Liedjes uit De Brembos

Wat is De Brembos?

De Brembos is een liedjesbundel, samengesteld en uitgegeven bij gelegenheid van het congres van de Brabantse Beweging, in de Noord-Brabantse gemeente Heeswijk, op Beloken Pasen 1947.
Volgen nu het voorblad en ’De zanger salut’ van de eerste uitgave.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De samenstellers van de bundel, de geestelijken Harrie Beex en Floris van der Putt hebben de eerste uitgave de spreuk meegegeven:

Over de volgende liedjes uit De Brembos wil ik iets vertellen.

Van Hertog Jan.
Hertog Jan 1 van Brabant, afgebeeld in een handschrift uit ca. 1300.
Van Caastere kermis.
Van Dubbele Jan.
Spinneliedje.
Van de flierebloemkes.
Na dit laatste lied volgen nog 16 liedjes uit De Brembos, slechts kopieën uit deel 1 en 2.

Het lied van Hertog Jan.
Tekst: H.Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.

Ik publiceerde de volgende bijdrage in ‘Jaarboek VI’, een uitgave van het Provinciaal trefcentrum Baljuwhuis te Galmaarden (B.) en het Volksmuziekatelier,in 1988.
Ik wil de tekst zo integraal mogelijk weergeven, echter dat is niet altijd mogelijk. Zo leven er al twee mensen niet meer die ik destijds interviewde: de geestelijken Floris van der Putte en Harrie Beex.
Daar ter plaatse moet ik de tekst nu in de verleden tijd plaatsen.
Ook had Guus Meeuws nog niet zijn prachtige lied ‘Brabant’ gecomponeerd, anders had ik dit als hét Noord-Brabants volkslied willen bestempelen, weliswaar na het lied van Hertog Jan.
Volgt nu mijn bijdrage uit 1988.

Luisterbestand: Van Hertog Jan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verderop staat de integrale tekst!

Vooral in Nederland kent iedereen het lied van Hertog Jan van Brabant.
De melodie is voor niemand een probleem, het eerste couplet ook niet en het ‘harba lorifa’ wordt altijd voluit en luidkeels meegezongen.
Het lied is een soort nationale hymne geworden zoals het Wilhelmus of meer recentelijk het lied van Piet Hein.
Limburg heeft zijn ‘bronsgroen eikenhout’, Noord-Brabant heeft zijn ‘Hertog Jan’ zou je bijna kunnen zeggen.
We zongen het vroeger vaal op school, het stond in veel liedbundels afgedrukt, anoniem dikwijls, en bijna iedereen dacht dat het een heel oud lied was.

Wat is nou precies de achtergrond van dit lied?
Ik zou in deze bijdrage iets willen zeggen over de ouderdom en ontstaanswijze, de tekstdichter en de componist.

Het lied is gemaakt door twee geestelijken. Floris van der Putt schreef de muziek, hij is oud-pastoor van het Noord-Brabantse Lieshout.
De tekst is van Harrie Beex, oud-kapelaan van Boxtel, was pastoor te Esch, rector van het Carolus-ziekenhuis te Den Bosch, oud voorzitter van Brabants Heem en was rector op het zusterklooster te Zijtaart, gemeente Veghel.
Ik zocht destijds, dat was in 1988, Harrie Beex op te Zijtaart om o.a. met hem te praten over het lied van Hertog Jan

