Toen ik voor ‘t eerst bij de molen kwam

Van het volgende lied, Toen ik voor ‘t eerst bij de molen kwam, zijn nogal wat varianten bekend. Het leuke is dat de eerste vier coupletten, uitgezonderd de tussenregels, bijna overal gelijk zijn. Ik behandel er vier:

Toen ik voor ‘t eerst bij de molen kwam.
Toen ik voor ‘t eerst op de molen kwam.
Toen ik voor ‘t eerst op die molen kwam.
Daar was laatst een molenaarszoon.

Toen ik voor ‘t eerst bij de molen kwam.

Deze variant  tekende Ate Doornbosch op in Rolde op 7 februari 1966, inderdaad op dezelfde dag als bovenstaand lied is opgenomen.

Luisterbestand: Toen ik voor ‘t eerst bij de molen kwam.

 

 

 

 

 

 

 

1.
Toen ik voor het eerst op een molen kwam
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Toen ik voor het eerst bij de molen, siedewiedewiet
Toen ik voor het eerst op een molen kwam

2.
Daar zag ik een heel mooi meisje staan
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Daar zag ik een heel mooi meisje, siedewiedewiet
Daar zag ik een heel mooi meisje staan

3.
Ik vroeg of zij met mij wou gaan
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Ik vroeg of zij met mij wou, siedewiedewiet
Ik vroeg of zij met mij wou gaan

4.
Zij zeide van nee, maar zij meende van ja
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Zij zeide van nee, maar zij meende, siedewiedewiet
Zij zeide van nee, maar zij meende van ja

Hierna gaan de varianten zich onderscheiden van elkaar, en hoe! Er gebeurt weer van alles tussen de molenaar en het meisje. Bij twee optekeningen gaan de jongen en het meisje met elkaar naar bed en in het laken zit een grote scheur.
Bij de ene optekening stak de major daar zijn ‘sabel’ deur en bij de andere variant was dat de pastoor. Dit laatste zal best een verspreking zijn, maar je weet maar nooit.
Volgt nu het vervolg van de liedtekst uit Gasselte.

5.
Toen zijn wij tesamen naar huis gegaan
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Toen zijn wij tesamen naar huis ge, siedewiedewiet
Toen zijn wij tesamen naar huis gegaan.

6.
Daar hebben we ons samen uitgekleed
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Daar hebben we ons samen uitge, siedewiedewiet
Daar hebben we ons samen uitgekleed.

7.
Toen zijn we samen naar bed gegaan
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Toen zijn we samen naar bed ge, siedewiedewiet
Toen zijn we samen naar bed gegaan.

8.
In ‘t onderste laken daar zat een scheur
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
In ‘t onderste laken daar zat een, siedewiedewiet
In ‘t onderste laken daar zat een scheur.

9.
Daar stak de major/de pastoor zijn sabel deur
Van je lierom, larom, siedewiedewiet
Daar stak de major/ de pastoor zijn sabel, siedewiedewiet
Daar stak de majoo/ de pastoorr zijn sabel deur.

Bij een optekening uit Bellingwolde, door Ate Doornbosch op 7 april 1964, gebeurt er iets anders na de vier inleidende coupletten. Hier heeft de vrijage duidelijk gevolgen gehad. Volgt nu de muzieknotatie en het eerste couplet, gevolgd door de overige coupletten.

Naar boven

Toen ik voor het eerst op de molen kwam.

Luisterbestand: Toen ik voor het eerst op de molen kwam. (Bellingwolde).

 

 

 

 

 

 

 

5.
We zijn tesamen naar het riet gegaan
Van je lèri, lèri, falderaldera
We zijn tesamen, siedewiedewiet
We zijn tesamen naar het riet gegaan.

6.
En het riet was lang en de meid was kort
Van je lèri, lèri, falderaldera
En het riet was lang, siedewiedewiet
En het riet was lang en de meid was kort.

7.
En toen heeft ze haar rokjes opgeschort
Van je lèri, lèri, falderaldera
En toen heft ze haar rokjes, siedewiedewiet
En toen heeft ze haar rokjes opgeschort.

8.
Toen het kindje op de wereld kwam
Van je lèri, lèri, falderaldera
Toen het kindje op de, siedewiedewiet
Toen het kindje op de wereld kwam.

