Het kleine kereltje

In dit hoofdstuk komen drie varianten voor:

Het kleine kereltje/ De helft te klein/Jantje van IJsselstein.
De ambtenaar.
Die dag vergeet ik nooit.

Het kleine kereltje.

De volgende tekst stelden we samen aan de hand van drie teksten:
• ’n tekst uit Boxtel, gekregen van Corrie Poirters
• ’n tekst met als onderschrift: Huub de Lau, zou dit de tekstdichter zijn?
• ’n tekst uit Schijndel, gekregen van mevrouw Munsters- van Houtum.
Zij zong dit lied op de bekende melodie: toen onze mop een mopje was.

Wat betreft de woonplaats of achternaam van Jantje het volgende: Hij zou afkomstig kunnen zijn uit de provincie Utrecht, iets ten zuiden van de stad Utrecht ligt aan de IJssel, IJsselstein. Even zo goed zou ons Jantje uit de Peel kunnen komen? Even ten Noordoosten van de Noord-Brabantse gemeente Deurne ligt een plaatsje Ysselstein. Kortom, het is niet bekend waar Jantje vandaan komt of hoe hij aan zijn achternaam komt.

Het is een heel populair lied geweest op feesten en partijen. En nu nog wordt het veel gezongen op bijvoorbeeld liederentafels. De tekst leent er zich erg goed voor om uitgebeeld te worden.

Martin Grilis, lid van de voormalige volkse muziekgroep de Ploegadoers uit Liempde, bond aan elke knie een klomp en ging bij het zingen op z’n knieën zitten. Je onderbenen kun je dan verstoppen onder de slippen van een slipjas. Zo lijkt het of je een klein kereltje bent.

Het lied wordt ook wel door twéé mensen uitgebeeld. Frans van den Broek uit ’t Wijbosch, een kerkdorp bij Schijndel, heeft het wel eens zo gedaan: hij nam een kind van vier jaar op z’n schouder en samen gingen ze achter een doek staan dat d.m.v. twee verticale stokken strak werd gehouden door twee mensen. Frans stak zijn hoofd en zijn armen door het doek, aan de armen zaten twee klompen, aan de buitenkant van het laken waren twee broekspijpen opgenaaid, zijn armen waren dus de benen van Jantje. Het kind stak ook zijn handjes door het doek en deze kwamen uit net onder het hoofd van Frans. Dit alles gebeurde achter en ter hoogte van een tafel. Terwijl het lied gezongen werd zat ’t kind natuurlijk met z’n handjes aan de neus en de kin van de zanger te frunniken en dit alles tot groot vermaak van de toehoorders.

Luisterbestand: Jantje van IJsselstein.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
De dag dat ik geboren werd
Dat was voorwaar een klucht
Mijn vader die schoot in z’n lach
Mijn moeder liet een zucht
Mijn vader sprak, ach lieve heer
Dat is een kind in schijn
Zo’n jongen heb ik nog nooit gezien
Hij is de helft te klein,

Refrein:
En heddem nie gezien, da hele kleine kereltje
En heddem nie gezien, van sjoem!

 

 

 

 

 

 

 

 

Lino: Rolf Janssen.

 

2.
Mijn vader en mijn moeder
Die bleven niet zo suf
Die stapten naar de dokter toe
En maakten veel gebluf
Toen kreeg ik iedere dag
Een ei met spek en lekkere wijn
Maar dat heerlijks hielp niet veel
Want ik bleef veel te klein,

Refrein.

3.
Toen ik een jaar of zeven was
Toen moest ik al naar school
En vader ging met mij op stap
Wat was me dat een jool
De meester hield zijn buikje vast
En sprak: ach heertje mijn
Zoiets heb ik nog nooit gezien
Hij is de helft te klein,

Refrein.

4.
Maar later toen ik groter werd
‘k Was ’t wonder van de straat
De kinderen riepen mij dan na
En ik werd wel eens kwaad
Ik groeide op voor galg en rat
Werd ziek en leed veel pijn
En toen ik was geopereerd
Was ik de helft te klein,

Refrein.