Allereerst: wie was Hertog Jan eigenlijk?
Jan 1 van Brabant werd geboren in 1252 en was al in 1267 Hertog van Brabant.
De Hertog van Brabant was vorst van het Hertogdom Brabant dat ontstaan is als middeleeuws rijk uit het graafschap Leuven. De hoofdzetel van het Hertogdom was aanvankelijk Leuven, later Brussel.
Het Hertogdom Brabant, waarvan Noord-Brabant voor het grootste deel uitmaakt is opgegaan in de Bourgondische staat onder Filips de Goede en Karel de Stoute.
Jan 1 trouwde met een dochter van de Franse koning Lodewijk IX en na haar dood met een dochter van de graaf van Vlaanderen.
Hij was een goed vorst, veldheer en vaardig in het steekspel. Dit laatste kostte hem zijn leven. In 1294 stierf hij op 41 jarige leeftijd door de verwondingen die hij opliep tijdens een tornooi te Antwerpen (andere lezingen zeggen Lotharingen).
Jan 1 van Brabant was ook dichter.
Op zijn naam staan 9 minneliederen, overgeleverd deels in het Middelnederlands, deels in het Middelhoogduits. Hoffmann von Fallersleben gaf van deze laatste een vertaling in het Middelnederlands, deze werd later nog eens verbeterd door J. Heremans (1880) en de bekendste ‘verdietsing’ is van J.F. Willems (1848).
Het bekendste minne(mei)lied van Jan 1 is getiteld: ‘Eens meien Morgens vroe’.
Het heeft drie coupletten en elk couplet eindigt met de regel ‘Harba, harba lorifa, harba lorifa’.

Beex en Van der Putt hadden vroeger al veel interesse in het volkslied. Zij kenden de drie delen van Fl. van Duyse, het Antwerps liedboek en hadden al kennis gemaakt met de minneliederen van Jan 1 van Brabant. Daarom vond Harrie Beex het wel leuk om Hertog Jan zijn eigen ‘harba lorifa’ te laten zingen:
Harba zong den Hertog, harba lorifa’.

Luisterbestand: Harba lorifa.

 

 

 

 

 

Er is al veel over het ‘harba lorifa’ gefilosofeerd.
Harrie Beex had veel plezier in deze mysterieuze kreet van Jan 1 van Brabant. Hij vond het niet zo belangrijk om nou achter de precieze betekenis ervan te komen, hoewel hijzelf twee oplossingen aandroeg.
Het zou een verbastering kunnen zijn van het Latijnse ‘herba flores facit’ d.i. ‘het kruid brengt bloesem voort’.
Maar ook in aanmerking komt de strijdkreet ‘ariba oriflam’. ‘Ariba’ is omhoog en de goudvlam als Spaanse vlag is de ‘oriflam’.
Maar Beex twijfelde zelf terecht aan deze betekenissen.

Beex en Van der Putt maakten vroeger, tijdens hun priesteropleiding al samen liedjes en gingen hier later mee door.
Beex schreef altijd de tekst en Van der Putt maakte er een melodie bij, in deze volgorde ontstonden hun liedjes.
Ze maakten zo het lied van ‘Van Dubbele Jan’ , ‘Van Casteren kermis’ en nog veel meer.
Toen zij er een aantal afhadden wilden zij ze wel eens presenteren en een mooie gelegenheid daarvoor was het jaarlijks congres van Brabantia Nostra te Heeswijk-Dinther in 1947.

Brabantia Nostra was een beweging die, kort gezegd, werd opgestart door Dr. De Brouwer uit Hilvarenbeek samen met studenten van de Tilburgse studentenvereniging St. Olof en Tilburgse intellectuelen.
De Brabander moest zelfbewuster gemaakt worden, zij moesten maar eens uit hun isolement gehaald worden, ze moesten weer meetellen.
Het verleden van Brabant werd daarom ‘opgepoetst’, er werd gewezen op het schitterende verleden ten tijde van o.a. Hertog Jan.
Daarom was zo’n congres een prima gelegenheid om opgeluisterd te worden met ‘oude’ Brabantse liedjes.

Een van de liederen die op dat congres in 1947 werd gezongen was het kersverse lied van hertog Jan. Het ging toen in première!
Het werd gezongen door de Bossche kunstenaarsgroep ‘Atrium’ waar Harrie Beex ook lid van was.
De groep bestond verder uit schilders, dichters, beeldhouwers en neerlandici.
Een van de beeldhouwers was Jacques de Bresser die even tevoren gereed was met de restauratie, op de St. Jan in Den Bosch, van de beeldengroep, voorstellende de hertogen van Brabant.

