Kortjakje

 

 

Het volgende kinderliedje kennen we allemaal.
Er gaat echter een interessante betekenis schuil achter deze simpele tekst.
Hier wil ik graag iets over vertellen.

 

 

 

Kortjakje zeer hups en rijk
Is de meeste tijd beschonken
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Dan gaat zij haar hart versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet.

Dit is een fragment uit: Een nieuw lied, van Ragel Valderappus, eersaeme en seer secreete vrouw, zittende op ’t raedhuys van de Markus brug.
We herkennen in dit fragment, zoals gezegd, het bekende kinderliedje over het meisje Kortjakje dat zondags met een boek vol zilverwerk naar de kerk gaat. We weten dat zij altijd ziek is en vooral midden in de week.

Luisterbestand:  Altijd is Kortjakje ziek.

 

 

 

 

 

 

 

Dat ze zoveel zoop kwamen we nooit te weten, maar dit geeft wel aan dat er meer steekt achter dit vermeende, onschuldige meisje.
Ik ging op zoek naar Kortjakje, probeerde te achterhalen welke melodieën gebruikt werden als er over haar gezongen werd en vooral wat de teksten inhielden van de liederen over haar, om zodoende meer over haar aan de weet te komen.

Wie is Kortjakje?
Er zijn drie schitterende liederen over Kortjakje, maar om die in de tijd te kunnen plaatsen moeten we eerst weten waar ze vandaan komen.
We moeten dan teruggaan naar het Amsterdam van rond 1700.

In die tijd was er in onze hoofdstad een bijzonder man actief: Pieter de Vos, alias Klein Jan. Deze destijds beroemde figuur was in ieder geval tekstdichter en uitgever van losse liedblaadjes en schijnt meer dan 2000 liedjes op de markt gebracht te hebben.
Veel liederen afkomstig van Klein Jan zijn bewaard gebleven en merkwaardig genoeg voor een gedeelte ook weer zoek geraakt!
De zogenaamde ‘Scheltemaverzameling’, uit het midden van de 19de eeuw, bestaat uit vier- à vijfhonderd liedjes afkomstig uit de periode 1650-1750 en herbergt veel liedjes van Klein Jan.

We weten dit omdat enkele onderzoekers de verzameling onder ogen hebben gehad, waaronder de ontdekker van de verzameling Hoffmann von Fallersleben
En de Nederlander G. Kalff. De verzameling is zoek geraakt!
De zogenaamde ‘Nijhoff-verzameling’ is wel aanwezig en is qua vorm en inhoud overeenkomend met de ‘Scheltemaverzameling’.

E. Kossmann zegt in zijn artikel de liedjesdrukken van Klein Jan, gedateerd 1938/1939: onlangs heeft de firma Nijhoff de hand gelegd op een bundel volks- en straatliederen die ons een respectabele hoeveelheid van Klein Jans liederenschat in handen geeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik laat nu drie liederen volgen die afkomstig zijn van Klein Jan en die zich bevinden in de ‘Nijhoff-verzameling’. (U.B. Leiden, signatuur: 1497 H. 16).

Inhoud:

Testament van Kortjakje.

Kortjakjes kraambed, die nooit gewoon was te kinderen, en nu in haar hoge ouderdom van tachtig jaren in de kraam gekomen (bevallen) van twee meisjes.

Een nieuw lied, van Ragel Valderappus, Eersaeme een seer secreete vrouw, zittende op ’t Raedhuys van de Markus Brug.

De teksten zijn 17de eeuws Hollands en gedrukt in Gotisch lettertype. Het eerste lied staat op vel 7, pag. 47-48 en is getiteld:

