Het jodenkind

Een aantal katholieke kinderen neemt een Joods vriendinnetje mee naar de kerk en ze gaan samen te communie. Het jodenkind vertelt dit zeer enthousiast tegen haar vader, een glasbewerker, die hierom zo boos wordt dat hij zijn dochter in de oven smijt. Haar moeder redde haar evenwel levend uit de oven en dat was natuurlijk het werk van God. De moeder heeft zich bekeerd en de vader stierf in ‘ramp en smart’.

Rolf Janssen tekende dit lied op, uitgezonderd het eerste couplet bij mevrouw de Rooy en haar zus, mevrouw Wellens in Goirle. Ikzelf kon het lied optekenen bij mevrouw Schelle – Habraken uit Udenhout en kwam de liedtekst tegen in het liedjesschrift van mevrouw Van Roy – van Heeswijk en mevrouw Slijters – Van Aarle uit Schijndel. Aan de hand van deze gegevens maakte ik een tekstreconstructie uitgaande van een acht-regelig rijmschema dat mij bij slechts één couplet in de steek liet. De melodie is een opname uit Eindhoven van een medewerker van het P.J. Meertens Instituut uit Amsterdam: Ate Doornbosch.
Let op: de melodie is uitgeschreven met het tweede couplet en dat komt omdat het eerste couplet om een of andere reden nooit gezongen en/of genoteerd wordt in liedjesschriften.

Luisterbestand: Het jodenkind.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Komt jong en oud, komt groot en klein
Komt hier en wilt opmerken
Gij die wilt katholieken zijn
Hoort Jezus’ wonder werken
Al die het voor onwaarheid dacht
Het was niet van katholiek geslacht
Te twijfelen hier met reden
Aan Gods almogendheden.

2.
’n Jodenkind alhier ter stee
Onnozel jong van jaren
Ging met de christenkind’ren mee
Die speelgenootjes waren
Die kinderen waren eens bereid
Aanschouw toch hun onnozelheid
Om naar de kerk te treden
Zij namen het jodenkind mede.

3.
De christenkind’ren met elkaar
Gingen met groot verlangen
En naderden tot Gods altaar
Om Jezus te ontvangen
Gebiecht in ware deugdelijkheid
En dus geheel en al bereid
En alles naar behoren
De dag al van te voren.

4.
Maar het onnozel jodenkind
Wist niet wat het was beleden
Was met de anderen welgezind
Ter communiebank getreden
Het knielde naast de anderen neer
De priester reikte ’t Onze Heer
Zonder iets op te merken
Het waren hier Gods wondere werken.

5.
Het jodenkind in vrolijkheid
Ging heen met haar gezellen
Verheugd en zeer verblijd naar huis
Haar vader dit vertellen
Hoe dat zij was ter kerk gegaan
En Jezus had ontvangen
Het keek zo lief haar vader aan
Gods liefde had haar bevangen.

6.
Zodra de vader dit vernam
Wat haar was wedervaren
Werd hij zo uitermate gram
Het bloed stolde in zijn aderen
Hij nam verwoed het meisje ras
Omdat hij glasbewerker was
En stopte het in de oven
Maar God zond hulp van boven.

7.
De moeder die het kind vermist
Vraagt rond bij alle buren
Maar niemand weet al waar het is
Zij zoekt reeds een paar uren
Doch waar zij zoekt, zij vindt het niet
Tot hare wanhoop en verdriet
Door alle straten samen
Roept zij het bij haar name.

8.
Doch toen zij langs de werkplaats kwam
En ging de oven nader
Het leek haar of ze een stem vernam
Die riep: genade, vader
Ach wil de oven open doen
De moeder was gans ontsteld toen
Opent die gloeiende oven
Het was Gods werk van boven.

9.
Toen zij de oven opendeed
Mijn kind hoe is dat gekomen?
Ach, vaderlief deed mij dat leed
Die heeft mij opgenomen
Want vader was op mij zo gram
Dat hij mij smeet in vuur en vlam
Maar ’t vuur kon mij niet hinderen
Ik was een van Jezus kinderen.

10.
De moeder werd door ’t kind bekeerd
Zij heeft de doop ontvangen
Ook hebben ze ons lief vrouw vereerd
Met dankbare betraande wangen
De Jood bleef echter steeds verhard
Stierf onbekeerd in ramp en smart
Maar kind en moeder beiden
Vereerden saam Jezus lijden.

Ga naar boven