Van ene rijke boer.

Deze tekst komt uit een liedjesschrift van Christiaan van de Laar uit Esch. Ik heb hem nooit gekend, maar kreeg zijn liedjesschriften eens van iemand die wist van mijn interesse voor volksmuziek. Van de Laar schreef zijn teksten op in het begin van vorige eeuw, omstreeks 1906. Dat weten we omdat hij een datum noteerde op het einde van zijn pennenvruchten. Ik heb een willekeurige bladzijde uit dat schrift gescand, met plaatsnaam en datum.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van de Laar noteerde geen titels bij zijn teksten. Maar ik kwam hetzelfde lied tegen in een liedjesschrift van G. Vriens uit Haaren en daar was de titel: De rijke boer. Ik heb het lied ook nog eens opgenomen bij mevrouw Schelle -Habraken in Udenhout, dat was om precies te zijn op 7 juni 1977. Zij zingt niet van een rijke boer maar zij begint het lied met:

’t Is van ene Waalse boer
Hoort hoe die laatst maal voer etc.

Verder is haar tekst erg gebrekkig.

Ik kwam het lied, met telkens een andere titel, nog in drie liedboeken tegen:
De schoenlapper uit Liederen en dansen uit de Kempen, van Harrie Franken.
Het liedeken van Katoken uit Honderd oude Vlaamse liederen, door Jan Bols, uitgegeven in 1897.
De bedrogen boer uit Oudkempische volksliederen en dansen, van Theophiel Peeters.

Peeters tekende het lied op in 1909 te Zammel, toen had Christiaan van de Laar uit Esch zijn tekst al drie jaar in zijn schrift staan. Onderstaande melodienotatie komt uit Peeters.

Luisterbestand: De bedrogen boer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Ja vrienden, hoort naar mijn vermaan
De klucht die ik zal zingen gaan
De wereld die is vol bedrog
Wat ik u zing, geschiedt er nog
Van enen rijke boer
Hoort hoe hij laatst nog voer
Hij deed niets dan razen
Van zijn land, bos en kant
Snoeven en blazen
Op zijn geld en groot verstand.

2.
De boer die had een dochter dan
Zij was genegen tot een man
Zij werd gevrijd van Peer en Pauw
Meer om het geld dan om de vrouw
Maar ene die haar mint
Was ook een enigst kind
Van ene rijke pachter
In ’t gewin, vol van min
Hij moest niet staan van achter
Om te trouwen een boerin.

3.
Jan Peer die vraagt zijn lief het woord
Die deed haar vader het transpoort
Of dat zij trouwen mocht met Jan
Zijn vader heeft een goed gespan
Vier paarden in getal
Tien koeien op de stal
En een grote hoop van zwijnen
En daarbij, meer dan wij
Vele kiekens en konijnen
Lopen op zijn pachterij.

4.
De boer die sprak: mijn kind Katrien
Dat wil ik nu of nooit niet zien
Ik heb wat anders in de zin
Want gij dient er voor geen boerin
Waar gij uw zin op stelt
Ik ben voorzien van geld
Gij zijt nog jong van jaren
Simpel meid, wacht uw tijd
Gij zult veel beter varen
Trouwt een man van kwaliteit.

5.
Jan Peer die vraagt zijn lief bescheid
Wat hare vader heeft gezeid
Zij deed haar lief het compliment
Als dat hij er niet mee was content
Ik zeg voor ’t laatst adju
Mijn vader wil aan u
Mij niet ten huwelijk geven
Wilt verstaan, mijn vermaan
Want het boerinnenleven
Dat staat mij niet meer aan.

6.
Jan Peer die hoorde tot zijn pijn
Als dat Cato moest juffrouw zijn
Hij nam dan van zijn lief afscheid
Gij zult nog leren met ter tijd
Hij dacht ik heb gans blind
Nog enen arme vrind
In de stad Rijsel wonen
Kloek van moed, zonder goed
Ik zal de boer belonen
Voor de afgrond die hij mij doet.

7.
Jan Peer die schreef dan enen brief
Al naar het afscheid van zijn lief
Hij liet die steeds naar Rijsel doen
Naar Dries, de lapper van oude schoen
Die kwam na korte tijd
Jan Peer heeft hem gezeid
Gij moet mij niet verklappen
Mijn kozijn, houd u fijn
Gij moogt geen schoenen lappen
Als gij Catokes man wilt zijn.

8.
Jan Peer heeft hem in staat gesteld
En zijne zak voorzien van geld
Met een degen op zijn gat
Hij pronkte als een keizerskat
Heel proper, mooi en net
Gelijk een Frans cadet
Ging hij Catoke minnen
Heel present, onbekend
Zij liet de lapper binnen
Vraagde aan haar Mom Peer consent.

9.
Mom Peer die vraagde op zijn pas
Wat zijn beroep en afkomst was
Hij zei: ik ben doktoor bekend
Te Rijsel is mijn logement
Een man van grote staat
Door mijne wijze raad
Kom ik uw dochter trouwen
Vader zoet, mij voldoet
Het zal u nooit berouwen
Want ik heb veel geld en goed.

10.
Mom Peer die vraagt al aan zijn kind
Of dat zij was doktoor gezind
Dan leert ge Frans en goed latijn
’t Is beter dan boerin te zijn
Een man van groot verstand
Cato die gaf haar hand
Aan Dries de schoenlapper
En haar blom, bont en dom
Die trouw was gauw en dapper
En Jan Peer die lacht zich krom.

11.
Mijnheer doktoor was zeer verblijd
Zodra hij werd in huis geleid
Hij heeft Catoke al geleerd
Van al wat hem ’t meest mankeert
En nu op staande voet
Ontsluit hij al zijn goed
Een mand met oude schoenen
Heel ’t gesnoer, bracht hem voor
De boer die riep kapoenen
Is dat van mijnheer doktoor.

12.
Catoke vraagt aan hare man
Waar blijft uw geld en meubels dan
Hij sprak dit is mijn heel sieraad
Van mijn gedrag en hoge staat
De boer die berst van spijt
Als hem zijn dochter zeid’
Mom Peer wij zijn bedrogen
Door uw fout, die mij rouwt
Het heeft aan u gelegen
Of ik had Jan Peer getrouwd.

13.
Dus meisjes als ik u raden moet
Al heeft uw vader geld en goed
Trouwt zo dan geen mijnheer doktoor
Want gij komt in dat zelfde spoor
Trouwt liever Jan of Toon
Een boer of pachterszoon
Als met een schoenenlapper
Tot uw spijt, en verwijt
Al is hij zesmaal knapper
Dan de jonkman die u vrijt.

Ga naar boven