Op een dag ging Harrie Beex een kijkje nemen bij die restauratiewerkzaamheden van de St. Jan. Boven op de steigers kwam hij beeldhouwer de Bresser tegen die Beex voorstelde aan de ‘nieuwe’ hertogen van Brabant. Hij zag toen o.a. Hertog Jan uitkijken, vanaf de oostertrans van de St. Jan over het Brabantse land. Toen kreeg hij het idee om een lied te schrijven over Hertog Jan die vanuit België nog een keer een tocht maakt door zijn hertogdom, verschillende plaatsen aandoet om tenslotte, in stilte en in steen vereeuwigd, zijn plaats in te nemen op de St. Jan.
Beex heeft diezelfde dag het lied nog geschreven en Floris van der Putt kreeg de tekst onder ogen en had er geen moeite mee om er de mooie melodie bij te schrijven.

Beex zegt dat het lied eigenlijk bedoeld was om te spotten met de overdreven hang naar het Brabantse verleden waarmee de Brabanders hun gevoel van minderwaardigheid probeerden te overwinnen. De tekst werd relativerend geschreven, tegelijk spottend over de ‘grootheid’ van Brabant maar er spreekt ook een eerbied uit voor, inderdaad, het grote verleden van Brabant.

De liederen van Beex en Van der Putt zijn anoniem uitgegeven, dit is bewust gedaan om een aantal redenen:

1. Zij wilden niet opvallen en waren ook bang om op te vallen t.o.v. hun collega’s priesters.
2. Zouden zij hun naam eraan gegeven hebben dan hadden de liederen vast en zeker geen succes. Het waren dan immers ‘maar’      nieuwe liedjes en in die tijd was er juist zoveel belangstelling voor het ‘echte’ oude Middeleeuwse lied.
3. Dee anonimiteit van de liederen was ook bedoeld om de mensen om de tuin te leiden, het leken nu echte, oude Brabantse liedjes. Daarom koos Beex bewust wat oudere woorden uit om zijn tekst daarmee te versieren.
Dat ‘varen’ en ‘peerd’ en ‘triomfant’ moesten allemaal dienen om het lied een Middeleeuws tintje te geven.
4. Ook door de melodiekeuze van Floris van der Putt werden hun liederen als authentiek bestempeld.

De liederen van Beex en Van der Putt werden tenslotte uitgegeven in een bundel ‘Den Brembos’ geheten. Brabantia Nostra gaf de bundel uit en zorgde ervoor dat de liederen terecht kwamen in liedbundels en op scholen. En tot op heden wordt er nog gezongen van ‘Dubbele Jan’,van ‘Caasteren kermis’en natuurlijk van ‘Hertog Jan’. Zo hebben Harrie Beex en Floris van der Putt gezorgd voor een uitbreiding van het traditionele volksliedrepertoire met hun eigen gemaakte liederen.

Luisterbestand: Van Hertog Jan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Toen den Hertog Jan kwam varen
Te peerd parmant, al triomfant,
Na zevenhonderd jaren
Hoe zong man t’ allen kant:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
Na zevenhonderd jaren
In dit edel Brabants land.

2.
Hij kwam van over ’t water
De Scheldevloed, aan wal te voet,
t’ Antwerpen op de straten
Zilver veren op zijn hoed:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
t’ Antwerpen op de straten
Leren laarzen aan zijn voet.

3.
Och Turnhout stedeke schone
Zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes koen,
Laat de Hertog binnen komen
In dit zomers vrolijk seizoen:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
Laat de hertog binnen komen
Hij heeft een peerd van doen.

4.
Hij heeft een peerd gekregen
Een schoon wit peerd, een schimmelpeerd,
Daar is hij opgestegen
Diën ridder onverveerd:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
Daar is hij opgestegen
En hij reed naar Valkensweerd.

5.
In Valkensweerd daar zaten
Al in de kast, de zilverkast,
De gildekoning zijn platen
Die wierden aaneen gelast:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
De gildekoning zijn platen
Toen had hij een harnas.

6.
Rooise boeren komt naar buiten
Met de grote trom, met de kleine trom,
Trompetten en cornetten en de fluiten
Want den Hertog komt weerom:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
Trompetten en cornetten en de fluiten
In dit Brabants Hertogdom.

7.
Wij reden allemaal samen
Op Oirschot aan, door een canidassenlaan,
En Jan riep: in Gods name
Hier heb ik meer gestaan:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
En Jan riep: in Gods name
Reikt mij mijn standaard aan.

