bennie is zo ziek en moeder bedroeft
Kom vader, zie toch wat ik lij
Blijf voor de stem der rede niet doof
Want moeder die weende zo hard
Zij riep: o, mij God, mijne Bennie die sterft
Zij lijdt zoveel bittere smart
Kom thuis, kom thuis, kom thuis
O, vader, o, vader kom thuis.

5.
O, vader, o, vader kom huiswaarts met mij
De klok in de toren slaat drie
Het huis is zo ledig, de uren zo lang
Daar moeder en ik u niet zie
Het is nu zo stil want Bennie is dood
Door de engelen ten hemel gebracht
En dit zijn de woorden die hij stervende sprak
‘k Wil kussen mijn vader goede nacht.

Naar boven

Bittere smarten.

De muzieknotatie haalde ik van de Liederenbank. Het is een opname van Will Scheepers in 1953 te Rotterdam.
Het lied was ook in Ieperen bekend, Blyau en Tasseel tekenden het lied op en publiceerde het in hun: Iepersch Oud-Liedboek, Brussel 1962.
De hoofdpersoon heet in Vlaanderen Laura.

Luisterbestand: Bittere smarten.

1.
Voor de traliën van een venster
Aan een zware kloostermuur
Zat een jongeling te wenen
Op het stille, nachtelijk uur
Hij riep: Lora, mijn zielsvriendinne
Waarom scheidet gij toch van mij
Ach, verlaat uw treurig klooster
En komt rusten aan mijn zij
Maar een blik en maagdenwezen
Dat ziet door de traliën uit
En een stem die sprak met tranen
Nooit, nooit, nooit
Wordt Lora, Lora, uw bruid.(2x)

2.
Hij riep: Lora, zoete Lora
Zonder u besta ik niet
Want mijn leven is een beekje
Hetgeen langs doornen vliedt
Ik zie u ’s nachts in mijn dromen
En dat maakt mij het leven zo zacht
Kom bij mij, aangebeden Lora
Dan vluchten wij, het is middernacht
Maar een blik en maagdenwezen
Dat ziet door de traliën uit
En een stem die sprak met tranen
Nooit, nooit, nooit
Wordt Lora, Lora, uw bruid.(2x)

3.
Maar een onweer ging aan het woelen
Op het uur van middernacht
En de reus der noordenwinden
Trok de bomen uit met kracht
Adieu riep hij, mijn dierbare Kora
Ik zie u in mijn leven niet meer
En door een bliksemstraal getroffen
Sloeg de jongeling stervend neer
Maar dat droevig maagdenwezen
Wijkte voor de traliën uit
Die stem die riep met smartige tranen
Nooit, nooit, nooit
Wordt Lora, Lora uw bruid.(2x)

Naar boven

De schone bruid.

Dit lied is zeer bekend geweest getuige de 96 veldopnames die in de loop der jaren ervan gemaakt zijn door medewerkers van het Volksliedarchief te Amsterdam. U kunt ze vinden in de Liederenbank.
Je kunt lied ook nog terugvinden in Het straatlied van D. Wouters en J. Moormann. Zij geven in hun inleiding commentaar bij de liedtekst.
Zij beweren: Duidelijk is het, dat in de eerste drie coupletten het meisje spreekt , maar in de volgende is dat meisje, blijkens het laatste couplet, overleden en spreekt de minnaar. Vermoedelijk zijn hier stukken van twee verschillende, verwante liederen aan elkaar gelijmd.
Het voert nu te ver om uit zoeken welke deze twee liederen zijn!
Ik tekende het lied in Schijndel op bij mevrouw Geerts-Sanders. Zij had een prachtige stem en kende zeer veel liedjes. U zult haar naam nogal eens tegenkomen op deze website!

Luisterbestand: De schone bruid.

1.
Zo lang de boom zal bloeien
En de leliën heerlijk staan
Zal ik hem nooit verfoeien
Om met een ander te gaan.

2.
Ik was pas zestien jaren
Ik was nog maar een kind
Toen vroeg hij mij te paren
Ik werd door hem bemind.

3.
‘t Was op een zondagmorgen
Kwam hij mij tegemoet
Hij deed er niets dan zwaaien
Hij zwaaide met zijn hoed.