5.
Wat later ging ik wandelen
Zo na het middagmaal
Ik was wat moe en stapte toen
Al in een bierlokaal
Ik bestelde een pot Oranjeboom-bier
Maar toen zei de kastelein
Och man, voor jou tap ik niet
Jij bent de helft te klein,

Refrein.

6.
En toen ik achttien jaren was
Toen ging ik naar de Oost
Ik dacht, nu maar goed opgepast
Dan word ik vast provoost
De eerste Atjee’er die ik zag
Die kneep ik als mosterd zo fijn
Maar ach, mijn lengte viel niet mee
Ik was de helft te klein,

Refrein.

7.
Toen moest ik voor de ministerraad
Dat was voor mij een eer
Ik dacht, ik haal de grootste graad
Als ik maar solliciteer
Maar toen ik onder die maatstok kwam
Toen sprak de kapitein
Laat die vent toch naar huis toe gaan
Want hij is veel te klein,

Refrein.

8.
Laatst was ik op een groot festijn
Wat had ik daar een schik
Daar zat ik naast een lieve vrouw
Zo mollig en zo dik
Ik trakteerde haar de hele dag
Op taartjes, bier en wijn
Maar toen ik haar naar huis toe bracht
Was ik de helft te klein,

Refrein.

9.
Ik wilde eens uit wandelen gaan
Met een meisje naar mijn zin
Zo ’s avonds in de maneschijn
Zo passend bij de min
Maar toen ik sprak, mijn lieve schat
‘k Wil altijd bij je zijn
Toen zei ze, och mijn beste knul
Je bent de helft te klein,

Refrein.

10.
Ik zal nu maar naar huis toe gaan
En eindigen met mijn lied
Want of ik hier nog langer zit
Veel groter word ik niet
En zing nu allen met mij mee
Je kent nu wel ’t refrein
En wil je weten hoe ik heet
‘k Ben Jantje van IJsselstein,

Refrein.

Hier nog een variant die we vonden. De tekst is door een familielid (?) aangepast ter gelegenheid van de 90-ste verjaardag van opa Frans.

1.
De dag dat hij geboren werd
Dat was voorwaar een klucht
Zijn vader die schoot in de lach
Zijn moeder liet een zucht
Zijn vader sprak: och lieve heer
Dit kind is heel wat mans
Een heel lang leven voor de boeg
Dat wens in onze Frans.

Refrein.
En zie hem stralen daar
Da hele krasse kereltje
En zie hem stralen daar, opa Frans.

2.
Toen hij een jaar of zeven was
Toen moest hij al naar school
En vader ging met hem op stap
Wat was me dat een jool
De meester zei, dit is een kind
Waar iedereen van houdt
Die jongen komt er zeker wel
Hij heeft een hart van goud.

3.
En nu wordt hij dan negentig
En is hij hoog bejaard
Maar woont nog zelfstandig
En geniet van huis en haard
Gezondheid is een zegen
Waar een ieder blij mee is
En Frans die kan het weten
Dat is zeker en gewis.

4.
Toch waren er problemen
Hij kon niet zo goed meer zien
Zijn ogen gingen achteruit
Dat weet u wel misschien
Dat was een hele handicap
Voor Frans een ware plaag
De krant kan hij niet missen
Want die leest hij erg graag.

5.
Hij werd daarom geopereerd
Jazeker en voorwaar
De wetenschap is al zo ver
En helpt je af van staar
Het is gelukt o, wat een feest
Hij leest zijn krantje weer
De wereld ging weer open
Dus wat wil je dan nog meer.

6.
Op 5 december negentig
En nog zo`n krasse baas
Misschien word je wel net zo oud
Als onze Sinterklaas
Hier in het oude tramstation
Zijn we van de partij
En zeggen we proficiat
En zingen samen blij.

Naar boven

Mijn vrouw Geno heeft eens een erg leuke tekst gemaakt op de melodie van Het kleine kereltje. Wij zouden muziek gaan maken op een feestavond met Schijndelse gemeente-ambtenaren en daar is deze tekst in première gegaan. En let wel: de eerste regel van het vierde couplet is echt zó bedoeld!

De ambtenaar. (tekst: Geno Hartman)

 

 

 

Lino: Rolf Janssen.