8.
De standaard was de gouwe
Die waaide dan, die draaide dan,
Die droeg de leeuw met klauwen
Wij zongen alleman:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
Die droeg de leeuw met klauwen
Ja, de leeuw van Hertog Jan.

9.
Hij is in Den Bosch gekomme
Al in de nacht en niemand zag’t,
En op de Sint Jan geklommen
Daar ging hij staan op wacht:
Harba lorifa, zong den Hertog, harba lorifa
En op de Sint Jan geklommen
Daar staat hij dag en nacht.

En zo staat De Hertog Jan in de eerste uitgave van De Brembos:

En zo staat het lied in de tweede druk van De Brembos.

Ga naar boven

 

Hertog Jan 1 van Brabant, afgebeeld in een handschrift uit ca. 1300.

 

Het betreft hier het Große Heidelberger Liederhandschrift ofwel de Codex Manesse, Zürich, ca. 1300-1340.
Ik kwam deze afbeelding tegen tijdens mijn zoektocht naar afbeeldingen van doedelzakken in
handschriften uit voornamelijk 13de,14de en 15de eeuw.
Middeleeuwse handschriften op perkament en versierd met dikwijls prachtige miniaturen.
De Codex Manesse is een verzameling gedichten die aangelegd is door Rüdiger Manesse (1252-1304) en zijn zoon Johannes.
Zeer waarschijnlijk waren de Manesses de opdrachtgevers voor de Codex.
Hoewel het handschrift ‘Liederhandschrift’ wordt genoemd vinden we er geen notities of aanwijzingen over de melodie van de liederen.
De Codex Manesse is voor de Duitse handschriftverluchting wat de Très Riches Heures du duc de Berry in de Franse traditie is en is een van de bekendste, zo niet het meest fameuze werk dat in het Duitse taalgebied werd gemaakt.
De Codex is echter niet alleen belangrijk voor zijn verluchting, maar nog meer omdat hij ons een bloemlezing heeft nagelaten uit twee eeuwen Duitse literatuur.
Het handschrift bevat 6000 strofen van 140 auteurs uit de periode 1170-1330.
Er hebben meer dan 10 scribenten (schrijvers) aan gewerkt en voor de verluchting zijn minstens 4 miniaturisten aan ’t werk geweest, en samen zijn zij verantwoordelijk voor 138 miniaturen.
Deze afbeeldingen gaan vooraf aan de teksten van 140 minnezangers.
In de Codex vinden we twee middeleeuwse landgenoten terug; Hendrik van Veldeke en Hertog Jan 1 van Brabant en over deze laatste wil ik het nu hebben.
Hertog Jan is vermoedelijk de auteur van het minnelied waarvan elke strofe eindigt met de uitroep: ‘Harba lori fa’.
En dit gegeven heeft Harrie Beex in de jaren 40 van de vorige eeuw gebruikt in zijn bekende lied: Toen de Hertog Jan kwam varen.
Waar zijn deze prachtige miniaturen te zien? Ga naar http://digi.ub.uni-heidelberg.de.
Onder 18r staat Herzog Johann von Brabant, met als onderschrift, ik zal het vertalen:

Herzog Johann (oder Jan) von Brabant (ca. 1254-1294) was een van de vorsten uit zijn tijd met het meeste aanzien.
Hij bereikte door zijn overwinning in de slag bij Woerden in het jaar 1288 de vereniging van Brabant met Luxemburg.
Hij stierf in 1294 ten gevolge van verwonding, opgelopen tijdens een toernooi.

Als u Codex Manesse googlet kunt u daar lezen over de lotgevallen van het handschrift in het gelijknamige hoofdstuk.
Dan wordt ook duidelijk hoe de Codex uiteindelijk terecht is gekomen in de universiteitsbibliotheek van de Duitse stad Heidelberg.

Van Casteren kermis.
Tekst: H.Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.

Luisterbestand: Van Casteren kermis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Wa doene w’op den zondag van Caastere kermis
Tinuske, Marinuske, Marieke m’n keind,
We gaan meej de huifkar in Caastere kijken
ge moet het mar vatten net as ge’t ‘r veint.

