Uitdrukkingen, gezegdes en spreekwoorden

We kunnen vier thema’s aangeven waarbinnen de uitdrukkingen, gezegdes en spreekwoorden over de molen en de molenaar zich afspelen. De erotiek, zo duidelijk aanwezig in de liedjes, vinden we hier niet terug.

a) Bedrog van de molenaar.
b) Dwaasheid.
c) Het weer en dan met name de wind.
d) Algemeen. 

a) Bedrog.

Dat zullen we God en de molenaar laten scheiden, Ofwel in Brabants dialect: • Dè zal de mulder en onze lieve Heer wel schaoie, Of: • Dè zulle we God en de mulder laote schaaie; die schaaie zoveul.

We lezen over dit spreekwoord verder nog in de Kroniek van de Kempen, uitgave 1982: God scheidt de bokken van de schapen, d.w.z. de slechte mensen van de goede. Een molenaar moet er voor zorgen dat al het meel weer bij de juiste boer terecht komt en niet in zijn eigen zak. Men veronderstelde vroeger dat daar nog wel eens het een en ander aan mankeerde. Het ontstaan van ons spreekwoord heeft te maken met de manier waarop men tegen een molenaar aankeek. Het spreekwoord is van origine nogal ironisch. Van de molenaar werd strikte eerlijkheid verwacht. Maar hij had vaak de naam een oplichter en een korendief te zijn. Hij was namelijk in de gelegenheid om de boeren te bedriegen en de redenering was dat de gelegenheid de dief maakte. In oudere liederen, gedichten en kluchten komt de molenaar vaak voor als een verleider, echtbreker en bedrieger. G.A. Bredero schrijft bijvoorbeeld in zijn bekende Klucht van de molenaar dat je goed op je vrouw moet letten als er een molenaar in de buurt is, want die is er in een wip mee vandoor. De wat zonderlinge levenswijze van de molenaar kan de aanleiding geweest zijn tot het negatieve beeld dat in de literatuur geschetst wordt. Hij woonde vaak aan de rand van het dorp; hij leefde enigszins onttrokken aan de sociale controle en hij werkte vaak ‘s nachts. Dit alles kan ertoe bijgedragen hebben dat er rond de molen een wat geheimzinnige sfeer hing. Maar het zijn toch zijn, al of niet vermeende oplichterspraktijken met andermans graan geweest die hem, zij het op ironische wijze, in ons spreekwoord deden belanden.

Men vindt geen molenaarshane, of hij at gestolen koren. Deze spreuk schijnt van G. Gezelle te zijn en betekent: Elk is een dief in zijn nering.

Naar boven

b) Dwaasheid.

Hij heeft een klap van de molenwiek gehad. Hij is niet goed bij zijn verstand. Letterlijk: ‘t Is of hij door een slag van de molenwiek zijn verstand heeft verloren.

Hij loopt met molentjes. Hij is niet goed bij zijn verstand. Hij maalt.

Naar boven

c) Het weer en dan met name de wind.

In: De molen in ons volksleven lezen we: De molenaar left van de wind. Inderdaad, de windkracht is voor de molen onmisbaar; de wind is des mulders beste vriend, maar ook zijn grootste vijand, want de wind is nimmer te vertrouwen.Luidt een bekend molenaarsgezegde niet: ‘Krimpende winden En uitgaande vrouwen Zijn niet te vertrouwen’. (Daar is geen huis mee te houwen).

Iedere molenaar weet, dat opkomende storm en onweersbuien de grootste oplettendheid vereisen, vandaar het gezegde:

De molenaar kan in een half uur wel arm worden, maar niet in een half jaar rijk worden.

Een versje op een korenmolen luidt:

Een goed bedachte molenaar Neemt elke wind zorgvuldig waar. Een goede mulder is op zijn molen gelijk een schipper op de woelige zee. Geen wonder dat de windmolenaar geleidelijk een zeer goede kijk op het weer heeft gekregen en door zijn dorpsgenoten als weerprofeet wordt beschouwd.

