Judas met zijn nieuwe fiets

Hier volgt nog een liedje over de fiets, zonder dat deze uitgebeeld wordt. Ik kreeg eens van iemand uit Boxtel drie liedjesschriften die waren volgeschreven door Jeanne van de(r) Sande uit Klein Liempde. Ik vond in een van die schriften ook een lied over een fiets: Judas met z’n nieuwe fiets. Vraag me niet waarom Judas, een volgeling van Jezus en later de verrader, als hoofdpersoon opgevoerd wordt in een kluchtlied. De tekst houdt zich wel aan het slot van Judas’ leven: in het laatste couplet hangt hij zich op. De melodie haalde ik van de Liederenbank, Ate Doornbosch nam het lied op in 1969 in Oisterwijk bij de heer W. van Biljouw, geboren in 1908.

Luisterbestand: Judas op zijn fiets.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Ik vertel u hier vanavond iets
Wiede, wiede, wiet, Jan Bom
Van Judas met z’n nieuwe fiets,
Wiede, wiede, wiet, Jan Bom
Die kerel had wat geld gejat
Dat had ie ‘m wel eens meer gelapt,
Gloria, victoria, wiede, wiede, wiet, Jan Bom, ja ja
Gloria, victoria, wiede, wiede, wiet, Jan Bom.

Op deze manier worden de volgende coupletten gezongen.

2.
Hij ging toen naar een handelaar
Die vond dat zaakje wel wat raar,
Zo’n arme donder om zo’n kar
Hij zei: contant betalen wàr

3.
En Judas schudde zijn zakken leeg
Hij lachte toen hij zijn fietske kreeg,
Hij nam een aanloop en sprong er op
En scheurde heel zijn broek, wat strop.

4.
Daar kwam net schele Pieter aan
Die zei: wat heb je nou gedaan?
Nu Judas, het is met jou niet pluis
Jij draagt voort broeken zonder kruis.

5.
Maar Judas zei geen enkel woord
Hij dacht: ik spreek niet met zulk soort,
Die vent kijkt meer dan otterscheel
Zou hij soms weten dat ik steel?

6.
Afijn, hij springt er nog eens op
Al op zijn fiets van tachtig pop,
Verdraaid wat ging dat zalig zeg
Ach gut, daar rijdt hij in de heg.

7.
Het zijn doorns, zegt hij wel verrot
De voorband slap gelijk een tod,
Maar lopen doe ik niet, ik rij
Maak plaats, maak plaats, op zij, op zij.

8.
Het botste wel een beetje, mar
Dat is altijd op die keien, wàr,
En onze Judas’ halve broek
Was al gauw gevuld met peperkoek.

9.
Zo ging hij door Jeruzalem
Hij had geen bel meer of geen rem,
Geen plaatje of geen rijwielkaart
Hij rende door in dolle vaart.

10.
Och grutjes nog, hoe, daar brak de stang
Maar Judas werd nog lang niet bang,
Hij trapte puffend, blazend door
En fietste als een razende door.

11.
Hij keek eens om, maar dat werd duur
Daar reed hij tegen een dikke muur,
Hij brak zijn klompen en zijn nek
En rolde midden in de drek.

12.
Hij ging toen met zijn dolle kop
Een winkel in en kocht een strop,
Hij hing zich op, de boze guit
En daarmee is ons liedje uit.

Ga naar boven