Mijn vader is een scharenslieper.

 

 

 

 

 

 

Ludwig Richter, houtsnede.

Inhoud

Mijn vader is een scharensliep.
Mijne familie.
Ene deftige familie.

Mijn vader is een scharensliep.

Dit lied tekende ik op bij mevrouw Slijters – van Aarle in Schijndel en in Udenhout bij mevrouw Schelle – Habraken, in 1977.
Er is duidelijk aan de tekst gesleuteld, het rijmschema, a-b-a-b-c-c, klopt in een aantal coupletten niet. Opmerkelijk is, in de laatste zin van elk couplet, het ‘hutteremie van solia’, dit is een verbastering van ut,re, mi fa, sol,i,a, in de laatste regel van het volgende lied: Mijne familie. Wij zouden zeggen: do, re, mi, fa, sol….

1.
Mijn vader is een scharensliep
Eerlijk aan zijn brood kon komen
Die men niet te na en riep
Als hij niets had meegenomen
Jammer dat zo’n eerlijk man
Zonder krukken niet gaan en kan
Van falideridera, hutteremie van solia.

2.
Mijn moeder heeft een appelkraam
Ze kan ook oude kleren lappen
’t Is een vrouw van goede naam
Ze laat niet op haar tenen trappen
Maar als ik niet durre zinnen fluit
Speelt ze dadelijk haar blokjes uit
Van falideridera, hutteremie van solia.

3.
Dan heb ik nog een oude tant’
Die ik ook niet mag vergeten
Die heeft aan de waterkant
Dertig jaar in ’t hok gezeten
En dan ook nog boven dat
De ijzers op de rug gehad
Van falideridera, hutteremie van solia.

4.
Dan heb ik nog een oude nicht
Dat moet nog wat harder klinken
Die kan alle dagen wel
Voor veertig centen koffie drinken
En nog van den overschot
Jenever op de koffie pot
Van falideridera, hutteremie van solia.

5.
En hoe het met mijn broeders gaat
’t Is te lang om te vertellen
Er zijn er drie of vier soldaat
De andere kan ik niet bestellen
Maar wacht, er is nog een die gaat
Vuilnis rapen langs de straat
Van falideridera, hutteremie van solia.

6.
En hoe het met me zelve gaat
Luistert nu maar al te gader
Ik ben het kindje van mijn moeder
En het zoontje van mijn vader
Ik heb de aard naar allebei
O, wat steekt er deugd in mij
Van falideridera, hutteremie van solia

Mijne familie.

De bovenstaande 6 coupletten vond ik nog in een Vlaamse variant, getiteld: Mijne familie. Deze is opgetekend door Jan Bols in Boisschot (B.) en is gepubliceerd in Honderd oude Vlaamse liederen. Bols tekende nog twee coupletten meer op: no 1 en no. 7. Deze volgen nu voorafgaande aan de Vlaamse muzieknotatie.

1.
Vrienden allen, groot en klein
Liefhebbers van wondre dingen
Opsasa, rideridera
Wilt hier wat aandachtig zijn
‘k Ga van mijn familie zingen
Opsasa, rideridera
Dan zult gij zien aangeduid
Uit wat edel bloed ik spruit
Fal-la, rideridera, ut, re, mi, fa, so-li-a.

7.
Nichten en kozijns met ‘t gros
Men zou er de straat mee schuren
Opsasa, rideridera
Scheef en mank  en scheel en ros
Allerliefste creaturen
Opsasa, rideridera
Allemaal van groot beslis
Lijk mijn heel familie is
Fal-la, rideridera, ut, re, mi, fa, so-li-a.

Luisterbestand: Mijne familie.

In het volgende liedbundeltje uit 1885, De vrolijke zanger, vond ik ongeveer hetzelfde lied met als titel: Ene deftige familie. Volgens de tekst op de kaft zal het een humoristisch lied zijn, uit een reeks die samengesteld is door een priester, dat wordt dus lachen!

 Luisterbestand: Ene deftige familie.

1.
De tekst van het eerste couplet staat onder de muzieknoten.

2.
Mijn vader is een scharensliep
God moge hem nog lang bewaren
Terwijl zijn wagen zegt: piep, piep
Slijpt hij de messen en de scharen
‘t Is jammer dat zo’n deftig man
Niet zonder krukken lopen kan,

3.
Mijn moeder heeft een appelkraam
En kan goed oude kleren lappen
Gewis een vrouw van goede naam
Doch laat zij zich niet op de tenen trappen
Droog is haar steeds de mond en keel
Helaas, zij moet dan drinken veel.

4.
Mijn zuster lief, die zwarte Trijn
Gelijkt precies op mijn papaatje
Te Luik werkt ze in de kolenmijn
Ze is reeds negen maal mamaatje
Terwijl haar man, een sterke vent
De orgel draait voor een halve cent.

5.
Dan heb ik ook een oude tant
We mogen haar ook niet vergeten
Die heeft daar aan de waterkant
Tien jaar achter ‘t slot gezeten
De geseling, dat zegt nog wat
En ‘t brandmerk op de rug gehad.

6.
Ook nichten en cousijns in ‘t gros
Ik kan ze tellen bij dozijnen
Ze zijn of scheel, of krom, of ros
En hebben hoofdjes als de zwijnen
Gezichten als een Hottentot
De meesten zitten achter het slot.

7.
Nu zult ge ook vragen wie ik ben
Zo luistert, vrienden al te gader
‘k Ben een kind van moeder N
Een zoontje ook van mijn vader
Een scherensliep, een appelwijf
En rentenier is mijn bedrijf.

Ga naar boven