Zingende reiziger

Een leugenlied.

Maria van den Dries (1853-1930) en Frans Jansen (1858-1933), beter bekend als Mie de Fiedel en d’re Meens (hieronder op de foto), waren destijds de bekendste Tilburgse volksmuzikanten. Van hen is bekend dat ze, en niet alleen in Tilburg, liederen en dansen begeleidden op cello en viool. Elke zondag na de Heilige Mis werd het meubilair van huize Jansen aan de kant geschoven en werd er volop gezongen en gedanst met de aanwezige gasten. (Rolf Janssen, 1984).


Eén van de liederen die Frans zong was een leugenliedje, Zo kwam ik laatst. Mie begeleidde hem dan op haar cello. Rolf Janssen9 vond in het Gemeente Archief Tilburg slechts twee coupletten van dit lied, zonder muzieknotatie:

Zo kwam ik laatst in Rome
daar hong een walvis al in de bomen
zij zong haar liedje in het latijn
ze wist haar stemmeke zo goed te mengelen
gelijk de engelen die daar bengelen.

Zo kwam ik laatst bij een boer van buiten
zijn ogen stonden al in zijn kuiten
ik vroeg wie zijne vader was
hij zei: ik heb mijn tong verloren
voordat ik op de wereld was.

Een optekening van mezelf van een leugenlied in Loosbroek bracht ons meer informatie. Regine Gevers zong
‘k Was laatst in de stad van Londen, een leugenlied met vijf coupletten. Het vierde couplet is vrijwel identiek aan het eerste couplet uit Tilburg.

Luisterbestand: ‘k Was laatst in de stad van Londen.

 

1.
‘k Was laatst in de stad van Londen
zag ik mieren zo groot als honden
ze dronken thee met een beschuit
ze wilden ook een pijpje smoren
smoking dreef hun langs de oren
ze speelden op viool en fluit.

2.
Ik kwam laatst in de stad van Spanje
zag ik muggen met gouden franje
ze reden op een olifant z’n staart
de olifant begon te hollen
de spin riep, hulp, want ik ga rollen
ze brak haar been want het was glad.

3.
Ik kwam laatst in de stad Turkije
zag ik vlooien in stukken snijen
zoals men bij de slager doet
’t is om beuling* van te maken
zie de Turken toch eens gapen
want het smaakt hun drommels goed.

4.
Ik kwam laatst in de stad van Rome
er hing een walvis aan de bomen
hij zong zijn liedje in ’t latijn
hij wist zijn stemmetje zo te mengelen
als de klokjes die daar bengelen
‘t is te zeggen grof en fijn.

5.
Wat me laatst is overkomen
in Londen, Spanje, Turkije en Rome
zijn leugens die men vatten kan
’t is om de jonkheid te vermaken
‘k wens u daarom wel te slapen
Totdat ik weer wat anders weet.

* beuling is leverworst

Couplet 4 uit Loosbroek komen we tegen, als couplet 2 in een optekening in West-Friesland door Veurman-Bax6 in 1944.

Luisterbestand: Leugenliedje.

1.
´k Ben in den tijd van negen dagen
De ganse wereld rondgedragen
Al op een ezel zonder staart.
Maar o, wat zag ik vreemde dingen
Die ik belust ben om te zingen
Het is, dunkt mij, een oortje waard.

2.
Vooreerst zo kwam ik binnen Rome
Daar zat een walvis in de bomen
Die zong een liedje in ´t latijn
Hij wist zijn stem zo lief te mengelen
Net als de klokken die dan bengelen
Dat is te zeggen, grof en fijn.

3.
In Groenland zag ik ene kater
Die reed schaatsen met een sater
Heel wonder snel en poot in poot
Ik dacht: dat zijn hier rare snaken
Ik zag twee beren een ijsling maken
Van binnen met Oostindisch lood.

4.
In Spanje vond ik twee kamelen
Te samen een klaverjasje spelen
Ik zag er ook een kakketoe
Die deed (wie henker zou het raden?)
Niets anders als kastanjes braden
En roerde als ik weet niet hoe.

5.
In Duitsland zag ik zonder liegen
Vier grote waterhonden vliegen
Met lange pijpen in de bek
Ik zag een vleermuis die heel rood was
En als een olifant zo groot was
Hij liep voor vastenavondgek.

