‘t Lantaarntje

‘t Lantaarntje ken ik van de cd: Van liefde komt groot lijden. Het is geschreven door Karel Waeri (Gent 1842-1898) en wordt gezongen door Erik Wille, met begeleiding van Hans Quaghebeur (draailier, accordeon) en Peter Libbrecht (viool).

Luisterbestand: ‘t Lantaarntje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
‘k Was lest op ’n avond aan ’t wand’len op straat
Zoals het gewoonlijk met jonglieden gaat
Ik liep in gedachte, daar ‘k allenig was
En ik zag daar een meiske, dat kwam mij van pas
Ik ging er naar toe en ik sprak haar ook aan
Maar zij hield zich stom en kon mij niet verstaan.

2.
Ik sprak haar van liefde, zoals men meest doet
Wanneer men des avonds een meiske ontmoet
Zij sprak zeer geslepen: ik versta u maar slecht
Van al deze dingen die gij mij daar zegt
Maar wilt gij zo goed zijn, doe mij een plezier
En breng mij naar huis, ik woon verre van hier.

3.
Dat wil ik wel doen als ‘k een zoentje verdien
Maar ’t is al zo donker da’k niet meer kan zien
Zij sprak: da’s ’t minste, ik weet goede raad
Ik heb een lantaarnke, neem dat maar te baat
Ik sprak: uw lantaarnke, al is’t nog zo fijn
Dat doet gene dienst of een kaars moet er zijn.

4.
Maar ik heb een kaarsje, dat komt ons nu goed
Als gij uw lantaarntje maar open doet
Toen bleven wij stilstaan en op ons gemak
Ik haalde mijn kaarsje al uit mijnen zak
‘k Bezag haar lantaarn, ze was naar mijn zin
En ‘k zette met vreugde mijn kaarsje daarin.

5.
Toen sprak zij met blijdschap: ik geef u mijn woord
Uw kaarsje dat staat er gelijk het behoort
’t Lantaarntje waaide dan open en toe
Wij sprongen om ’t hardste maar werden niet moe
Zij zuchtte van vreugde maar gaf een geluid
Mijn kaarsje dat drupte en ’t viel er weer uit.

6.
Ik bracht haar naar huis en beloofde haar toen
Om iedere avond hetzelfde te doen
Des anderendaags ’s avonds trof ik haar weer aan
Mijn kaarsje moest in haar lantaarntje staan
Ik haalde ’t zo dikwijls al uit mijne zak
Totdat op den duur haar lantaarntje brak.

Ga naar boven