9.
Toen had het een paar houten klompjes aan
Van je lèri, lèri, falderaldera
Toen had het een paar, siedewiedewiet
Toen had het een paar houten klompjes aan.

10.
Een paar klompjes met een bosje stro erin
Van je lèri, lèri, falderaldera
Een paar klompjes met een, siedewiedewiet
Een paar klompjes met een bosje stro erin.

11.
En dat was naar de boer zijn zin
Van je lèri, lèri, falderaldera
En dat was naar de, siedewiedewiet
En dat was naar de boer zijn zin.

Bij een veldopname uit Hoogkerk, gedaan door W. Scheepers, een medewerker van het Volksliedarchief te Amsterdam,
op 16-5-1954, komen twee coupletten voor die je niet aantreft in varianten. Het gaat om couplet 12 en 13 van dit lied.

12.
En die dit liedje heeft gedicht
Van je lirom, larom, falderaldera
En die dit liedje, sidewidewiet
En die dit liedje heeft gedicht.

13.
En die kan naaien zonder licht
Van je lirom, larom, falderaldera
En die kan naaien, sidewidewiet
En die kan naaien zonder licht

Op 11-11-1968 werd het lied opgenomen in Milheeze te Noord-Brabant, door Ate Doornbosch. Couplet 8 en 9 kom je ook niet tegen bij andere tekstvarianten. Het fietsen heeft natuurlijk helemaal niets met ons thema molen/molenaar te maken, is waarschijnlijk door een of andere vrolijke feestganger toegevoegd.

8.
En wie dit liedje heeft gedicht
Van knoldrie, seldrie, tjoeke, tjoeke, tjoek
En wie dit liedje heeft, van sjoek, sjoek, sjoek
En wie dit liedje heeft gedicht

9.
Die kan wel fietsen zonder licht
Van knoldrie, seldrie, tjoeke, tjoeke, tjoek
Die kan wel fietsen zonder, van sjoek, sjoek, sjoek
Die kan wel fietsen zonder licht.

In Twents Volksleven, pag. 74 staat hetzelfde lied, alleen de eerste vier coupletten zijn daar opgetekend. Er staat als commentaar bij: Te Weerselo genoteerd, veel gezongen omtrent Sint Joapke (de oogsttijd).

Naar boven

Toen ik voor ‘t eerst op die molen kwam.

Luisterbestand: En toen ik voor ‘t eerst op die molen kwam

 

 

 

 

 

 

1.
En toen ik voor ‘t eerst op die molen kwam
Van je lierom larom falderaldera,
En toen ik voor ‘t eerst, sirresirrewit
En toen ik voor ‘t eerst op die molen kwam.

2.
En toen zag ik verre een mooi meisje staan
Van je lierom larom falderaldera,
En toen zag ik verre, sirresirrewit
En toen zag ik verre een mooi meisje staan.

3.
En toen vroeg ik haar of ze mee wilde gaan
Van je lierom larom falderaldera,
En toen vroeg ik haar, sirresirrewit
En toen vroeg ik haar of ze mee wilde gaan
4.
Zij zeide van nee en ze meende van ja
Van je lierom larom falderaldera,
Zij zeide van nee, sirresirrewit
Zij zeide van nee en ze meende van ja.

Na deze vier zeer onschuldige Twentse coupletjes staat er in het Twents liedboek een meer ondeugende tekst waarvan ons de strekking inmiddels bekend voorkomt. Met als inleidend commentaar: Op de wijze van ‘Daar was laatst een meisje loos’ zong men er, (te Weerselo dus, B.H.), ook wel het volgende liedje:

Naar boven

Daar was laatst een molenaarszoon.

1.
Daar was laatst een molenaarszoon
Die kon er malen (2x)
Daar was laatst een molenaarszoon
Die kon er malen zo drommels schoon.

2.
Hij keek door het molengat
Zag er een meisje (2x)
Hij keek door het molengat
Zag ere en meisje al op het pad.

3.
Hij riep: meisje, kom er eens hier
Hier op mijn molen (2x)
Hij riep: meisje, kom er eens hier
Hier op mijn molen is heel veel plezier.

4.
En het meisje liet zich gaan
Ze is met de mulder (2x)
En het meisje liet zich gaan
Ze is met de mukder naar boven gegaan.

5.
Onder het malen van grof en fijn
Dronken ze samen (2x)
Onder het malen van grof en fijn
Dronken ze samen een glaasje wijn.

Ga naar boven