Zakdoek leggen

Zakdoek leggen, een eenvoudig kinderspelletje?

We kennen het misschien nog wel van vroeger: kinderen maken een kring en staan of knielen. Eén kind, laat ik haar Tjanne noemen, loopt met een zakdoek buiten om de kring heen, terwijl de andere kinderen het liedje zingen. Bij ‘hier leg ik mijn zakdoekje neer’ legt Tjanne de zakdoek achter, laat ik zeggen, Katrientje neer. Tjanne moet nu hard wegrennen want Katrientje moet haar zien te tikken voordat Tjanne Katrientjes plaats in de kring heeft ingenomen. Lukt dit Katrientje, dan mag zij met de zakdoek rond. Anders gaat Tjanne weer om de kring heen. Zo simpel is dit spelletje en toch liggen er nogal wat theorieën en verklaringen aan ten grondslag. Laten we aan de hand van wat gegevens uit de literatuur en varianten van teksten, gaan ‘filosoferen’ over de achtergrond van dit spel.

Luisterbestand: Zakdoek leggen.

 

Hoe oud is het spel ‘zakdoek leggen’?

In 1574 wordt in het etymologisch woordenboek (woordafleidkunde) Etymologicum van Kiliaen, over het spel gesproken. Er zijn twee benamingen voor zakdoek leggen:

1. Kop, kop heeft ghelegt
2. Stootballen

1.
Kop, kop heeft ghelegt
Volgens Drost4, Het Nederlandse kinderspel vóór de zeventiende eeuw,  is ‘koppe’ of ‘kop’ synoniem aan haan of hen. Deze twee dieren spelen een duidelijke rol in het spel.
De ‘hen’ zien we in een aantal versjes die bij zakdoek leggen horen, zoals
Ei kokkerei, de klok (=kloek of klokhen) zal leggen,
als ze legt wat zullen we zeggen.

In Friesland wordt gezongen:

´t Hennetje wou leggen,
ik dorst het niet zeggen,
kijk achter u, kijk voor u,
kijk aan de beide zijden van u.

In Vlaanderen is een variant van het spel opgetekend dat eiken-leggen heet. (met eiken wordt hier geen houtsoort bedoeld maar een klein eitje, ´n eike). Het eike is de zakdoek en degene die rond de kring loopt, is de hen.

Van de haan is al sprake in de inleidende alinea; hier een Vlaamse variant: Rooien haan, een raadspel opgetekend in Lommel.

Rooien haan
Wat heet hem aan
Kasen en schoen
Glik alle boeremeskes doen,
He heet den hielen nacht gewakt en gebrakt
Nog geen een paar schoen gemakt
Läpken hier, läpken dao
Ich weet niet waar ich me päksen laten zal.

Vlaanderen kent een prachtige benaming voor zakdoek leggen: Neusdoeksken achter ’t gat.
Het wordt beschreven in Kinderspel en Kinderlust2, deel 1.
Het spel wordt hetzelfde gespeeld als in Nederland.

2.
Stootballen

Er werd inderdaad wel eens een bal gebruikt bij het spel, in plaats van een zakdoek. Volgens Drost4, pagina 24, kunnen we ´stoten´ opvatten als ´slaan´.
In een Griekse variant van het spel gebeurt het dan ook dat degene die niet bemerkt heeft dat men het voorwerp achter hem heeft neergelegd, de kring moet omlopen terwijl hij door de anderen geslagen wordt. In Vlaanderen werd gezongen door het kind dat buiten de kring liep:

Blie-blauw-blomme
kijkt er niemand omme
al die ommekijkt, krijgt ne slag.
Of:
Al die ommekijkt
die krijgt ne slag, ne slag
nen donderslag.

Nog iets over de ouderdom van dit kinderliedje en spelletje.
In Wikipedia lees ik:
De oudste liedboekjes die dit liedje bevatten stammen van rond 1890.

Wat ligt aan het spel ten grondslag?

In 1903 schrijft Samuel Singer in Das Zeitschrift des Vereins für Volkskunst over het spel:
Bei diesem Spiel haben wir einen direkten Beleg dafür, dass es nicht als Kinderspiel entstanden ist, sondern einst im Zusammenhang mit einer Kulthandlung der Erwachsenen gestanden hat: in Westfalen wurde es noch in unsern Tagen bei den Osterfeuern gespielt. Die ganze Menge bildete einen Kreis om das Feuer, einer ging aussen herum und sagte “Guck dich nich um, das Füchschen kommt. (in Duitsland wordt het spel ook wel Der Fuchs geht herum genoemd). Anderwärts heisst der umgehende Dämon der Wolf oder die Gans, wie in Holland und die südlichen Niederlanden die Henne.

