Het was een meysken vroech opghestaen

 

 

 

 

 

Een nyeu liedeken of:
Het was een meysken vroech opghestaen. (Antwerps Liedboek, lied 62).

Luisterbestand: Het was een meysken vroech opgestaen.

 

 

 

 

Een kluchtlied met in de hoofdrol een molenaarsknecht. Een meisje ging op zoek naar haar vriendje, kwam hem tegen waarop hij aan haar vroeg:
Ja, mocht ic bi u slapen?
Als bewijs dat hij echt van haar houdt wil het meisje zijn ring als onderpand en nodigt haar vriend uit om die nacht bij haar te komen slapen:

Mer coemt noch tavond slapen.

Dit gesprek wordt afgeluisterd door een molenaarsknecht en deze verzon een list!
Hij ging naar het meisje en:

Hi clopte so lijselijck aen den rinck (deurklopper)
Hi worde daer ingelaten.

Het vervolg laat zich gemakkelijk raden: toen de molenaarsknecht aan de gang ging met zijn meisje klopte haar eigenlijke minnaar aan de deur:

Tsnachts omtrent der middernacht
Doen dat minnespel op zijn beste was
Haer lief quam cloppen al voor die dore.

Het meisje vond het wel lekker met de molenaarsknecht en laat haar schoon lief niet eens binnen!
Misschien is hier wel het bekende gezegde ontstaan:

Die eerst komt, die eerst maalt of zoals het tegenwoordig heet:
Die het eerste komt, die het eerste maalt!

Het gevolg van dit minnespel is dat het meisje ontmaagd wordt door de molenaarsknecht:

Tsmorgens vroech, alst was schoon dach
En si den molenaer wel besach
Si en was gheen maecht gebleven.

Het blijkt toch wel een onnozele meid te zijn want ze vraagt zich af:

Heere God, wien hebbe ic inghelaten.

De bedrogen en teleurgestelde minnaar ging daarop zijn ring terughalen:

Tsmorghens als die sonne opghinc
Haer lief quam om sinen rinck
Die liefde was hem vergangen.

Natuurlijk hoort er ook een moraal bij zo’n verhaal:

Ghi jonghe meyskens, doch voor u siet:
En gheloof die jonghe molenaers niet,
Si souden u haest bedrieghen!

De volledige liedtekst kunt u vinden op de site: www.liederenbank.nl

Het bijzondere van dit lied is dat het nog tot in de twintigste eeuw gezongen werd in Nederland en Duitsland en voornamelijk mondeling is overgeleverd. Als bewijs hiervoor gelden de veldopnames die gedaan zijn door o.a. Ate Doornbosch, medewerker van het Volksliedarchief in Amsterdam. Deze maakte in een tijdsbestek van vier jaar (1966-1970) vier opnames van dit lied, voornamelijk in Noordoost Groningen.

In Onder de groene linde deel 3, een uitgave van het Volksliedarchief, wordt een veldopname uitgewerkt voor wat betreft tekst en melodie. Bijna elke strofe komt overeen met die van hetzelfde lied uit het Antwerps Liedboek.
Met toestemming neem ik een lied over uit de publicatie van het Volksliedarchief te Amsterdam. Het is een opname uit 1966 en het lied werd gezongen door Jantje Bakker- Groelfsema (1893-1981) te Oudeschip. Zij werd geboren in Roodeschool en leerde de liedjes van haar moeder.
Het lied is getiteld:

Goedendag, goedenmorgen, mijn allerliefste lief.

Luisterbestand: Goedendag, goedenmorgen

 

 

 

 

De tussen haakjes geplaatste strofenummers corresponderen met de min of meer overeenkomende strofen uit het Antwerps Liedboek,(A.L.).
Zo krijgt u een indruk welke tekst uit 1544 nog in de herinnering leeft van mensen uit de 20ste eeuw!

1. (A.L.2)
Goedendag, goedenmorgen, mijn allerliefste lief
Kroon van mijn harte, ik heb je zo lief
Mag ik er eens bij je slapen?

2. (A.L.3)
Bij mij te slapen, dat is voor u geen eer
O jongen, maar die praatjes die achten mij niet meer
Kom, zullen wij maar gaan trouwen?

3. (A.L.5)
Kom vanavond als het donker, duister is
Als er geen mens op straat meer is
Dan zal ik u binnen laten.

4. (A.L.6)
En dat hoorde zowaar een molenaarszoon
Hij had de woorden van achteren ofschoon
Hij horde zo vreselijk praten.

5. (A.L.8)
En ‘s avonds toen het donker, duister was
Toen er geen mens op straat meer was
Toen kwam daar die loze maler.

6. (A.L.9)
Sta eens op, sta eens op, mijn allerliefste lief
Kroon van mijn harte, ik heb je ja zo lief
Kom, laat mij eens bij je binnen.

7.
Het meisje heeft de deur toen al open gedaan
Zij heft er die molenaar naar binnen laten gaan
En heft in zijn armen geslapen.