4.
Dus meisjes voor het leste
Neem hier een spiegel aan
Ik raad u voor het beste
Als gij uit wandelen gaat.

5.
Kom ik langs ’t kerkhof getreden
Wat vond ik hier nu staan
Begon het mij te gravelen
Als ik die zerk zag staan.

6.
Hieronder ligt begraven
Een jonge, schone vrouw
Die scheidde van haar leven
Drie uurtjes na haar trouw.

7.
Haar bruiloftskleed vol prachte
Zal gewis haar doodskleed zijn
Ach dood, wil mij verwachten
Ach, help mij uit de pijn.

8.
Ik zal het nooit vergeten
Al word ik honderd jaar
Dat ik op die dag van trouwen
Werd man en weduwnaar.

Naar boven

De laatste vaderkus.

Ik heb weinig gegevens over dit lied gevonden. Je  het wel in veel liedejesschriften tegen, het lied moet dus populair en gekend geweest zijn. In de Tranenkruik, liederen uit de oude doos, staat De laatste vaderkus, ook met 4 coupletten en gedateert: plm. 1930.
Mevrouw Geerst- Sanders uit Schijndel zong dit lied voor mij in 1983, de liedtekst is identiek aan die in De Vlaamse Zanger.
De woorden en de melodie die nu volgen komen uit deze Vlaamse zanger, deel 1, eerste uitgave 1899.
De titel van het lied is daar: Het stervende kind.
Boven de muzieknotatie staat: Woorden naar het Engels door S.J.V. en de rechtsboven staat de componist: C.A. White.

Luisterbestand: De laatste vaderkus.

1.
Kom vader, zit bij mij neder
Geef mij een hand en zie mij aan
Zeg vader, wilt ge ’t mij vergeven
Als ik u soms heb leed gedaan
Voorzeker, ‘k zal niet lang meer leven
Ik ben zo ziek en zwak en moe
Daar vader, als ik nu moet sterven
Ga ‘k immers naar moeder toe.

2.
Mijn speelgoed vader, wil het bergen
Och, berg het goed en veilig weg
Dan kunt gij later bij ’t aanschouwen
Steeds aan uw zoontje denken, zeg
Ik ga nu naar de hemel henen
Daar is geen ziekte of geen pijn
O, kus mij vader ik ga sterven
En zal weldra bij moeder zijn.

3.
En vader, als mijn makkers komen
En schreiend op het kerkhof staan
Zeg hen dan dat ik naar de hemel
Waar moeder is, ben heengegaan
Ja vader, als ik ben gestorven
En rust in ’t graf, verlost van pijn
Mijn geest zal altijd u omzweven
Hij zal gestadig bij u zijn.

4.
Vergeef mij vaderlief, vergeef mij
Ween toch niet, het doet mij pijn
O, kus mij vader, ik ga sterven
En zal weldra bij moeder zijn
Daar hebben wij dan eeuwig vreugde
En weldra ook verwachten wij u
Druk mij dan tot ons wederziens
En geef de laatste kus mij nu.

Naar boven

Andreas Vesten.

In dit lied wordt de slag bij Sedan (F.) bezongen.
Ook dit lied zou ontstaan zijn, net als Zachtjes klinkt het avondklokje, naar aanleiding van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871).
De plaatsnaam Sedan is voor velen ’n onbekende en dit geeft aanleiding tot allerlei verbasteringen.
Zo kwam ik tegen in liedjesschriften: Bij de Satan op de heuvel en Bij Schiedam op de heuvel.
Sedan ligt in Noord-Frankrijk en Suremunt, een verbasterde plaatsnaam die je tegenkomt in het zevende en negende couplet heet in het Frans: Sarreguemine en in het Duits: Saargemünd.
Je kunt deze plaats vinden iets ten zuiden van Saarbrücken en ten oosten van Metz.
Het lied van Andreas Vesten komt uit Duitsland en heet daar Bei Sedan auf der Höhen.

Luisterbestand: Andreas Vesten.

