Des winters als het regent

De tekst komt uit het Haerlems Oud Liedboek, z.j. en wordt ook wel genoemd: Van ‘t loze vissertje. Merk op dat dit liedboek uit Haarlem zijn 27ste druk beleefde in 1716.

Luisterbestand: Des winters als het regent.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Des winters als het regent
Dan zijn die paadjes diep, ja diep
Dan komt dat loze vissertje
Al vissen in dat riet,
Met zijne rijfstok, met zijne strijkstok
Met zijne lapzak, met zijne knapzak
Met zijne leren, van dirre dom deren
Met zijn leren jasje aan.

2.
Dat loze molenarinnetje
Ging in haar deurtje staan, ja staan
Omdat dat aardig vissertje
Voor bij haar henen zou ga mag gaan,
Met zijne rijfstok etc.

3.
Wat heb ik jou bedreven
Wat heb ik jou misdaan, ja daan
En dat ik niet met vreden
Voorbij jouw deurtje mag gaan,
Met zijne rijfstok etc.

4.
Gij hebt mij niet misdreven
Gij hebt mij niets misdaan, ja daan
Maar gij moet mij driemaal zoenen
Eer gij van hier moogt gaan,
Met zijne rijfstok etc.

Ga naar boven