De boer en de ezel.

Christiaan van der Laar uit Esch (N.B.) heeft aan ’t begin van de 20ste eeuw een aantal schriften volgeschreven met liedjes, vertelsels en voordrachten. Na elke tekst schreef hij er een datum onder, erg handig, nu weten we in welke periode dit repertoire gekend was. Van der Laar gaf al zijn schriften aan Harrie Beex, maker van o.a. het lied van Hertog Jan, en deze gaf de schriften weer aan mij, tijdens een van mijn bezoekjes aan hem.

Ik vond het lied in Wereldlijke Volksliederen, van Jan Bols, uitgegeven in 1949, slechts met acht coupletten. De variant zoals Bols die optekende heeft een afwijkend einde van elk couplet en de twee ontbrekende coupletten haalde ik van een los liedblad vanaf de Liederenbank, nu is de tekst volledig. We gaan nu de melodie geven zoals Bols die noteerde, met wat kleine aanpassingen om het wat zingbaar te maken! Daarna volgen de tien coupletten.

Luisterbestand: Lied van de ezel.

1.
Zeg vrienden tot vermaak, blijf hier een weinig staan
Wat vieze rare zaak ik u zal zingen gaan
Van enen lompe boer, die met zijn ezel voer
Te Rijsel op de markt, wat vieze rare grap
De klucht moet zijn beschreven, want zij is de moeite waard
Van ladrie tralala (bis).

2.
Hij is op de markt gekomen, met zijn kar en ezelbeest
Daar heeft hij toen vernomen hoe een ieder was bevreesd
Voor ziekten en gevaar, van ’t een en ‘t ander daar
Hoe Rijsel was gesteld. ’t Is om bevreesd te zijn
Hoe Rijsel was beladen met de pokken groot en klein
Van ladrie tralala (bis).

 

 

 

 

Lino: Rolf Janssen.

3.
De boer begon te beven, als hij op de ezel docht
Hij is niet lang gebleven als hij had zijn waar verkocht
Hij heeft zijn vrouw verteld, hoe Rijsel was gesteld
Ach vrouw, wat ongeval wacht ons beest op stal
Ik vrees dat onze ezel ook de pokken krijgen zal
Van ladrie tralala (bis).

4.
De vrouw was heel verslonden, sprak: ach man geloof me vrij
Dan is ons beest geschonden want het is zo’n lieve prij
Hij wordt gevisiteerd, dan daar geapprobeerd
De pokken slaan al vlug op ’t beestje zijnen rug
Twee bultjes vers gebeten van een vlieg of een mug
Van ladrie tralala (bis).

5.
De boer zonder wachten, liep naar een dokter ras
Mijnheer had geen gedachten, dat ’t voor de ezel was
Hij leidt hem in de stal, hier staat mijn beestje al
En of gij ’t zegt of niet, dat beestje lijdt veel verdriet
Gij moet de smid gaan halen want dat is mijn ambacht niet
Van ladrie tralala (bis).

6.
De smid is gene kwezel, doch de boer is half zot
De meester en de ezel waren beide even bot
Men schrijft dan op papier, een stoopje Lovensbier
Gekookt heel excelent, met vijgen en krent
Zo doet men de klisterie in deez ezels fondament
Van ladrie tralala (bis).

7.
Karel, Jan en Steven kwamen uit op dit geraas
De man en vrouw verwezen, waren evenzeer verbaasd
En daar moet zuipen zijn, gemaakt van Rijnse wijn
Om aan de ezel te geven voor een medicijn
De ezel die moet schijten want het beest heeft grote pijn
Van ladrie tralala (bis).

8.
De vrouw die haalt een kussen, heeft dat op de vloer gelegd
De ezel om te rusten, wordt daarop zijn hoofd gelegd
En toen sprak deze vrouw, al met zeer grote rouw
Geburen toch geloofd, dat beestje heeft pijn in ’t hoofd
De ezel door de pokken is van zijn verstand beroofd
Van ladrie tralala (bis).

9.
De ezel door ‘t verwarmen als hij had zijn zuipen beet
Door het roeren van zijn darmen liet hij een frisse scheet
De man riep met spoed: zeg vrouw heb goede moed
Hij streelt hem over zijn gat, zeg beestje schijt nog wat
En al de buren wensten hem proficiat
Van ladrie tralala (bis).

10.
De man liep naar boven, sprak: och vrouw we zijn verlost
We mogen de Heer loven, doch het heeft geld gekost
Ach man dat is een leer, rijdt naar die stad niet weer
Houd onze ezel rein van markten groot en klein
Zolang als de pokken nog in de stad van Rijsel zijn
Van ladrie tralala (bis).

Ga naar boven