De ministerszoon

Rolf Janssen tekende dit lied op bij een religieuze: zuster Relindus, geboren als Toos de Rooy in 1912 te Goirle (N.B.). Haar zus kende dit lied ook nog, zeer onvolledig en met een corrupte tekst, hoewel het eerste couplet dit niet doet vermoeden.

Hoort katholieken al
wat men u zingen zal
een wonderbare zaak
waarachtig is geschied
in Amsterdam zo vermeldt dit lied
Een rijk ministerskind
Was tot het Rooms geloof gezind
Zijn vader vol ministerstreken
Was steeds vol haat aan ’t werk
Tegen de Roomse kerk.

Ik vond dit couplet terug in Theophiel Peeters, Oudkempische volksliederen en dansen, derde bundel, 1952.
Hier heet het lied: Het rijk ministerskind.
Peeters heeft als commentaar bij dit lied:
Dit lied werd op vele plaatsen in de Kempen gezongen; het werd opgetekend te Merksplas ten jare 1900. De melodie van dit lied was zeer gekend in de Kempen daar er nog andere liederen op gezongen werden. Zij schijnt de dagtekenen van uit het einde der 16de eeuw; is onregelmatig en schijnt hier en daar het zevenaccoord in de begeleiding toe te laten.

Luisterbestand: De ministerszoon.

De melodie die Peeters bedoelde is: Ik drink de nieuwe most.
In de Liederenbank kun je hierover lezen:
Een 16de eeuwse Franse melodie (air de cour?) ‘La Royale’ of ‘La Sylvie’ zal aanleiding hebben gegeven tot deze melodie, die meer dan twee eeuwen populair bleef in de Nederlanden. 
Vervolgens worden er 251 liederen beschreven die gezongen worden/werden op Ik drink de nieuwe most!

De melodie en eerste couplet van Ik drink de nieuwe most komen uit Oude Vlaamse liederen van J.F. Willems, uitgegeven te Gent in 1848.

Luisterbestand: Ik drink de nieuwe most.


Vervolgens kwam ik een vermelding van het lied tegen in een bijdrage van H. Stalpaert in Volkskunde, 1961.
H. Stalpaert noemt het lied in zijn: Repertorium van volksliederen op vliegende bladen.
Dit is tevens het bewijs dat het lied ooit verscheen op een los liedblad, een zogenaamd vliegend blaadje.
Het werd gedrukt in Antwerpen, Gent en Ieper even voor en gedurende gans de 19de eeuw, aldus Stalpaert.

En na lang zoeken, ik spreek nu over de tijd (1986) waarin er nog geen internet bestond! vond ik de tekst van ons lied in:
Het Hofken van geestelijke liederen, uit de serie: Liederen uit de oude doos van D. Wouters.
Uitgeverij: Het Spectrum, Utrecht, 1943.
Ook de lino stond in deze liedbundel afgedrukt.

Toen ik eenmaal de tekst zag was het duidelijk dat we in dit lied te maken hebben met een Mennonist en zijn kind en dus geen minister! Nu snappen we ook het begrip ‘een rijk menniste kind’, genoemd in het eerste couplet.

1.
Hoort katholieken al
die leeft op ’s werelds dal
een wondere zaak, waarachtig waar geschied
in Amsterdam, zo wordt ons klaar bedied
een rijk menniste kind
die was altijd tot ’t Rooms geloof gezind
zijn vader vol menniste streken
lei altijd zich in ’t werk
tegen de Roomse kerk.

De Mennonieten of Menisten zijn genoemd naar de Friese priester Menno Simons (1496-1561). In Nederland worden zij ook wel doopsgezinden genoemd. Wereldwijd zijn er nog ca. 1.5 miljoen Mennonieten.
Voor het overige verwijs ik u naar bijvoorbeeld internet/Wikipedia.
Volgen nu de overige 11 coupletten uit het Hofken van geestelijke liederen.

2.
De vader sprak: mijn kind
Waartoe zijt gij gezind
Ik hoor uw studie die is wonderfijn
Bekwaam genoeg om predikant te zijn
Hij sprak: wel vader mijn
Ik zou veel lieve ene koopman zijn
Laat mij van hier naar Londen reizen
En leren daar de stap
Van alle koopmanschap.

