Met mijn schuit op zee laveren

Dit prachtige lied, vol symboliek, nam ik in 1977 op in Moergestel bij mevrouw Schelle- Habraken. Ook haar broer Harrie Habraken kende dit lied en samen met Ate Doornbosch bezochten we hem in zijn woonplaats Haaren (N.B.). Het was interessant en leerzaam om eens te ervaren hoe Ate het veldwerk aanpakte. Hij liet eerst het favoriete lied door een zegsman of zegsvrouw zingen, ongeacht wat voor een lied het was.
Hierna ging Ate op zijn doel af, de mensen hadden hem immers al laten weten, naar aanleiding van zijn radioprogramma Onder de groen linde, wat hun liedrepertoire was. Zo zong Harrie Habraken op een gegeven moment zijn Ik ging laatstmaal met mijn schuit op zee laveren.

Luisterbestand: Ik ging laatstmaal met mijn schuit op zee laveren.

 

 

 

 

 

 

 

Ik publiceerde het lied in 1987 in mijn eerste deel van Kom zingen wij een lied, in eigen beheer uitgegeven.
Na wat zoekwerk kwam ik erachter dat het lied al voor kwam op een los liedblad dat in de 19de eeuw gedrukt werd in de Vlaamse steden Ieper en Gent.
De titel is dan: Het schipperinnetje gezeyd ’t Hollands meysken. De melodie staat aangegeven als: Zo het begint, en de eerste regel luidt: Laetstmael ging ik met myn schuyt op zee laveren.
Ik gaf verder nog als informatie, die ik absoluut niet kon bewijzen, dat het lied ook in Duitsland bekend was en dat er zelfs een 16de eeuwse druk bekend was.

Veel later, om precies te zijn in 2012 ben ik op zoek gegaan naar het lied in de Liederenbank.
Daar kwam ik de tekst tegen in een liedbundeltje uit 1790: Het vermakelyk Vrouwe- Tuyntje, waar in te vinden zijn de allernieuwste liederen die hedendaags gezongen werden en in geen ander liedboek te vinden zijn.
Het lied heeft daar als titel:
Een nieuw gezang of samenspraak tussen een Hollands meisje en een matroos. En als melodieaanduiding: Wezende in ’t bos om te jagen.
De tekst in de liedboekje is in zo´n abominabel Nederlands dat het lijkt of de drukker analfabeet was, en dat hij de aangeleverde tekst nauwelijks kon lezen en begrijpen.
Het kan natuurlijk ook zijn dat de opdrachtgever ook analfabeet was, kortom, een lastige tekst om over te nemen.
Ik ga nu twee tekstkolommen maken en de tekst uit 1790 vergelijken met de coupletten die mevrouw Schelle- Habraken zong.
Dan kun je zien dat het lied de tand des tijds heel goed heeft doorstaan. En dat is natuurlijk een interessant fenomeen in de liedoverlevering.
In de linker kolom staat de tekst uit 1790 en de rechter kolom geeft de coupletten die mevrouw Schelle- Habraken zong.

1.
Lest ging ik met mijn schuit op zee laveren                 Ik ging laatstmaal met mijn schuit op zee laveren
En Borias gunde mij goede wind                                    Ene boerenjager wenst mij goede wind
Ik zag van verre voor mij avanceren                              Wat zag ik van verre, voor mij ja marcheren
Een Hollands meisje, ja een schippers kind.                Een Hollands meisje, ja een schepers kind.

2.
Ik zag dat zij in ´t varen haar snel spoeide                    Ik zag in ´t varen dat zij zich snel spoeide
Maar ik vaarde nog al snelder aan                                  Toen stiet ik ook mijn schuit wat sneller aan
Ja, ik mijn schuit zo deftig wel aanroeide                      Zodat mijn schuit zo deftig weer aangroeide
Totdat wij kwamen boort aan boort gegaan.                 Totdat wij kwamen boot aan boot gegaan.

3.
Zo haast zij zag al mijn matrozenkleren                         Zij zag mij aan in mijn matrozenkleren
Zij zei wel maatje, wat bent gij voor een gast                Riep deez´ schoon maagd, wat zijt gij voor een gast
Ik zei, schoon maagd, om bij u te verkeren                   Toen riep deez´ schoon maagd, ik wil met u verkeren
´k Ben een matroos, die vaart met zeil en mast.          Gij zijt een kereltje dat mij wel past.

4.
Zijt gij een matroos, zo zei dat Hollands meisje
Konde gij wel varen met de bezeilde mast
Sa, wilt gij met mij varen, voor een reisje
Gij zijt een die mij wel past.

5.
Haar zoete woorden die mijn hert bedwongen            Haar zoete woorden hebben mijn hart bedwongen
Ik heb onze bootjes straks aan malkaar geklost          Wij hebben de schepen aan elkaar geklost
Ja, zo met vreugd in haar schuitje gesprongen           Toen ben ik met vreugd in ´t Hollands schuit gesprongen
Alwaar ik plantte de wel versierde mast.                      Waarin wij plantten een wel bezeilde mast.

6.
De mast geregt was ´t zeil begon te waaien                  De mast gereed en het zeil begon te waaien
Wij volgen samen met vreugd de zeevaart in               Zo vlogen wij met vreugd het zeegat in
Zij riep matroos, sa, laat de vlag maar waaien             Zij riep matroos, laat nu die vlag maar waaien
Nooit vond ik beter stuurman naar mijn zin.               Nooit vind ik beter stuurman naar mijn zin.

7.
Ik regte de mast, zo met vlag en zeilen
Ik stierde de schuit als ware schippersgast
Ja, vaarde met haar wel dertig mijlen
Waar dat zij klom zo aardig op de mast.

8.
Door de sturen wind en felle donderslagen                  Door felle wind en felle donderslagen
Werd onze mast tot twee, driemaal geveld                   Werd onze mast tot twee- driemaal geveld
Het onweer heeft daar alles zo verslagen                      Een onweer dat toen alles heeft verslagen
Zij riep matroos, ach ik ben zo ontsteld.                       Zij riep matroos, en ik ben zo ontsteld.

9.
Ja, ik ben zo bang, zei zij mijn lief matroosje              Ik ben zo ontsteld riep dat lief Hollands meisje
Ik ben zo vervaart, breng mij weder aan land             Ik ben zo ontsteld, ach zet mij maar aan kant
Ik schenk u voor loon, een zoet Hollands roosje        Ik schenk u voorwaar nog een lief Hollands roosje
Nog tien rijksdaalders geld op de hand.                       Met een rijksdaalder geld al in uw hand.

10.
´k Roeide weer ons schuit al door de baren
Dat wij gelanden zo aan een hoog plein
Wij wensten daar malkandere welvare
Zij was content ten kost niets anders zijn.

Ga naar boven