Wie van de zes krijgt de bruid?

In dit lied kom je de molenaar tegen couplet 9 en 10. Omdat het zo’n aardig lied is met een leuke melodie publiceer ik het hele lied. Ik vond het lied in een aardig boekje: Roem van Amsterdam, het dagelijks leven van weleer in liederen bezongen. Het lied komt al voor in een liedboekje uit 1863: De Haarlemsche Spoorwagen, bevattende vele zedelijke, vrolijke en aangename liederen. Ten dienste van alle fatsoenlijke gezelschappen. De titel van het lied in dit liedboekje is: De keurige minnares, of de moeder met haar zes zonen.

Luisterbestand: Wie van de zes krijgt de bruid.

 

 

 

 

 

 

 

1.
Nu zeg me mijn dochter: wie krijgt u tot bruid?
Ik heb hier een zestal, kom kies er een uit,
Zeg, geeft ge de snijder uw hart en uw hand?
Hij kleedt zich zo deftig als de eerste van ‘t land.

2.
Ja moeder, een snijder, zo netjes, zo mooi
De hoed op drie haren, de rok zonder plooi,
Die man zou mij lijken! Maar keert hij te huis
Dan dieft hij mijn naalden en slaat er een kruis.

3.
Nu zeg me, mijn dochter: wie krijgt u tot bruid?
Ik heb nog een vijftal, kom kies er een uit,
Nu luister naar moeder, zij meent het zo goed
De jager is vrolijk en fier van gemoed.

4.
De jager jaagt lustig het woud op en neer
Naar vluchtende harten, met knallend geweer,
Maar koud is zijn boezem, van steen is zijn hart
Hij zoekt slechts de doden en wekt niets dan smart.

5.
Nu zeg mij mijn dochter: wie krijgt u tot bruid?
Ik heb nog een viertal, kom kies er een uit,
En wilt gij het weten wie moeder u raadt?
De beste der mannen, de trouwe soldaat.

6.
Die knopen, die knevels, die deftige tred
Dat brommen der trommen, die klank der trompet,
Dat moeder, is heerlijk! Maar ach, moet hij heen
Dan zit ik zo lang en zo treurig alleen.

7.
Nu zeg mij mijn dochter: wie krijgt u tot bruid?
Ik heb nog een drietal, kom kies er een uit,
Nu neem dan een visser en luister naar mij
Hij schommelt door ‘t leven zo vrolijk en blij.

8.
De visser verg’ noegt zich met paarlen en goud
Maar blijft al zijn leven voor landmeisjes koud,
En stuurt hij zijn net naar de bodem der zee
Dan nemen de valse Sirenen hem mee.

9.
Nu zeg mij mijn dochter: wie krijgt u tot bruid?
Ik heb nog een tweetal, kom kies er een uit,
De molenaar, dunkt die u beter mijn kind?
Hij maalt altijd vlijtig en leeft van de wind.

10.
Ik mocht wel de vrouw van de molenaar zijn
Die naam klinkt zo deftig, zo aardig, zo fijn,
Maar wee, die bij ‘t buld’ ren des molensteens zit
En kust men dan manlief, dan kust men zich wit.

11.
Nu zeg mij mijn dochter: wie krijgt u tot bruid?
Ik heb er nog één, kom kies die er uit,
En staat u de laatste, de landman niet aan?
Hij voedert het gouden en golvende graan.

12.
De landman is zwart en zijn handen zijn rood
Maar schaft toch een wit stukje smakelijk brood,
Daarom, lieve moeder, die kies ik er uit
De landman, de landman die krijgt me tot bruid.

Ga naar boven