De molenaar en het meisje

In: Liederen en dansen uit West-Friesland, pag. 114, van B. Veurman en D. Bax, staat een zeer uitgebreid molenaarslied met maar liefst achttien coupletten. Het is het zeer vermakelijke verhaal van: De molenaar en het meisje.

Luisterbestand: De molenaar en het meisje.

 

 

 

 

1.
Daar was laatst een mool’naarszoon
Hij kon malen, hij kon malen
Daar was laatst een mool’naarszoon
Hij kon malen wonderschoon.

2.
Hij keek door het mool’naarsgat
En zag een meisje en zag een meisje
Hij keek door het mool’naarsgat
En zag een meisje dat rustig zat.

3.
Hij riep: meisje hoort eens hier
Op mijn molen, op mijn molen
Hij riep: meisje hoort eens hier
Op mijn molen voor plezier.

4.
Onder het malen van grof en fijn
Zullen wij drinken, zullen wij drinken
Onder het malen van grof en fijn
Zullen wij drinken een glaasje wijn.

5.
Het meisje dat hem had verstaan
Is naar boven, is naar boven
Het meisje dat hem had verstaan
Is naar boven toe gegaan.

6.
En zij waren zeer verblijd
Deze mool’naar, deze mool’naar
En zij waren zeer verblijd
Deze mool’naar met zijn meid.

7.
Maar na korten tijd voorwaar
Werd dat meisje, werd dat meisje
Maar na korten tijd voorwaar
Werd dat meisje van hem zwaar.

8.
Hij liet het meisje met haar kruis
Toen ging zij wonen, toen ging zij wonen
Hij liet het meisje met haar kruis
Toen ging zij wonen over zijn huis.

9.
Maar ziet, negen maandjes daarna
Kwam er een jonge, kwam er een jonge
Maar ziet, negen maandjes daarna
Kwam er een jonge molenaar.

10.
Deze meid ging heel gezwind
En liet brengen en liet brengen
Deze meid ging heel gezwind
En liet brengen bij hem het kind.

11.
Zij liet het leggen proper en net
In zijn molen, in zijn molen
Zij liet het leggen proper en net
In zijn molen op zijn bed.

12.
En toen hij kwam ‘s avonds thuis
Vroeg hij zijn moeder, vroeg hij zijn moeder
En toen hij kwam ‘s avonds thuis
Vroeg hij zijn moeder naar ‘t gedruis.

13.
Hij riep: moeder, wat is dat
Wat hoorde ik huilen, wat hoorde ik huilen
Hij riep: moeder, wat is dat
Het schreeuwt gelijk een jonge kat.

14.
Zijn moeder antwoordde heel gezwind
En zei: mijn jongen en zei: mijn jongen
Zijn moeder antwoordde heel gezwind
En sprak: mijn jongen, ‘t is uw kind.

15.
Toen nam hij het kind terstond
En ging zoeken en ging zoeken
Toen nam hij het kind terstond
En zocht tot hij de moeder vond.

16.
Toen gingen ze trouwen met elkaar
Hij gaf bruiloft, hij gaf bruiloft
Toen gingen ze trouwen met elkaar
Met meisje met de molenaar.

17.
Dus meisjes, wacht u allegaar
Voor het malen, voor het malen
Dus meisjes, wacht u allegaar
Voor zo’n dapperen molenaar.

18.
Hij kon malen zonder wind
Op zijn molen, op zijn molen
Hij kon malen zonder wind
Met zijn meisje heel gezwind.

De melodie en bovenstaande tekst zijn genoteerd bij dokter G.C. van Balen Blanken (1852-1939), huisarts te Spanbroek, West-Friesland. Veurman/ Bax hebben het volgende commentaar bij dit molenaarslied:

´De molenaar is vanouds in het Nederlandse volkslied en in dat van vele andere Europese volken degene, die de boeren bedriegt (hij steelt hun het graan uit de zakken) en die niet uitmunt in kuisheid. Hij is o.i. de obscene figuur geworden die in tientallen liederen en verhalen optreedt, omdat de coïtus vergeleken wordt met het malen der molenstenen. Daar werkwoorden die coire betekenen, veelvuldig de betekenis van ‘ bedriegen’ aannemen, is het mogelijk dat de erotische sfeer die om het woord molenaar hing, het geloof, dat molenaars aartsbedriegers zijn, heeft doen ontstaan of versterkt heeft. Allerlei woorden, die iets met het molenaarsbedrijf uit te staan hebben, kunnen een obscene betekenis krijgen.
In ons lied heeft ‘ malen’ zulk een bijbetekenis.´

Volgens Veurman/Bax zijn er nogal wat Nederlandse redacties van dit lied, het komt in een aantal liedboekjes voor en op losse liedblaadjes (De molenaar met zijn meisje), allemaal uit de 18de en 19de eeuw.

Ook op Terschelling en in de provincie Groningen was dit lied bekend, het staat ook met 18 coupletten in Terschellinger Volksleven van Jaap Kunst. Van deze optekening ‘leenden’ we het twaalfde couplet en voegde dit toe aan de coupletten van De molenaar en het meisje. Kunst geeft als commentaar bij dit lied:
´Waarom, weet men niet, maar in alle oude liederen, waarin molenaars voorkomen, zijn het altijd bedriegers of losbollen. Zozeer was men hier algemeen van doordrongen, dat talrijke termen, die betrekking hadden op hun bedrijf, een sexuele bijbetekenis kregen.´
Kunst noemt nu de ‘meelbuidel’, voorkomend in lied 50 uit het Antwerps Liedboek een teken van zinnelijke liefde.
Hij citeert m.i. wat ongelukkig uit dit lied: hij gebruikt de laatste zin uit het tweede couplet en de eerste twee zinnen uit het derde couplet.
U kunt het nalezen op de site: www.liederenbank.nl.

Ga naar boven