Refrein:
Caastere kermis, Tinuske, Marinuske
Caastere kermis, Marieke m’n keind.

2.
Wa doen w’op den maandag van Caastere kermis
Tinuske, Marinuske, Marieke m’n keind,
Wij eten gekôkte peren meej suiker
ge moet het mar vatten net as ge’t ‘r veint.

Refrein.

3.
Wa doene w’op den dinsdag van Caastere kermis
Tinuske, Marinuske, Marieke m’n keind,
Wij drinken er bierkes tot aan de klein uurkes
ge moet het mar vatten net as ge’t ‘r veint.

Refrein.

Toevalligerwijs lijkt deze melodie erg veel op die van het kerstlied De dry herderkens uit het liedboek Chants populaires de Flamands de France, van Edmond de Coussemaker, Gent, 1856.
Het wordt helemaal merkwaardig als je bedenkt dat dit lied over het wonder van Berg op Zoom werd opgetekend in de Frans-Vlaamse plaats Caestre!
Ik heb het nog eens aan Van der Putt gevraagd, hij kende het kerstlied uit Frans-Vlaanderen niet en had ook nooit van Caestre gehoord.
Overigens, de kermis waarover bezongen wordt ligt in de Kempen en moet niet verward worden met het Kasteren bij Liempde!

Als vergelijking volgt nu de melodie en eerste couplet van het lied uit Frans-Vlaanderen.

Luisterbestand: De dry herderkens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En zo staat de Casteren kermis in respectievelijk de eerste en tweede uitgave van De Brembos:

Van dubbele Jan.
Tekst en melodie: Fl. van der Putt.

Dit lied is zomaar een verzinsel geweest van Floris van der Putt, zowel tekst als melodie zijn uit zijn fantasie ontsproten.

Luisterbestand: Dubbele Jan.

 

 

 

 

 

 

1.
Dubbele Jan die ziede niet meer op de kermis staan
Hij is er met zijn wagentje vandoor gegaan

Refrein:
Jan, Jan dubbele Jan, waar zijde gij heen gevaren?
Jan, Jan waar zijde gij heen gegaan?

2.
Voor zijn karretje liep er een ouwe merrie mee
Die gisteren de mallemolen draaien dee,

Refrein.

3.
Boven erop daar stond zijn ouwe tingeldoos
Die speulde schoner dan de meeste radio’s,

Refrein.

4.
Zoek die Jan vanavond in de maneschijn
Want zonder dubbele Jan kan ’t geen kermis zijn,

Refrein.

Dit lied staat niet afgebeeld in de eerste druk van De Brembos, wel in de tweede druk.

Spinneliedje.
Tekst: H.Beex
Melodie: Fl. van der Putt.

Dit spinneliedje is speciaal geschreven voor het spel Brabancia, dat uitgevoerd werd toen koningin Juliana voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog een officieel bezoek bracht aan de provincie, i.c.
´s Hertogenbosch.
Beex kreeg de opdracht om teksten te schrijven, Van der Putt componeerde de muziek en Luc van Hoek (schilder, beeldhouwer, stoetenmaker en kostuumontwerper) maakte de decors en ontwierp de kostuums.
Het spel moest een vertegenwoordiging zijn van heel Noord-Brabant, mocht niet louter een Bossche aangelegenheid worden, hoewel het in Den Bosch werd opgevoerd.
Beex en Van der Putt moesten heel Brabant afneuzen op zoek naar geschikte mensen, mensen die konden zingen, acteren en wat dies meer zij.
Ze reisden daarvoor onder andere naar Tilburg en Bergen-op-Zoom. Het mocht niet ’n bestaand koor zijn, het moesten mensen zijn van verschillende koren.
Uiteindelijk moesten Beex en Van der Putt zelf de mensen uitkiezen die mee mochten doen, eigenlijk wasa dit de eerste Idols.
Het aanbod was groot, wat wil je ook: optreden voor de koningin én in prachtige, heel dure kostuums.
Het spinneliedje in het spel Brabancia werd gezongen door een meisje aan het spinnewiel, voorstellende een geliefde van Hertog Jan 1 van Brabant.