6.
In Zuidland zag ik op een toren
Een ooievaar met honderd oren
En met ogen tien maal tien
Maar bloed wat had hij rare poten
Zo recht gelijk de weg van Sloten
Het was heel koddig om te zien.

7.
‘k Zag bij de keizer van Marokko
Twee leeuwen, bloed, dat waren kokken

Tot zover dit zevende couplet. Kennelijk was de rest niet meer bekend bij diegene waarbij het lied is opgetekend.

We gaan eens kijken in de Nederlandse Liederenbank. Daar zien we dat het lied dat begint met :
‘k Ben in de tijd van negen dagen
De ganse wereld rond gedragen,
voor het eerst gepubliceerd wordt in : Het oranje vreugdemaal, uitgegeven in 1747 te Amsterdam.

Maar het lied is ouder!
Een redactie van dit lied, bestaande uit 26 coupletten, staat in een liedboekje uit 1729. Het werkt is uitgegeven in Amsterdam en heet De Schiedamsche molenaar.
De titel van het lied is: De singende Reysiger, op een Esel sonder staert, verhalende syn wonderlyke droomen, die hy heeft gedroomt.
(Deze 26 coupletten ziet u aan ’t einde van deze bijdrage!)

In De Schiedamse molenaar zien we het komplete zevende couplet uit de vorige variant uit West-Friesland:

‘k Zag by de Keyser van Marokken
Twee leeuwen, bloet dat waren kokken!
Want sy kookten rystebry.
Ik dacht wel heb ik van mijn dagen
Ik sag haer elk een lepel dragen
En een schuymspaen op haer zy.

We krijgen nog een indicatie over de ouderdom als we couplet elf van Een nieuw lied van de Acties bekijken, dat staat in liedboekje De Nieuwe Kleine Jan, uitgegeven in Amsterdam, zonder jaartal maar na 1760. (Kossmann3  ,1941, pag. 65)
In totaal heeft het lied twaalf coupletten en gaat het over de Actie-handel van 1720.
Het lied is eigenlijke een potpourri. Elke strofe heeft een andere wijs en die wordt aangegeven door de eerste regel(s).
Couplet elf luidt:

11.
Ik ben in de tyd van negen dagen
de gantsche waereld rond gedragen,
tot dat ik quam op Rotterdam
daar zag ik ’s nagts de Beurs vol gekken
zy deden niet als premie trekken
van daar zo reed ik na Schiedam.

We kunnen nu bijna zeker concluderen dat het lied bekend was rond de jaren 1720-1730.
Hierna verschijnt het nog in diverse liedboekjes, te weten De nieuwe Amsterdamse Mercurius (1743), en op een negentiende-eeuws vliegend blad en later in verschillende liedboeken.

Waar komen we het lied van de zingende reiziger, of fragmenten ervan nog meer tegen in de literatuur?

In Groningen is het leugenliedje ook bekend (geweest), echter in een andere vorm, zeker wat betreft de melodie:
In Oude en nieuwe Groninger liederen van P. Groen vond ik een variant: Een wonderlijke reis.(‘n wonderlieke raais)

Luisterbestand: ‘n Wonderlieke raais.

1.
Toen ik ooit eens in zeven dagen
de hele wereld rond wilde jagen
al op een ezel zonder staart (2x).

2.
Toen kwam ik in ´t land van Haren
daar zat een reiger op de toren
te vissen met een molenroe¹ (2x).

3.
Die ving van allerhande dieren
die zo maar in de lucht omzwieren
verdorie ook een vette koe (2x).

4.
Een ezel was zijn polsstokdager
maar och, wat was dat beestje mager
hij vrat ook niets dan kikkerdril (2x).

5.
Toen kwam ik in het land van Hagen²
daar zat een stier op een mestwagen
en las de Paterswoldse krant (2x).

6.
Dat dier had al vier jaren
altijd met turf op Moskou gevaren
zijn vader was professor geweest (2x).

7.
Toen kwam ik in het land van Bierum
Daar vrat een koekkoek kievietseieren
Al uit een legen mudzak³ (2x).

8.
Toen kwam ik in het land van Saaksum
daar droegen kikkers groene broeken
een groene broek met een wit vest (2x).

9.
Toen kwam ik in het land van Saaksumhuizen
daar zag ik vrouwen rokken pluizen
ze vingen net een dikke vlo (2x).

10.
Toen kwam ik in het land van Rome⁴
daar hing een olifant in de bomen
hij had een mug een oog uitgetrapt (2x).

11.
Toen kwam ik in het land van Assen
daar droegen spreeuwen winterjassen
die zongen liedjes in ´t latijn
dat is te zeggen grof en fijn (2x).

