De vondeling

De volgende liedtekst is een reconstructie naar aanleiding van een aantal optekeningen die ik van dit lied kon maken. Ik nam het lied, of fragmenten ervan op bij:
• Toon Gevers in Loosbroek
• Mevrouw Blummel- Schellekens en haar zus Jana in Schijndel,
• Mevrouw Jana van der Donk in Den Dungen,
• Mevrouw Van Grunsven- van der Zanden in Vorstenbosch en
• Mevrouw Schelle – Habraken in Udenhout.

Als je het thema van dit lied bekijkt is het wel duidelijk waarom dit lied zo populair geweest moest zijn. Vader is in de oorlog en moeder heeft uit armoe haar kind te vondeling gelegd. Op een briefje dat zij achterliet bij het kind schreef zij dat het kind wel gedoopt moest worden. Het kind kon later goed leren en werd priester en wat er dan komt is heel gemakkelijk te raden. De vader komt uit de oorlog, wil zijn zonden opbiechten en kwam terecht bij zijn zoon, die de biecht afnam bij zijn vader.

Wat betreft de namen die voorkomen in de liedtekst.

* De zoon:
Apolido heet in andere tekstvarianten, die te vinden zijn in de Liederenbank: Napoleon, Apolion of Frans Ferdinand.
* De moeder:
Amalia heeft als alternatieve namen: Amilea, Armelia, Maria of Lucia.
* De vader:
Albert heet ook wel eens Alfred.

Voorlopig geef ik de melodie zoals die genoteerd is in Tilburg in 19725 door Ate Doornbosch.

Luisterbestand: De vondeling1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Ach vrienden, aanhoort Gods wonder werken
Wat ene vrouw van armoe heeft gedaan
Zij legde een kindje pas geboren
Te midden al van ene waterkant
Zij beminde en sprak: mijn enigst kind
God weet wanneer ik uwe vader vind.

2.
Zij legde een briefje daarbij neder
Dat ’t in de Roomse kerk moest worden gedoopt
Dat Apolido zijn naam moest wezen
En Amalia zijne moeder toebehoort
En wenend nam zij toen haar afscheid
Uw vader Albert die is in de strijd.

3.
Er kwam een priester aangetreden
Hij riep: o, God wilde gij mij bijstaan
Hier ligt een kindje pasgeboren
In het midden van deze waterkant
Hij las het briefje en hij was zo blij
Hij nam het mee naar zijne pastorij.

4.
Hij wist het kindje goed te verzorgen
Hij bracht het naar een goede, brave vrouw
Die zelf twee kinderen had in ’t leven
En voor het derde nog wel zorgen zou
Toen Apolido had achttien jaar bereikt
Werd hij als student op school geleid.

5.
Apolido kwam goed te leren
Het verwonderde de pastoor altijd
En met zijn vijfentwintig jaren
Werd hij als priester Gods gewijd
En dan bad hij vurig in misbedien
Of hij zijn lieve vader eens mocht zien.

6.
Zijn moeder die moest alle dagen
Al om een aalmoes om bedelen gaan
Op een keer ontmoette zij twee soldaten
Die vroegen haar, vanwaar zij kwam vandaan
Zij sprak: goede lieden, maak toch geen geruis
Wij gaan ons verschuilen onder Christus’ kruis..

7.
De ene vroeg haar om een priester
Want z’n jeugdig hart was vol van pijn
Hij zou zo graag eens willen biechten
Dan zou zijn hart geruster zijn
Dat was voor de priester ene wondermacht
Hier neemt een kind zijn vaders zonden af.

8.
Toen Apolido hat ‘Ons Heer’ had gegeven
Bad hij de goede God gedurig aan
Of dat er zijne vader nog zou zijn in ’t leven
Of weldra naar de oorlog zou gaan
Apolido, God weet al waar hij leeft
Die als vondeling hier al op deez’ aarde leeft.

Ga naar boven