Luisterbestand: Spinneliedje.

 

 

 

 

 

 

 

1.
Mijn liefje had mij goed verstaan (2x)
dat ik naar berg-op-Zoom zou gaan
zoudt ge dan niet draaien wieltje
zoudt ge dan niet draaien hier?

2.
In Berg-op-Zoom daar stond een bank (2x)
daar zat ik zeven uren lang
zoudt ge dan niet draaien wieltje
zoudt ge dan niet draaien hier?

3.
Toen ‘t donker werd aan elke kant (2x)
schreef ik een hartje in het zand
zoudt ge dan niet draaien wieltje
zoudt ge dan niet draaien hier?

4.
Dat hartje zal er nog wel staan (2x)
maar met de liefde is ‘t gedaan
zoudt ge dan niet draaien wieltrje
zoudt ge dan niet draaien hier?

Dit liedje komt niet voor in de eerste druk van De Brembos, wel in de tweede druk.

Van de flierebloemkes.
Tekst: H. Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.

Luisterbestand: Van de flierebloemkes.

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
De flierebloemkes stonden open bij ‘t groen akkerland
ik ging een houten fluitje kopen en speelde alderhand.

Refrein:
Ik ging fluiten buiten van de flier, aldaar, alhier
ik ging fluiten buiten van plezier.

2.
Ik zag Catrien een bloemke steken op haar ruiten bloes
dat was voor hare vriend een teken dat hij komen moes’.

Refrein.

3.
Ze wachtt’ hem in de wei gezeten bij ‘t vee op een kruk
maar hare vriend die was ‘t vergeten, nie per ongeluk.

Refrein.

4.
‘t Was beter dat z’ haar tranen spaarde, ‘t is voor die te laat
veel beter vrienden zijn er op aarde, veel meer as genoeg.

Refrein.

Dit liedje komt niet voor in de eerste druk van De Brembos, wel in de tweede.

Ga naar boven

Deze 5 liedjes zijn slechts een kleine selectie uit De Brembos. Er staan uiteraard nog veel liederen in De Brembos, deels van Beex en Van der Putt, deels traditioneel materiaal. Eerst een selectie uit de eerste uitgave.
Ik geef voorlopig alleen een afdruk uit de liedbundel, nog geen luisterbestand.

En den boer die stond mee peerden op de mert.
Cecilia danklied.
De Meijerijse beer.
Wij zijn gebroeders.
Een keer in ‘t jaar.
Een is de Heer van ‘t leven.
Van Brabant.
Van Oranje/ Van Roeland.
Van hupsakee.
Van de speelman.
Van Herodus.
Van het vuur.
Van Maaike.
Van Cecilia.
Van Maria.
Oud lied van gratie.

En den boer die stond mee peerden op de mert.
Tekst en melodie: Fl. van der Putt.

 

Cecilia danklied.

 

De Meyerijse beer.
Tekst en melodie: Traditioneel.

Uit respectievelijk de eerste en tweede druk.


 Wij zijn gebroeders.
Tekst en melodie: traditioneel.

Een keer in ‘t jaar. 

Een is de Heer van ‘t leven. 

Nu nog een liedselectie uit de tweede uitgave van De Brembos, maar eerst een afbeelding van het titelblad en de inleiding.

In de tweede druk is de volgende spreuk geplaatst:

Van Brabant.
Tekst: H.Beex.

Melodie: Fl. van der Putt.

 

Van Oranje en van Roeland.
Van Oranje, Tekst: H. Beex. Melodie: Fl. van der Putt. Van Roeland, Tekst en melodie: Fl van der Putt.

Van Hupsakee.
Tekst en melodie: H. Beex. 

Van de speelman.
Tekst: H.Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.
Van Herodus.
Tekst: H. Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.
Van het vuur.
Tekst: H. Beex.
Melodie: Fl. van der Putt. 
Van Maaike.
Tekst: H. Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.
Van Cecilia.
Tekst: H. Beex.
Melodie: Fl. van der Putt.

Van Maria.
Tekst en melodie: traditioneel.
Oud lied van gratie.
Tekst en melodie: traditioneel.

 

Ga naar boven

Ga naar boven