Mijn vader was een scharensliep.

Dit is duidelijk een variant van het voorafgaande liedje over de scharenslijper. Ik leerde deze van mevrouw P. Heessels – van Maaren uit Schijndel, dat was in 1984. Haar moeder, Maria den Otter, schreef de tekst in een liedjesschrift. Boven de tekst staat: Bokstel 2 februari 1907. En met Bokstel wordt nu de plaats Boxtel bedoeld.

1.
Zeg vrienden in het groot en klein
Zeg vrienden van zo’n rare dingen
Kom, wil mij eens aandachtig zijn
Ik wil mijn familie eens gaan bezingen
Het zal u worden uitgeduid
Waar dat een ieders bloed uitspruit.

2.
Mijn vader was een scharensliep
Zeer deftig aan de kost gekomen
Omdat men hem terug beriep
Als hij iets had weggenomen
Zeer jammer dat zo’n deftig man
Niet zonder stelen leven kan.

3.
Mijn moeder had een appelkraam
Daarbij kan zij goed kleren lappen
Zij was een vrouw van goede naam
En liet zich niet op tenen trappen
Maar als men ’t bij haar had verbruid
Trok zij terstond haar klompen uit.

4.
Mijn oudste broer werd flink soldaat
Later koopman in oude kleren
Hij werd armoedig in zijn staat
En ging behoorlijk stelen leren
En nu hebben zij die schalkse guit
Voor twee jaar achter het slot geduid.

5.
Nu heb ik nog een zusje fijn
Dat mag ik daarbij niet vergeten
Zij is er in de maneschijn
Met ene Fransman weggestreken
En nu zit zij, die zotte griet
Alleen te wenen in haar verdriet.

6.
Dan heb ik nog een oom en tant’
Die mag ik ook al niet vergeten
Die hebben aan de waterkant
Ruim tien jaar achter het slot gezeten
En boven dat, ik zeg nog wat
Het brandmerk op de rug gehad.

7.
Nu heb ik nog nichten en neven met de gros
’t Is allemaal een en ’t zelfde …..
Krom, lelijk, scheef en aardig ras
Men zou er zelfs de straat mee schuren
’t Is allemaal een en hetzelfde beslis
Gelijk mijn hele familie is.

8.
En wilt ge weten wie ik ben
Hoor dan mijn vrienden altegader
Ik ben het zoontje van mijn moe
En het kindje van mijn vader
En ik gelijk aan allebei
Dus steekt er niet veel goeds in mij.

Ga naar boven