Alle molens vangen wind.

Molens malen met geen wind die voorbij is. De tijd wordt verspild.

‘n Mulder kan van de wind alleen niet leven. Dat betekent: hij moest kennis hebben van zijn vak en over goede werktuigen beschikken.

Hij draait met alle winden mee.

Het is inmiddelijk duidelijk dat de molenaar ook ‘s avonds en ‘s nachts moest malen. Het is misschien hieruit wel te verklaren dat er voor de molenaar gelegenheid genoeg was om op zijn molen meisjes te ontvangen om met hen te kunnen ‘malen’. Het nachtmalen zal velen zwaar zijn gevallen en het is daarom geen wonder, dat dit in molenversjes tot uitdrukking komt. Het volgende versje is bij molenaars algemeen bekend:

Het molenaarsleven Heeft Go sons gegeven Maar het malen met de nacht Heeft de duivel erin gebracht.

Ook bekend is het volgende versje:

Of als hij ‘s nachts moet uit zijn kooi Al is het weer dan ook niet mooi Toch moet hij malen, slap of niet Want zonder meel zijn kan hij niet.

De molen naar de wind keren. Zich gedragen naar de omstandigheden.

Naar boven

d) Algemeen.

De molen is door de vang. Er is geen houden meer aan; de zaak is hopeloos, is verloren.

De vang is de klem, waarmee de draaiende as wordt vastgezet; is de molen door de vang, dan heeft men hem niet meer in de macht; dan is hij niet meer tot stilstand te brengen en gebeuren er ongelukken.

Die eerst komt, (die) eerst maalt. Was er wind en werd er dus gemalen, dan verzamelden zich meestal velen bij de korenmolen met een zak graan en dan moest    men uiteraard op zijn beurt wachten.

Als ‘t op is, is ‘t malen gedaan.

Om een schepel graan kan men geen molen bouwen. Een oude man moet niet meer aan trouwen denken.

Daar is meer omgegaan dan de molen in het woud. Er is meer gebeurd dan men denken zou.

Gods molens malen langzaam.

Met een steen kun je niet malen.

De molensteen komt terug in het volgende versje:

Een molenaar die goed kan malen Moet goed op zijn stenen letten Dan leert hij goede kerven zetten En maalt men graan tot meel Voor rijk en arm is evenveel Maar die mij in ‘t weekend komt bezoeken Vindt botte stenen en vuile broeken.

‘t Hangt als een molensteen om zijn hals.

Als de mulders de stenen billen, vertellen ze de waarheid. De stenen billen is het scherpen van de molenstenen.

Tegen een kind met opvallend wit haar zegt men wel eens: • Gij bent er zeker inne van de mulder.

Het zal wel molenpraat zijn. Zei men vroeger wel wanneer men twijfelde aan de juisheid van een verhaal.

Hij werkt als een molenpaard. Hij werkt erg hard.

Zolang de ezel zakken draagt, heeft de mulder hem lief. Vleien gebeurt alleen zolang het voordeel oplevert.

Hij is van bisschop maalder geworden. Hij is arm geworden.

Dat is koren op zijn molen. Dat is naar zijn zin, dat komt hem van pas.

Een stille molen maalt geen meel. Men bereikt niets zonder te werken.

Mijn molen draait niet meer. Mijn gebit is slecht.

Draaien als een molen. Nog al vlug van mening veranderen.

Tenslotte. Bij het samenstellen van de vijf hoofdstukken over de molenaar in het volkslied heb ik niet de intentie gehad volledig te willen zijn. Er zijn veel meer liederen over de molenaar gepubliceerd dan in deze bijdrage zijn verwerkt. Er zijn nog talloze liedbundels en losse liedblaadjes die deze liederen herbergen, deze heb ik bewust niet opgespoord.

Ik heb in mijn verzameling kinderliedjes en -spelletjes ook molenaarsliedjes gevonden. Deze publiceer ik t.z.t. in een aparte rubriek op deze site.

 

Ga naar boven