Testament van Kortjakje
Op de Voys: Van Tanneken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kortjakje is overleden
Hoort vrienden hier ter steden
Zij smeerde garen den borst
Zij is niet versmagt van dorst
Jenever was haar spijs en drank
Die zoop zij al haar leven lank
Tot dat zij neerviel van de bank
Zo zat gelijk een beest
Kortjakje gaf alzo de geest
Zij sprak nog voor haar sterven
Laat mij een bee verwerven
Als ik zal wezen dood
Begraaft mij dichtal aan een sloot
Zet in mijn kist een grote fles
Jenever dat ik altemes (zo nu en dan)
Nog onderweeg mij dorst eens les
Als ik ben op de reis
Naar Kortjakjes paradijs
Als gij mij zult begraven
Zo wilt uw dorst eerst laven
Het glaasje op de hoed
Volgt zo het lijk te voet
Jenever die is nu goedkoop
Drinkt voor een mu(t)sje (is 1 deciliter) vrij een stoop (drinkbeker/kruik)
Kortjakje haar daar in verzoop
Dit is een blijde dag
Voor die graag Kortjakje mag
De vrienden worden gebeden
Om achter ’t lijk te treden
Jenever drinkers klaar
Wilt nu volgen paar aan paar
Neemt elk een fles in uw zak
Vol overschot nog van Kortjak
Drinkt onderweg op uw gemak
Van de jenevers vocht
Die Kortjakje niet op en mocht
Daar achter kwamen lopen
Die jenever verkopen
’t Was haar een grote spijt
Dat Kortjakje was een lijk
Zij gingen mee zodat behoeft
Maar hebben kwalijk drank geproefd
Zij waren om haar dood bedroefd
Om dat Kortjakjes nat
Afgeslagen ( in prijs verlaagd) is op ’t vat
Al die Kortjakje meugen
Die om haar dood verheugen
Zij dronken onbevreesd
Of het was een bruiloftsfeest
Van ’t Wesoper (uit Weesp) bokkende (boekweit) brood
Dat van Kortjakje overschoot
Tot dat ze rolden als een kloot (bol)
Jenever die slaat af
Nou Kortjakje ligt in ’t graf
Haar nagelaten boeltje
Dat was een stukkent stoeltje
Een potje zonder rand
Met een ouwe bonte want
Een flesje zonder hals of tuit
En al dat men trok van haar huid
Dat maakte de jenever uit
Voor die Kortjakje kent
Was gemaakt dit testament.

Uit dit testament van Kortjakje blijkt dat zij aan de drank is gestorven.
Verder gaat voor haar uitvaart op het gezegde: Uitvaart, Zuipvaart.
Een spreekwoord uit de tijd dat er bij begrafenismaaltijden veel gezopen werd. Deze gewoonte is een overblijfsel van de Oud-Germaanse opvatting dat de dode mee kan genieten van zijn eigen uitvaartfeest.
(Graag verwijs is u naar het hoofdstuk begrafenisrituelen op deze site!)
En al dat men trok van haar huid, dat maakte de jenever uit: kan erop duiden dat Kortjakje alles deed voor de drank.

Het tweede lied staat op vel 14 en pag. 104 t/m 106 en heet:

Kortjakjes kraambed, die nooit gewoon was te kinderen, en nu in haar hoge ouderdom van tachtig jaren in de kraam gekomen (bevallen) van twee meisjes.
Voys: Hoor je me niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie heeft ooit schoonder klucht gehoord/ als regtevoort (aanstonds)
In ’t oost in ’t zuiden, west of noord
Is van zijn leven/ nooit beschreven
’t Geen ik zal te kennen geven
’t Is heel raar/ en ook waar
Geloof je ’t niet zo vraagt ernaar
Kortjakje die leid in de kraam/ heel aangenaam
In haar tachtigste jaar bekwaam
Ik zeg konder/ in ’t bijzonder
Wel geschieden groter wonder
Als er nou/ wel o rouw
Is gebeurd aan deze vrouw
Als haar de arbeid aankwam/ dit ouwe lam
Zouden zij uit de Joden stam
Wel zeven wijven/ tot gerijven
Dat zij zouden bij haar blijven
Helpen haar/ met malkaar
Zolang tot zij verlost waar
Zij baarde dan met grote kracht/ geheel ontzagt
Twee kindertjes tot eender dracht
’t Waren meisjes/ hoord een reisje
Poesel blank en glad van vleisje
Nat van haar/ en wesen klaar
Puur of het de vader waar
Als zij waren gebakerd daar/ kant en klaar
Gaf men ze over aan de vaar
Die ze susten/ ende kusten
En men lei ze voort tot rusten
En daar wier/ tot plezier
Sjap (’n borrel, jenever) gehaald en scharrebier (dun bier van slechte kwaliteit)
Een fles augurkjes was ’t banket
’t was zuip en vret/ de kraamheer riep pannetje vet
Toon de Heever/ riep jenever
Heeft regtevoort kuit en lever
En de nacht/ zoet en zacht
Wierd met vreugde doorgebracht
Wel twintig stoop jenever klaar/ is dat niet raar?
Dronk dit volkje met malkaar
Dat zij solden/ suizenbolden
Van stoelen en banken rolden
’t Was een zwier/ dat men schier
Dol wierd van dit slecht plezier
Op ’t lest gooiden zij in ’t rumoer/ Kortjakjes broer
Riep: ‘k Wou gij voor de drommel voer
Rachel/Klare/Hester Saere (Joodse vrouwennamen)
Zaten malkaar braaf in ’t hare
Trijn de Kat/ was zo zat
Dat zij haar bedreten had
Op ’t lest raakten zij nog na huis/ heel zat en buis (beschonken)
Zij vochten nog o, droevig kruis
Langs de straten/ als uitgelaten
Maar door al het tussen praten
Raakten dit/ dronk gerit (aanloop, toeloop)
Ieder naar zijn eigen kit (kroeg/bordeel of bargoens voor ‘woning’).