¹ Molenroe: balk van een molenwiek
²Hagen: deze plaats werd genoemd om de deftigheid ten zuiden van de stad Groningen aan te geven
³ Het woord mudzak wordt door heel oude mensen nog gebruikt als ze menen het woord ´muddezak´ in het Nederlands te moeten vertalen. Wat bedoeld wordt is een zak ter grootte van een mud, in dit geval waarschijnlijk een graan- of aardappelzak van jute.
⁴ Deze plaats wordt gebruikt om aan te geven dat het gebeuren ´heel ver weg´ plaatsvond.

Met dank aan Tineke Algra die het Gronings lied, op mijn verzoek, in de jaren tachtig zo letterlijk mogelijk vertaalde. Dat dit ten koste gaat van de rijm, komt geheel voor mijn rekening. Ook de voetnoten werden door Tineke verzorgd.

Jaap Kunst5 tenslotte tekende nog een variant op te Groningen en publiceerde dit lied in het boek Het levende lied van Nederland. De acht coupletten komen vrijwel overeen met de bovenvermelde Groningse variant, met uitzondering van couplet acht:

8.
Toen kwam ik daar in ´t land van Eelde
daar had een vlo uit pure weelde
een schelvis ongelukkig gemaakt.

De volgende lino hoort bij het eerste couplet:

Kunst heeft als commentaar bij het lied: Er zijn nog vele strofen meer; voor zover ik ze leerde kennen, waren ze echter te flauw of te ´görtig´ om mee te nemen.

In Driemaandelijksche Bladen4 (vierde jaargang, 1905) vond ik een Drents liedje met de volgende tekst:

1.
Ik heb lest in zeuven dagen
de gansche wereld ronderaisd
al op een ezel zonder stêrt.

2.
En o dat deiertien dat was zo mager
het vrat ook niks as kaf oet ’n haver
’t har de bek tou-e-smeerd met lak.

3.
Tou kwam ik in et land van Romen
doar zat en kösterkien in de bomen
te vissen met een angeltien.

4.
Hée vung doar allerhande daieren
dei in ’t onmeetle ummezwaieren
zo as bi’j veurbeeld ne bonte koe.

In dezelfde jaargang stond nog:

5.
Toen kwam ik in het land van Romen
doar zat ’n walvisch in de bomen
dê zong ’n liedjen in ’t latijn
al met een stemmetje heel fijn.

6.
Toen kwam ik in ’t land van Turrekije
doar waren z’n vloo aan ’t stukken snije
en ieder stukj dat woog een pond
behalve de darmen en de strond.

Waar komen we de zingende reiziger nog meer tegen? Ik noem slechts enkele publicaties!

• De Kroniek van de Kempen, 1981. Een optekening van Harrie Franken in Veldhoven.

• In het Nederlandsch Volksliederenboek7 (tweede bundel, 1915), staat op pagina 278 een redactie met drie coupletten.
Het zijn couplet 1, 2 en 4 van de optekening van West-Friesland.

• In Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen uit 1894, pag.50 staat slechts één couplet dat identiek is aan het vierde uit Loosbroek.

• In de Navorscher I staat te lezen dat het lied omstreeks 1815 door liedjeszangers op straat werd gezongen.

• Tenslotte komen nu de 26 coupletten van De Zingende Reiziger.
Ze staan beschreven in Nederlandse liederen uit vroeger tijd, uitgegeven door J.H. Scheltema, mét een muzieknotatie. Bij de voetnoten staat: De melodie medegedeeld door de Heer C.J. Viernagel te Amsterdam.
Kennelijk was de heer Scheltema ook geïnteresseerd in liedveldwerk.
Als bron voor deze 26 coupletten geeft Scheltema niet de hiervoor genoemde liedbundel De Schiedamse molenaar maar wel
De nieuwe Amsterdamse mercurius, met zijn amoreuse gezangen. Te Amsterdam, bij Gysbert de Groot Keur, 1743.