1.
Bij Sedan op de heuvel
Stond na een bloedige slag
In de late avonduren
Een Saks al op de wacht.

2.
De Saks ging op en neder
Zag de lijken in het gras
Wie nog gisteren op deez’ uren
Gezond en moedig was.

3.
Wat ruist daar in het bosje
Het is een ruiterman
Die met diep geschoten wonden
In zijn bloed lag bij Sedan.

4.
Breng mij water, kameraden
Want de kogel trof mij goed
Bij die gindse groene heuvel
Stroomde voor ’t eerst mijn bloed.

5.
Thuis heb ik vrouw en kinderen
En dat doet mij ’t hart zo zeer
Zij beminden hunne vader
En ik keer tot hen niet weer.

6.
Verhoor nu toch mijn bede
En groet mijn vrouw en kind
Want ik heet Andreas Vesten
En ik kom van Suremunt.

7.
Het was op een vroege morgen
Toen dolf de Saks een graf
En strooide schone bloemen
En takjes op het graf.

8.
Een kruisje van twee takjes
Met de bladeren speelt de wind
Hieronder ligt begraven
Andreas Vesten van Suremunt.

Naar boven

Het nederige hutje.

Mevrouw Janske van de Wiel uit Schijndel leerde dit lied toen ze als naaister en mutsenmaker werkzaam was in Sint Oedenrode.
Ook mevouw Slijters- van Aarle uit Schijndel kende dit lied; bij haar luidde de eerste regel: Zijt gegroet, geliefde moeder.
De nu volgende liedtekst is ook te vinden in De tranenkruik, liederen uit de oude doos, samengesteld door D.Wouters. en uitgegeven in 1943.
Het lied Het nederige hutje is gedateert 1875.

1.
Zijt gegroet geliefde velden
En gij nederig rieten dak
Hier Eliza woont de vrede
Die zo vaak de vorst ontbrak
In mijn hutje rolt ons leven
Zonder kommer, zonder druk
Deugd en onschuld zijn met schatten
Liefde en vriendschap mijn geluk.

2.
Zou ik vorsten u benijden
Neen, want zorgen zijn uw lot
Moest ik een paleis bewonen
O, daar had ik geen genot
In mijn hutje rolt ons leven
Zonder kommer, zonder druk
Deugd en onschuld zijn met schatten
Liefde en vriendschap mijn geluk.

3.
Hoort de donder, hoe verschrikkelijk
Schiet de bliksem over d’ aard
En hij treft de hoge spitsen
Daar hij ’t nederig hutje spaart
In mijn hutje rolt ons leven
Zonder kommer, zonder druk
Deugd en onschuld zijn met schatten
Liefde en vriendschap mijn geluk.

Ik nam het lied op bij mevrouw Mieke van Grunsven- van der Zanden in Vorstenbosch, haar man begeleidde haar op mondharmonica, een prachtige veldopname is dat geworden!
Haar woorden waren iets anders dan bovenstaande drie coupletten. Ook zong zij dit lied niet op de wijze Beelden uit mijn kinderjaren  die zo vaak bij dit lied hoort.
Volgend nu tekst en melodie uit Vorstenbosch.

Luisterbestand: Het nederige hutje.

1.
Wees gegroet gij groene velden
En gij nederig rieten dak
Woont Eliza hier in vreemde
Die zo vaak de vorst ontbrak
In mijn hutje en in mijn hutje
Leef ik zonder kommer, zonder druk
De deugd en onschuld zijn mijn schatten
Liefde en vrijheid is mijn geluk.

2.
Mocht ik steeds een vorst bevrijden
Neen, want zorgen is mijn lot
Mocht ik een paleis bewonen
Neen daar vind ik geen genot
Al die rijkdom en al die schatten
Zijn voor mij maar ijdelheid en zware druk
De deugd en onschuld zijn mijn schatten
Liefde en vrijheid is mijn geluk.

3.
Hoort dat donderen, hoe verschrikkelijk
En die bliksem op deez’ aard’
Daar een zwaar en hoe verpletterend
In mijn nederig hutje spaart
Veilig leef ik, veilig leef ik
In mijn hutje zonder kommer, zonder druk
De deugd en onschuld zijn mijn schatten
Liefde en vrijheid is mijn geluk.

Naar boven

Ga naar boven