Dit tweede lied: Kortjakjes Kraembed maakt mijns inziens het volgende duidelijk:
Er wordt wel beweerd dat Kortjakje een hoer was. Helemaal duidelijk blijkt dat niet uit de liedteksten. Bij het ter wereld komen van haar twee meisjes was de vader nadrukkelijk aanwezig en na afloop werd er onder andere door de kraamheer weer flink gezopen.
Dan wordt het hele zootje, zowel het mansvolk als de vrouwen Rachel, Hester Saere, Klaar en Trijn de Kat door Kortjakjes broer uit huis gezet.
Zij, bedoeld wordt dan o.a. de vrouwen, gingen ieder naar zijn eigen kit en ‘kit’ kan in dit verband bordeel zijn maar ook gewoon huis!

Het derde lied staat op vel 64 en pag. 491-493 en is getiteld:

Een nieuw lied, van Ragel Valderappus, Eersaeme een seer secreete vrouw, zittende op ’t Raedhuys van de Markus Brug.
Op de wijs: Op een tyd niet lang geleen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kortjakje zeer hups en fijn
Is de meeste tijd beschonken
Kortjakje mag geen brandewijn
Maer het moet jenever zijn
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Dan gaat zij haar hert versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet.
Kortjakje heeft hier op let
De ring al van haar hand genomen
En die heeft die dronken slet
Bij Jan-Oom te pand gezet
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Kortjakje gaat haar hert versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Kortjakje is vroeg opgestaan
En zij is met radde koten
Naar de Markus brug gegaan
De jongers volgden achteraan
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Daar vond zij ’t raedhuys bescheten
Dat kon Ragel niet op eeten
Daarom is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Kortjakje zocht de bezemstok
En begon op de jongers te vloeken
En zij sprak hou toe jou bek
Of ik bruy jou op de nek
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Kortjakje gaat haar hert versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Loop jouw honden voor de pest
Of de duivel zal jou halen
Want ik geef je aars de rest
Sprak Kortjakje op het lest
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Valderappus wil niet trouwen
Maar zij begint met pluggen t’ houwen
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Kortjakje heeft met boosheid groot
Een steen in haar hand genomen
En zij zei bij slapperloot
Daarmee bruy ik jou strak dood
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Kortjakje gaat haar hert versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijs is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Wie dit liedje heeft gedicht
Die heeft een jenever gekregen
Zij woont bij Kortjakje dicht
’t Is Ragel Valderappus nicht
Kortjakje mag geen brandewijn
Maar het moet jenever zijn
Kortjakje gaat haar hert versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet

In dit lied van Ragel Valderappus wordt in het tweede couplet gesproken over een dronken slet en ‘slet’ kan in dit geval ‘hoer’ betekenen.
Valderappus wil niet trouwen, maar zij begint met pluggen t’ houwen, deze zin zou erop kunnen duiden, gezien de betekenis van ‘pluggen’ (patser, ploert, hoerenjager) dat Valderappus een hoer is.
En uit de eerste vier regels van het laatste couplet blijkt m.i. dat Ragel Valderappus de eigenlijke naam is van Kortjakje!
Wie dit liedje heeft gedicht
Die heeft een jenever gekregen
Zij woont bij Kortjakje dicht
’t Is Ragel Valderappus nicht.

Dr. G.J. Boekenoogen (1868-1930) vermeldt in zijn Onze Rijmen:
Ook zijn verschillende 18de eeuwse volksliedjes tot kinderrijmen vervormd. Zo is het bekende ‘Altijd is Kortjakje ziek’ ontleend aan: ‘Een nieuw lied van Kortjackje, of ’t leven en bedrijf van een secrete vrouw in deze stad, die zo gaarne de borrel had’, een titel die het lied voldoende kenmerkt. Dat het indertijd zeer populair moet geweest zijn bewijst de verbreidheid, die het refrein nog steeds bezit. In het oorspronkelijke luidt het:
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet
Dan gaat zij haar hart versterken
Midden in de week wil zij niet werken
Altijd is Kortjakje ziek
Midden in de week en zondags niet.

Ga naar boven

Wat betreft de melodieën die aangegeven worden bij de drie liederen.

Op de Voys: Van Tanneken.
Voys: Hoor je me niet.
Op de wijs: Op een tyd niet lang geleen.
Altijd is Kortjakje ziek.

Deze uiteenzetting over Kortjakje publiceerde ik al eens in 1986 in Folkgids Janviool, het periodiek voor volksmuziek.
Bij het bespreken van de melodieën die gebruikt zijn bij de drie voorafgaande liederen over Kortjakje moet ik de tekst van mijn bijdrage uit 1986 verlaten.
Dankzij internet en de fantastische Liederenbank (www. liederenbank.nl) komen we natuurlijk nu veel verder met het achterhalen van de melodieën die gebruikt zijn bij deze drie liederen over Kortjakje.
Ik zal hier een kort verslag van doen, nu in 2012!