Naar boven

Luisterbestand: De zingende reiziger.

1.
‘k Ben in de tijd van negen dagen
De ganse wereld rondgedragen
Al op een ezel zonder staart
Wat zag ik wonderlijke dingen
Die ik belust ben om te zingen
’t Is dunkt mij wel een stuiver waard.

2.
Voor eens zo kwam ik binnen Rome
Daar zat een walvis in de bomen
Die zong een liedje in ’t Latijn
Hij wist zijn stem zo lief te meng’len
Nu als een klok, en dan als beng’len
Dat is te zeggen grof en fijn.

3.
In Groenland daar vond ik een kater
Die reed op schaatsen met een sater
Wonder snel, en poot aan poot
Ik dacht dat zijn al rare snaken
Ík zag twee beren een ijsslee maken
Van binnen met Oostindies lood.

4.
In Spanje vond ik twee kamelen
Te samen een klaverjasje spelen
Ik zag er ook een kakketoe
Die deed (wie henker zou het raden?)
Niet anders als kastanje braden
En roerden als ik weet niet hoe.

5.
In Duitsland zag ik zonder liegen
Vier grote waterhonden vliegen
Met lange pijpen in de bek
Ik zag een vleermuis die heel rood was
En als een olifant zo groot was
Die liep voor vastenavonds gek.

6.
In Frankrijk daar zag ik een tijger
Die had een bek gelijk een reiger
En vier poten als een zwijn
Hij fluitte als de blinde vinken
Ik zag hem uit een tobbe drinken
De allerbeste nieuwe wijn.

7.
In Engeland vond ik twee apen
Die schilden niet als gele rapen
Ieder met een pennenmes
De snuif aan hare ene zij stond
Ook zag ik nog als dat daar bij stond
Een bierkan met een borrelfles.

8.
In ’t Zuidland zag ik op een toren
Een ooievaar met honderd oren
En met ogen tienmaal tien
Maar bloed wat had hij rare poten
Zo recht gelijk de weg van Slooten
Het was heel koddig om te zien.

9.
In Finland zag ik negen pauwen
Van kiddelstenen mosterd kauwen
En zij liepen op haar kop
Ik zag er twee de klokken luien
Ik zag er vier met wagens kruien
Zeer vol geladen met haverdop.

10.
‘k Zag aan de Kaap de Bon Esprance
Twee dode Hottentotten dansen
Ieder met een rommelpot
Zij hadden ’t beide niet vergeten
Maar sprongen vlug, dat moet je weten
Als muggen in een hoenderkot.

11.
‘k Zag op Batavia een meerkat
Die op zijn achterpootje neerzat
En hij spon van ’t fijnste vlas
Hij had het spinnen op zijn duimpje
Hij droeg een hoedje met een pluimpje
Al met een grote kanten das.

12.
In China zag ik olifanten
Die naaiden niet als witte kanten
En zij waren allen blind
Ik zag een nachtuil turven trappen
Ik zag een weegluis schoenen lappen
Een haan die weefde schaatsenlint.

13.
‘k Zag bij de keizer van Marokken
Twee leeuwen, bloet dat waren kokken
Want zij kookten rijstebrij
Ik dacht, wel heb ik van mijn dagen
Ik zag haar elke een lepel dragen
En een schuimspaan op haar zij.

14.
‘k Zag in Japan twee tortelduiven
Die k..ten niet als blauwe druiven
Ik zag er ook een nachtegaal
Die had een staart van vijftig ellen
Zijn poten waren niet te tellen
Hij sprak ook veelderhande taal.

15.
‘k Zag om de West twee krokodillen
Een wonderbare uije schillen
Zo groot gelijk de Zuiderzee
’t Was om wat uijensla te smullen
En haar darmen op te vullen
Wie lust voor mij? Ik eet niet mee.

16.
Maar wat zag ik in Denemarken
Daar reed een panaal op een varken
En sloeg het wakker met een zweep
Ik zag een sprinkhaan wortels zaaien
Ik zag een stokvis koren maaien
Ik zag een gans, die kookte zeep.

