Kluchtje van een windmolen

De volledige titel van dit lied is: Kluchtjen van een windt-molen die in Brabandt gemaeckt is, waer op dat-men de vrouwen en dochters hermaelt die vol gebreken zijn. Stemme: De weirelt gaet verkeert.

Dit lied komt uit een zeldzame liederenbundel, Nieuw Lied-boeck genaemt den Maegdekrans, gevlochten ter ere ende tot vermaeck der Nederlandsche vrijers en vrijsters. Uitgegeven door Jacobus de Ruyter, klerk te Veurne, 1712. De hele tekst trof ik aan in een bijdrage van Hervé Stalpaert in Oostvlaamsche Zanten, nr. 6, 1965: De verjongingskuur bewerkt door molenaar en bakker, smid en stoker. Ik ga de nu volgende coupletten vrijelijk in het Nederlands vertalen en houd me zo dicht mogelijk bij de originele tekst.

1.
Weduwe- vrouwkens al
‘k Moet u wat vreemds vertellen
En meiskens in ’t getal
’t Zijn geen bagatellen
Een mulder in Brabant
Kan u-lieden (jullie) nu vermalen, plesant
Voor die hebben veel kwalen
Spoed u naar dat land.

2.
Voor vijftien stuivers geld
Geeft elk een ander wezen
Zijt gij mismaakt gestelt
Hier kon jij zijn genezen
Die vuil en pokkig zijn
Kreupel, blind of mank geboren. Hoort mijn
Of ’t maagdom heeft verloren
’t Dient tot medicijn.

3.
Al die hun drinken stom
Of hebben scheve benen
Gebuit (gehuit), gebult of krom
Vermaalt hij recht met enen
Al waard gij honderd jaar
Oude wijven zonden tanden. Te gaar
Of die draagt krom zijn handen
Maalt hij fris en klaar.

4.
Sa mannen wie gij zijt
Die hebben kwade grieten
Ras naar de molen rijdt
Laat het u niet verdrieten
Vuile poppen maakt gedaan
Die bij nachten domineren. Wilt gaan
En u laten karesseren
Stelt u op de baan.

5.
Al die zijt oud en koud
En nog eens tracht te paren
Gaat naar de molen stout
Vol rimpels en grijze haren
Al waar uw’ vel zo swert
Als een berookte schouwe. Dat smert
Gij lied’ zult weer vertrouwen
Zo ’t vermalen werd.

6.
Dochters die ’t maagdom heeft
Verkocht of weggeven
Komt daar men ’t wedergeeft
Wilt u op de weg begeven
Die vuil of pokkig zijt
Die van ieder wordt versteken. ’t Is tijd
Gij zult uw’ kwade gebreken
Met een wezen kwijt.

7.
Zijt gij van werken moe
Gij meiskens van ’t geweie
Rijd naar de molen toe
Daar zult gij u verblijen
Als u de molenaar
In zijn molen zal trekken. Te gaar
En al die vuile plekken
Zal uit vrijen daar.

8.
Mannen kwalijk getrouwd
Met zatte en boze wijven
Die altijd kijft en knouwt
Ja somtijds vechten, kijven
Daar het schreminckel (scharminkel) roert
Doet die dronken zeug vermalen. Haar voert
Naar Brabant zonder falen
Daar die molen toert.

9.
En kont gij die zottin
Naar de molen niet dragen
Voert ze naar Brabant in
Op een vuile kruiwagen
Al is hij wat bestront
Dat en zal dat niet besmetten. Haar mond
Wilt ze op de wagen zetten
Sleep haar weg terstond.

10.
Veel zijn er op de weg
Vrouwen en dochters mede
’t Is zo gelijk ik zeg
Van ’t land als uit de stede
Veel meiskens vuil en net
Ziet men door de molen rukken. Zo net
Die springen op twee krukken
Worden recht gezet.

11.
De molenaar van dit land
Die kan nu domineren
Hij krijgt veel geld op d’ hand
En à la mode kleren
Zij duizend op een dag
Die aldaar worden vermalen. Ach, ach
Van Vlamingen en Walen
Krijgt een goed gelag.

12.
Die vol gebreken zijt
Wilt hier niet lange blijven
Ras naar de molen rijdt
Laat uwen naam opschrijven
Al zijt g’uw maagdom kwijt
En laat het u niet verdrieten. Altijd
Gij lied’ zult vreugt genieten
En wezen verblijdt.

Ga naar boven