8. (A.L.8)
‘t Was nacht, ‘t was nacht, ‘t was midden in de nacht
Dat er het meisje in zijn armen lag
Toen kwam daar haar teer beminde.

9. (A.L.9)
Sta eens op, sta eens op, mijn allerliefste lief
Kroon van mijn harte, ik heb je ja zo lief
Kom, laat mij eens bij je binnen.

10. (A.L.10)
Ik sta voor u niet op, gij komt bij mij niet in
Want mijn allerliefste, die ik zo teer bemin
Die ligt hier in mijn armen.

11. (A.L.11)
Maar ‘t werd dag, ‘t werd dag, ‘t werd helderlichte dag
Dat dat mooi meisje haar beminde eens goed zag
Toen was dat die loze maler.

12. (A.L.12)
En ik meende dat ik gelaten had mijn zoetelief
En nu is er die lelijke, gemene korendief
Die heft mij mijn eer ontstolen.

13. (A.L.13)
Zeg zusje, lieve meisje, zeg, heb maar geen nood
Er sterven geen molenaarskinderen zonder brood
Ik geef je mijn hand tot trouwen.

Het lied is ook nog opgetekend in Vlaanderen en wel in de jaren dertig van de vorige eeuw. De tekst van deze variant: Een jongeling was ‘s morgens vroeg opgestaan, is zwaar gehavend uit de mondelinge overlevering gekomen maar vertoont veel gelijkenis met het lied uit het Antwerps Liedboek. Pol Heyns tekende het op, op 2-3-1937, bij Louis V.M., een ongeveer zeventigjarige landbouwer te Herentals en nam het op in zijn zeer interessante liedbundel Volksliederen, uitgegeven in 1941. Heyns zegt over deze zegsman: ´Kent veel liedjes, zingt ook wel eens in zijn stamcafé, waardoor hij de reputatie heeft verworven een goed zanger te zijn met een uitgebreid repertorium.
Verklaarde ons de meest zijner liederen geleerd te hebben op Diest-markt en thuis.´

Ik heb de tekst zelf in strofen ingedeeld en elke strofe vergeleken met de vergelijkbare versie uit het Antwerps Liedboek. Ook hier verwijzen de tussen haakjes geplaatste strofenummers naar lied 62 uit het Antwerps Liedboek.

Luisterbestand: Een jongeling was ‘s morgens vroeg opgestaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. (A.L.1)
Een jongeling was ‘s morgens vroeg opgestaan
‘s Morgens vroeg op den dool gegaan
En hij kwam er zijn zoetelief tegen. (2x)

2. (A.L.2)
Goedendag, goedenmorgen, mijn overzoete lief
Uit de grond van mijn hart heb ik u o, zo lief
Mochte ik er eens bijder u slapen? (2x)

3.
Nee, bijder mij slapen dat mag er nu niet zijn
Daar zouden teveel klappetongen door zijn
En die zouden ons wel berouwen. (2x)

4.
Jongman, kom ‘t avond als het duister, donker is
Als er niemand meer op de straten is
Dan za’k ik er u inlaten. (2x)

5. (A.L.6)
Dit hoorde ene maalder met zijnen knecht
Dit hoorde ene maalder met alle zijn oprecht
Wat dat deze twee lievekes spraken. (2x)

6.
De maalder is van zijne molen gegaan
Zijn beste kleren heft hij aangedaan
En zo is hij naar ‘t meisje gaan slapen. (2x)

7. (A.L.7)
Als het ‘s avonds omtrent negen ure was
Kwam de loze maalder al voor het glas
Zoete lieveke, wil mij d’r inlaten. (2x)

8.
En het meisje dat was er zodanig van zin
En ze liet er de loze maalder in
En zo is hij bij ‘t meisje gaan slapen. (2x)

9. (A.L.9)
Als het ‘s nachts omtrent twaalf ure was
Kwam haar overzoete lief al voor het glas
Zoete lieveke, wil mij d’r inlaten. (2x)

10. (A.L.10)
Ik sta d’r nu niet op en laat er u niet in
Mijne allerliefste die ik zo teer bemin
En die leit er in beider mijn armen. (2x)

11.
Stopt hem dan zo diep en zo warm als ge kunt
Zoete lieveke, dat zal d’r u rouwen.(2x)

12 .(A.L. 11 en 12)
Het was weer morgen en het scheen klaar dag
En als zij de maalder zijne kleren zag
En och God, bij wie heb ik geslapen? (2x)

13.
Nu meende ik te slapen bij mijn overzoete lief
En nu heb ik geslapen bij de maalder-korendief
En hij heeft er mijn eerke geschonden. (2x)

14.
Och dochter, och dochter, dat doet er u geen nood
Nooit gaan er maalderskinderen om brood
Wilde gij er, ik zal d’r u trouwen. (2x)

15.
Zij wrong haar handen al in haar haar
En het scheen dat ze ‘r zoude sterven.(2x)

Ga naar boven