17.
Ik zag een weerwolf binnen Polen
Die zat daar op een moddermolen
En hij las de Haagse krant
Ik zag een slak met houten benen
Die maakte vele dobbelstenen
En had bijloo geen enen hand.

18.
Ook zag ik binnen Turkije
Een vlo aan duizend stukken snijen
Van een grote hagedis
Het bloed dat gaarde men in koppen
Ik loof om beulingen van te stoppen
Wanneer het in de slachttijd is.

19.
Noorwegen moest ik niet verzwijgen
Daar riep een bok: wie koopt er vijgen
Met een kanis om zijn hals
Ik zag dat arme beestje zweten
Ik dacht: hij zou veel liever eten
De klaverblaadjes geel en mals.

20.
Toen ik door Zwitserland kwam reizen
O gut, daar zag ik veel patrijzen
Die gingen met elkaar naar school
Zij droegen A,B, bordjes mede
Dat goed waar wonder wel tevreden
Ik dacht: dat ’s al een rare kool.

21.
In Brabant zag ik twaalf paarden
Dat waren smids die smeden zwaarden
Vrij wat beter als Vulkaan
De een die blies, de ander gloeiden
En dapper met malkander knoeiden
Ik zag er vier met mokers slaan.

22.
In Haarlem, o, sellerweken
Had ik mijzelven haast verkeken
Daar liep een spreeuw met haar te koop
Ik zag er ook twee jonge hazen
Te samen op trompetten blazen
Doch zaten op een vuilnishoop.

23.
In ’t Veen daar werd een grote platvis
Voor mijn ogen van een katvis
Heel moorddadig ingeslikt
Ik zag er snoeken bij grote hopen
Op ’t land doch zonder voeten lopen
Ik ben er waarlijk van geschrikt.

24.
Tot Utrecht, ik en wil niet malen
Maar voor de waarheid gaan verhalen
Daar liep een muis met Wijker schar
Ik zag veel kikvorsen even schrander
Die liepen allen met elkander
Bij avond zingen met de star.

25.
Ik zag ook binnen ’s Gravenhage
Een koekoek voor een bolderwagen
En zo groot gelijk een stier
Ik zag een arend zonder ogen
Die was daar in een gat gevlogen
Hij was veel kleiner dan een mier.

26.
Toen ik de Amstel kwam genaken
Begon ik waarlijk te ontwaken
En ik dacht wat zoete droom
En waarom heb ik dit beschreven
Ik moest het ook te kennen geven
Vaarwel tot dat ik wederkoom.

Als conclusie kunnen we zeggen dat er in de loop van de tijd niet veel over is gebleven van de 26 coupletten die voor ‘t eerst in 1729 werden gepubliceerd. Er zijn slechts 8 coupletten nog te traceren in latere publicaties, inclusief mijn veldopname uit de jaren 80 van de vorige eeuw.
Dit zijn couplet 1,2,3,4,5,8,13 en 18 van de 26 zojuist gepubliceerde coupletten.

Literatuurlijst:

1.
´t Grunneger Zangbouck, tweede druk van Oude en Nieuwe Groninger Liederen, door P. Groen, Delft, 1930.
2.
Baker- en Kinderrijmen, facsimile uitgave van ´Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen´, verzameld door J. van Vloten, Leiden, 1894
3.
De Nederlandsche straatzanger, door F. Kossmann, Amsterdam, 1941
4.
Driemaandelijkse Bladen, uitgegeven door de Vereniging tot onderzoek van Taal en Volksleven, in het Oosten van Nederland. Vierder jaargang, 1905
5.
Het levende lied van Nederland, door J. Kunst, Amsterdam, 1938
6.
Liederen en dansen uit West-Friesland, Veurman/Bax, Den Haag, 1944
7.
Nederlandsch Volksliederenboek, tweede bundel, De Lange, Kalff, Loosjes, derde druk, 1915, Amsterdam
8.
Nederlandse liederen uit vroegere tijd, uitgegeven door J.H. Scheltema, Leiden 1885.
9.
We hebben gezongen en niks gehad, Rolf Janssen, Tilburg, 1984

Naar boven

Ga naar boven