Melodieën van de drie genoemde liederen over Kortjakje.

Van Tanneken.

In de Liederenbank wordt er over deze opgegeven melodie geschreven:
De liedbundel Venus Minne-gifjens uit 1622 bevat een tekst over het brave meisje Tanneke, geschreven op de melodie Onan. Van dat lied (Onan of O Nan) is geen oorsprong bekend, maar vermoedelijk betreft het een Engelse melodie. De Tanneke-melodie bleef gedurende de gehele 17de eeuw populair in de Nederlanden.

De nu volgende melodie, O Nan of Tanneken komt uit:
De Fluyter Lusthof van Jr. Jac. Van Eyck, 1646.

Luisterbestand: Onan of Tanneken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoor je me niet.
De liederenbank leidde me naar 4 liedjes met deze wijsaanduiding, echter zonder een notenschrift, helaas!

Op een tyd niet lang geleen.

Ook hier gaf de liederenbank weer een wijsaanduiding bij 4 liedjes.
Maar bij elk lied werd een melodie gegeven van : Je suis Madelon Friquet.
Breng je deze Franstalige titel in dan krijg je 19 resultaten en die sturen me rechtstreeks naar de melodie die ik bedoel.
De melodie kunnen we vinden in een liedbundel die ik al een heel aantal jaar bezit:
Oude en Nieuwe Hollantse Boerenlieties en Contredansen, in facsimile uitgegeven in 1972. Het originele werk stamt uit het begin van de 18de eeuw.
Je suis Madelon Friquet heeft andere titels gekregen: Trijntje allersoetste maid en De nieuwe Plantagie en onder deze laatste titel publiceer ik het lied.
Overigens heeft de Franstalige titel voor wat verbasteringen gezorgd; als wijsaanduiding wordt bij sommige liedjes gegeven: Made Lott Vrikee en ook wel Madelot Frieke, dit even terzijde!

Luisterbestand: De nieuwe Plantagie.

 

 

 

 

 

 

 

Altijd is Kortjakje ziek.

Nu de melodie waarmee Kortjakje bekend is geworden.
Als je gebruikt maakt van de Liederenbank krijg je een verwijzing naar de melodie Ah, vous dirai-je Maman, met de volgende uitleg:
Dit lied is in twee versies overgeleverd: een (Frans) kinderliedje en een (Frans) herdersliedje, beide van een anonieme auteur, gedateerd omstreeks 1740.
Oudste Nederlandse muzikale bron waarin het liedje voorkomt, op de wijs ‘Klapper mantje’: is een liedboek van ca. 1740.

Luisterbestand: Klapper Mantje.

 

 

 

 

 

 

Vanaf ca. 1750 wordt in liedboeken verwezen naar ‘Altijd is Kortjakje ziek’, onder welke naam het melodietje bij ons nog steeds bekend is.
In Duitsland is het ondermeer bekend als: Morgen kommt der Weihnachtsmann, een spotlied uit ca. 1840 van Hoffmann von Fallersleben.
Mozart gebruikte het Franse melodietje in 1785 voor zijn klaviervariaties KV265/300e.

Bent u nu erg geïnteresseerd geraakt in tekst en melodie over Kortjakje dan verwijs ik u graag naar de site:
www. liederenbank.nl

Ga naar boven

Geraadpleegde literatuur.

1.
Adelijn, bruin Maagdelijn, B. Veurman, 1966
2.
De liedjesdrukken van Klein Jan, uit: ‘het Boek’ , nieuwe reesk, 25ste deel, 1938/1939
3.
De Nederlandse straatzanger en zijn liederen in vroeger eeuwen, Dr. F. Kossmann, 1941.
4.
Folkloristisch woordenboek, K. ter Laan.
5.
Het lied in de Middeleeuwen, G. Kalff. 1884.
6.
Het oude Nederlandse lied, deel II, Fl. van Duyse, 1903.
7.
Kinderzang en kinderspel, Pollmann, Tiggers en Kes.
8.
Nederlandse baker- en kinderrijmen, Dr. J. van Vloten, 1894
9.
Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen en gezegden, F.A. Stoett, 1943.
10.
Onze rijmen, Boekenoogen, 1893.
11.
Vaderlandse volksboeken en volksssprookjes van de vroegste tijden tot het einde der 18de eeuw. Dr. G. Schotel, 1873.
12.
Van een kort jakje, uit: West-Frieslands oud en nieuw, 31ste bundel, D. Nieuwpoort, 1964.
13.
Woordenboek Nederlandse Taal, (WNT).

Ga naar boven