De gevolgen van warme winden door het eten van uijenstruif

De tekst van dit lied (of is het een gedicht?) vond ik in een gekopieerd handschrift dat ik al zo’n twintig, dertig jaar in bezit heb. Op de titelpagina staat te lezen: Hollandsche Gezelschap Liederen, geschreven door P.H. Offermans, 14 dec. ’s Bosch 1867. Een van de liedteksten heeft als titel: Den Eijerstruif. Ik dacht dezelfde tekst aan te treffen in een liedjesschrift van G. Vriens uit Haaren, dat ik eens kocht op de jaarlijkse boekenmarkt in Tilburg. Behalve overeenkomende coupletten zijn er toch nog wat tekstverschillen.

Op de site www.liederenbank.nl vond ik de liedtekst op twee losse liedbladen, op een ervan staat de oorspronkelijke titel: De gevolgen van warme winden door het eten van uijenstruif. De teksten op de twee liedbladen die gedateerd zijn rond 1910, zijn identiek, evenals de tekst in het zojuist genoemde liedschrift. Conclusie zou kunnen zijn dat Offermans wellicht wat gesleuteld heeft aan de oorspronkelijke tekst, wat heeft weggelaten en wat erbij heeft verzonnen?
Wilt u meer weten over dit interessante handschrift van Offermans, bezoek dan de site: www.cubra.nl en kijk bij liedschrift Offermans.
Er is geen melodie bekend.

1.
Ik kwam laatst van die Latijnse school
Zo voor een week of vijf
En kwam bij tante Knobbelkool
Een best maar grommig wijf
Ik was die morgen juist verjaart
En dat wist tante ook
Zij had een zwijnenbout bewaart
Wel twee jaar in de rook.

2.
Zij bakte ene uienstruif
Die woog bijna drie pond
En gaf mij van die varkenskluif
Die zwart was als de grond
Ik at, maar o, wat bitter lot
Het roerde in mijn buik
Gelijk een oude waterrot
Die vast zat in een fuik.

3.
De winden braken eensklaps uit
Toen blies ik naar mijn best
Gelijk de donder was ’t geluid
De stank was als de pest
Toen ik een uur gelopen had
Dronk ik een pintje bier
En juist zoals ik binnen had
Begon dat woest getier.

4.
Ja, juist toen ik mijn glas uitdronk
Ontrolde mij een scheet
Die zo verschrikkelijk lelijk stonk
Als een Meijerijs secreet
De hospes die te slapen zat
Werd wakker door de klank
En riep: wat vuile hond is dat
Weg rekel met je stank.

5.
Hij sloeg zijn arme poedelhond
Zo erg op zijn huid
Dat ik van schrik met spoed opstond
En liep de kamer uit
‘k Ging in een kerk met veel gewoel
Ik dacht aan bier noch pint
De predikant kwam juist op stoel
Toen liet ik weer een wind.

 

 

 

 

 

 

 

 

Lino: Rolf Janssen.
6.
Toen kneep hij mond en neusgat dicht
En eer men er aan dacht
Trok een vreselijk gezicht
En riep uit alle macht:
Dat boerenvolk wel foei, ’t is schand
Het stinkt gelijk de pest
Ik dacht: mijnheer de predikant
Wat hebt gij een rare tekst.

7.
Maar ’t ergste was toen ik daar stond
Twee dames van hun stoel
Vielen in onmacht op de grond
De kerk kwam vol gewoel
En naast mij viel een stokoud wijf
Beroofd van haar verstand
Ik dacht als ik nog langer blijf
Valt ook de predikant.

8.
De koster was in volle rouw
Toen ik de kerk uit kwam
En door de stank zo viel hij flauw
En lag daar als een lam
Ik dacht als ik een bitter dronk
Misschien is dat niet kwaad
Ik ging waar men een glaasje schonk
En raakte aan de praat.

9.
Daar vloog weer iets ik greep naar geld
Betaalde maar wat gauw
De hospes pakte met geweld
Zijn arme oude vrouw
En schold haar uit, de vrouw die zwijgt
Hij slaat nu, schreeuwt de vrouw
Gelijk een hond die ransel krijgt
Met bulle pees of touw.

10.
Ik ging een kruidenier voorbij
En kocht een doos tabak
Ik ging een weinig aan een zij
Omdat er weer wat stak
Zo gauw zag ik de kans niet klaar
Of ik trok weer van hier
De vrouw gaf mij de winkelwaar
En viel in flauwte schier.

11.
Toen ik voorbij een snijder kwam
Die woedend door de stank
Zijn kleine manke jongen nam
En sloeg hem met een plank
Toen kreeg ik waarlijk medelij
En dacht, ’t kan zo niet gaan
En zag een dame aan mijn zij
Bezweken nederslaan.

12.
Ik dronk een goede halve fles
In ’t eerste koffiehuis
Ik zat daar met een heer of zes
Van achteren was ’t niet pluis
Daar brak er een in stilte door
En kroop in mijne kous
Daar kwam een brillenkoopman
Het was een Zeeuwse smous.

13.
Toe, sla die vuile stinkbok dood
Riep ieder en stond op
O waai min, riep de brillenjood
En gaf hem ene schop
Toen ging ik in het logement
Waar ik gewoonlijk ging
En omdat ik daar was bekend
En goed onthaal ontving.

14.
Drie moffen zaten in een hoek
En dronken daar een pint
Zij aten struif en dikke koek
Toen liet ik weer een wind
Dat beestig stinkend moffengoed
Is het gemeenste grauw
Ik weet niet wat je daarmee doet
Sprak Dirkbaas tot zijn vrouw.

15.
In ’t kort zo blaasde en stonk ik voort
Tot aan de andere slag
Zodat al het volk in het logement
Van stank bezweken lag
Toen ging ik vrolijk en verblijd
Weer naar mijn oude heer
Maar eet mijn ganse levenstijd
Geen uienstinkstruif meer.

Ga naar boven