Daer was een goelijc molenaer

 

 

 

Een nyeu liedeken van den molenaer of:
Daer was een goelijc molenaer. (Antwerps Liedboek, lied 178, geen muzieknotatie)

Een molenaar klom op zijn molen en was boos omdat er niets te malen viel:

Daer was een goelijc molenaer
Op zijnder molen dat hi clam
Omdatter niet te malen en quam
Daerom was hi so gram.

Maar hij wordt op zijn wenken bediend, getuige de tweede strofe:

Smorghens, alst was schoon dach,
Die molenaer lach al op sijn doer;
Met dien quam daer een vrouken
Met haren sacxken voer.
Het hadde so grooten schoer:
Ja, ja, molenaer, wildi mi malen?
Mijn corenken loopt daer door!

In de volgende drie strofen is er sprake van een stevige vrijpartij waarbij het meisje de molenaar aanmoedigt in deze wellustige scene op de molen. Maar de molenaar haakt af, kan het niet meer opbrengen, tot spijt van zijn vrouw:

Snachts, ontrent der middernacht
Dat belleken gaf gheluyt.
Ay my! seyt si, molenare,
Ghy moeter scheyden uut.
Ende nu eest al ghedaen!
Ja, ja, so vriendelijc sprack die molenaer
Dat goelijck meysken aen.
Al gheeft dat belleken groot gheluyt,
Ghi maelt noch veel te groof!
Ay my! Seyde si, molenaer
En scheet daer nyet so of,
Het is so goeden stof.
Ja, ja, steect een luttel diepers,
So gheve ic u den lof!

In de volgende strofe moet de molenaar toegeven dat hij niet langer kan malen:

Soude ic noch langhe malen,
Mijn steen wort veel te bot:
Ick en sout niet weten waer halen
Mijn stof viel veel te cort.

In de meest recente publicatie over Het Antwerps Liedboek, wordt dit omschreven als een: Ambachtelijk coitislied over de seksuele (on) vermogens van een molenaar. Ik zou dit lied liever willen omschrijven als: Het gemis van Viagra nekt de molenaar in zijn middeleeuws liefdesspel.

Ga naar boven