3.
Wel zoon, versta mij wel
Dat is geen kinderspel
Zo jong te reizen naar een ander land
Welaan ik wil, gebruik dan uw verstand
Gij zijt mijn enig kind
Is ’t zaken, dat ik u getrouw bemin
U zijn geteld vijfduizend gulden
In wisselbrieven snel
Voor u fris, jong gezel.

4.
Daar lag een schip op ree
Daarmee stak hij in zee
Maar zo kwam tot Londen aan het strand
Riep hij: adieu, mijn droevig vaderland
Ik trek naar Rome toe
Ik ben uw dwaze ketterij al moe
Hij heeft de rechte stal gevonden
Daar Luther en Calvien
Staan voor de deur te zien.

5.
Hij viel de paus te voet
En riep met groot ootmoed
Heilige vader, hoort de reden mijn
Ik wil van u eens onderwezen zijn
Mijn vader is Mennist
Zo heeft hij vijftig jaar de tijd verkwist
Ik ben een spruit van twintig jaren
Zijn lering vol venijn
Die dunkt mij vals te zijn.

6.
De paus zijn heiligheid
Die heeft tot hem gezeid:
Wel jongeling, gelooft gij aan de mis
Dat Christus’ bloed daar tegenwoordig is
En dat Maria rein
Is zuster maagd gelijk een klaar fontein
De jongeling die riep met kermen:
Bekeerd zo wil ik zijn
Ziet ketters uw venijn.

7.
Nadat hij was bekeerd
Heeft hem de paus vereerd
Met schoon patenten zo uitdrukkelijk
Hij wierd der Minnebroeders geestelijk
Na de tijd van vier jaar
Zag men hem staan ten toon van Gods altaar
Zijn vader scheen van rouw te sterven
Schreef brieven te allen kant
Door geheel gans Engeland.

8.
Hij heeft in korte tijd
De zaak eens voorgeleid
Met goed consent van zijn gardiaan
Hij heeft een reis naar Amsterdam gedaan
In westelijk habijt
Als hem de vader zag, was hij verblijd
Ach vader lief, wilt u bekeren
Het licht van ‘t Rooms geloof
Maakt Menno blind en doof.

9.
Dit woord mijn ziel doorsnijdt
O schandaleus verwijt
Vervloeit moet zijn, ik meen uw moeders borst
Die al u laafde voor de dorst
‘k Wou dat het helse vier
U nam van deze plaats voor mijn plezier
De longe held viel neer ter aarde
En riep: o Jezus zoet
Toch een mirakel doet.

10.
Door deze woorden straf
Zijn moeder kwam uit ’t graf
Die overleden was wel achttien jaar
Ach, zondig mens, aanhoor dees droeve maar
Zij riep met groot getier
Ik ben veroordeeld tot het helse vier
Vervloeit moet zijn der ketters lering
Daarmee vloog zij van hier
Met huilen en getier.

11.
De vader door Gods kracht
Van schrik viel in onmacht
Hij riep: ach zoon, was dit uw moeder niet
Die hier zo droevig klaagde haar verdriet
Ja vader, ’t is nu tijd
Peist dat gij haast de dood aanstaande zijt
Ik mijn dom geloof verzaken
Hij riep: Gods moeder rein
Wil toch mijn voorspraak zijn.

12.
Hier leert ons de schriftuur
Hoe Christus klaar en puur
Uit alle geslachten hier op ‘t ’s werelds dal
Zijn uitverkozen schapen kiezen zal
Aanmerkt wel uit dit lied
Dat u van die drij zielen wordt bedied
Een lering schoon voor alle mensen
Die leven in ’t getal
Hier op het ’s werelds dal.

Literatuurlijst:

1.
Het oude Nederlandse lied, Fl. van Duyse, deel II, Den Haag/Antwerpen, 1903.
2.
Hofken van geestelijke liederen, uit de serie Liederen uit de oude doos, D. Wouters, Utrecht 1943.
3.
Oudkempische volksliederen en dansen, Theophiel Peeters, derde bundel 1952.
4.
Repertorium van volksliederen op vliegende bladen, H.Stalpaert in Volkskunde 1961.
5.
Onder de groene linde, deel 1, Amsterdam 1987.

Ga naar boven