Singer beweert dus dat het spel niet als kinderspel is ontstaan, het spel wordt door volwassenen gespeeld, in een kring rond een paasvuur. Iemand gaat buiten de kring om en zegt: kijk niet achterom, het vosje komt eraan.

Wat loopt er zoal buiten de kring om?

a. Een vos.
Der Fuchs geht herum.
In Vlaanderen is een variant genaamd Roovos jagen, waarschijnlijk wordt de rode vos bedoeld.

b. De gans.
Getuige een optekening uit Holstein:
De Goos, de Goos, de lecht dat Ei
un wennet fallt, so fallt et twei.

c. De wolf.

d. De haan of hen.
Zoals we al gezien hebben bij ‘kop, kop heeft ghelegt’.

Deze dieren vertegenwoordigen allemaal een demon in diergedaante. Degene die buiten de kring loopt, draagt een diermasker en, zegt Samuel Singer in het zojuist genoemde tijdschrift voor Volkskunde: Die Tiermaske hatte Augenlöcher, die andern aber müssen es vermeiden, seinem unheilvollen Blick zu begegnen.
Vertaald: het diermasker heeft ogen en de deelnemers aan ´t spel moeten de onheilspellende blik van het dier ontwijken.
Dit zien we terug in het spel van tegenwoordig: terwijl Tjanne buiten om de kring loopt, houden de kinderen hun handen voor de ogen en mogen ze niet kijken.

De haan is overigens een belangrijk dier in het volksgeloof. Zonder hier dieper op in te gaan, noem ik zijn symbool van de vruchtbaarheid, zinnelijkheid en waakzaamheid. De demon der vruchtbaarheid neemt wel eens de gestalte aan van een haan. Tegelijkertijd zegt het volksgeloof dat de boze geesten vluchten bij het kraaien van de haan. Hij verjaagt de weerwolven, watergeesten en demonen. Een tegenstrijdigheid komt hier om de hoek kijken: de haan als demon en tegelijkertijd de verjager ervan.

De attributen die wel eens gebruikt worden bij het spel:
1. Een ei
2. Een leren lap
3. Een klippel
4. Een muts
5. Een koordje
6. Een bal
7. Blokje hout (stukkien)

Stukkien, stukkien achterleggen
Kiek veur oe, kiek achte oe
Kiek tussen oe beiden benen
Ik loat mien stukkien vallen.

8. Een visje
Dit is evenwel gewoon een zakdoek die wordt opgerold in de vorm van een vis.

Visje leggen, niemand zeggen
‘k heb de hele nacht gewaakt
Twee paar schoenen heb ik gemaakt
Een van pik, een van leer
Daar leg ik mijn visje neer
Kijk voor je, kijk achter je
Kijk aan je beide zijden
Nu laat ik mijn visje glijden.

Tenslotte nog een opmerking over de zakdoek.
Mellie Uyldert beweert in haar boekje Verborgen wijsheid van oude rijmen het volgende:
buiten de kring loopt de levensgeest of zijn priester. De kring ontvangt van de priester een portie levenskracht, wat oorspronkelijk gebeurde door aanraking met onder andere een graszode die in een doek geknoopt was. Hieruit is de zakdoek ontstaan.
De titel van het boekje van Mellie Uyldert zou ik persoonlijk overigens graag veranderen in Openlijke lulkoek over oude rijmen. Het werkje is net zo dubieus als het verleden van de schrijfster.

Voorzichtige conclusie.
Het spel wordt in verband gebracht met of is ontstaan rond het Paasvuurgebruik. De haan komt in het spel voor en het ei als attribuut. De haan zien we in de Paastijd als ´Palmpaas´ door de kinderen meegedragen worden in optochten. Ze gaan dan langs de deuren om eieren op te halen. De haan is dus Paashaas geworden, kortom zakdoek leggen zou een Paasspel genoemd kunnen worden.

Literatuurlijst:
1.
Nederlandse baker- en kinderrijmen, J. van Vloten, Leiden, 1894
2.
Kinderspel en kinderlust in Zuid-Nederland, De Cock en Teirlinck, deel I, Gent, 1902
3.
Driemaandelijkse bladen, 1907 en 1911
4.
Het Nederlandse kinderspel vóór de zeventiende eeuw, J. Drost, Den Haag, 1914
5.
De haan in het volksgeloof, J. Rasch in Eigen Volk, 1930
6.
De haan in het volksgeloof, H. Knippenberg in Eigen Volk, 1935

Ga naar boven