 

1.
De dag dat hij geboren werd
Dat was voorwaar een klucht
Zijn vader die schoot in de lach
Zijn moeder liet een zucht
Zijn vader sprak: och lieve Heer
’t Is zeker toch niet waar
Zo’n kind heb ik nog nooit gezien
’t Wordt vast een ambtenaar.

Refrein:
En heddem nie gezien
Daar ginds op het gemeentehuis
En heddem nie gezien…uh…nee.

2.
Toen hij een jaar of zeven was
Toen moest hij al naar school
En vader ging met hem op stap
Wat gaf me dat een jool
Hij sliep de halve les en ook
Zijn huiswerk was nooit klaar
De meester sprak heel moedeloos
’t Wordt vast een ambtenaar.

Refrein.

3.
En toen hij achttien jaren was
Toen zocht hij naar een baan
Het liefst heel rustig en relaxt
Want meer kon hij niet aan
Dus dat werd het gemeentehuis
Daar zat hij jaar na jaar
Heel rustig en ontspannen als
Een echte ambtenaar.

Refrein.

4.
Van ’s morgens laat tot ’s avonds vroeg
Was hij daar steeds present
Zijn dutje kon hij blijven doen
Want dat was hij gewend
Op tijd zijn koffie en zijn lunch
Dat is op zich niet raar
Want kalmte, rust en regelmaat
Wenst elke ambtenaar.

Refrein.

5.
Hij wilde eens uit wand’len gaan
Met een meisje naar zijn zin
Zo ’s avonds in de maneschijn
Zo passend bij de min
Maar toen hij sprak: oh, lieve schat
Trouw jij met mij voorwaar
Toen zei ze: ach, mijn beste knul
Ik wil geen ambtenaar.

Refrein.

6.
Ik zal nu maar naar huis toe gaan
En eindigen met mijn lied
Want hoe ik het ook wend of keer
Actiever wordt hij niet
En zing nu allen met mij mee
Nog één refreintje maar
Want alles is nu wel gezegd
Over de ambtenaar.

Naar boven

Die dag vergeet ik nooit.

Een variant van de helft te klein, althans wat betreft de tekst, kreeg ik eens van de heer Venrooy uit Schijndel. Als je de tekst zo eens bekijkt dan is er in de loop der tijd zoveel aan gesleuteld dat het verhaal niet echt meer te volgen is; zo’n tekst noemen we ‘corrupt’. Waarschijnlijk kende hij de melodie niet, ik heb er geen opname van.

1.
De dag dat ik geboren werd en ik ter wereld kwam
En toen papaatje mij zo in zijn armen nam
Eerst gaf hij mij een zoen, toen smeet ie mij weer in bed
Omdat ik een bruine draaide, een bruine op zijn vest.

Refrein:
En vind je dat niet geding (2x)
En vind je dat niet aardig
Die dag vergeet ik nooit, nee nooit.

2.
De dag dat ik gedoopt werd vergeet ik ook niet licht
Heeroom die sprak wat heeft dat kind toch voor een raar gezicht
Ik zie geen oren of geen neus ,ik ben verbouwereerd
Maar ik riep: ach heertje, doop mij niet, want je hebt me glad verkeerd.

Refrein.

3.
En toen ze mij omdraaiden toen klonk er een luid gelach
Toen men in plaats van mijn botjes mijn aardig snoetje zag
Toen werd ik gauw gedoopt, ’t gebeurde in ’n wip
Een emmer water op mijn kop en een mooie naam van Flip.

Refrein.

4.
De dag dat ik de broek aankreeg vergeet ik ook niet licht
Van voren was hij open en van achteren was hij dicht
Ik trok verkeerd hem aan, het was een lastig ding
Ik wist niet of ik thuis kwam ofwel de deur uitging.

Refrein.

5.
De dag dat ik leerde lopen vergeet ik ook niet licht
Ik viel meestal van mijn sokken maar dikwijls op mijn gat
Dan schreeuwde ik als een beer dan kwam mijn moesje weer
En dan zoende ze mij op een plaats en dat doet ze nou niet meer.

Refrein.

Ga naar boven