De scheresliep.

Dit bekende lied over de scharenslijper publiceerde Jan Bols in zijn Honderd oude Vlaamse liederen, uitgegeven in 1897. Hij tekende het lied op in Lubbeek, een Vlaamse gemeente iets ten oosten van Leuven. Alvorens het lied, komt vrienden in het ronde, te publiceren, dat gebeurt op het einde van deze pagina, wil ik eerst iets zeggen over de herkomst ervan.

Ik heb stellig de indruk dat ‘De scheresliep’ zijn oorsprong heeft in een liedbundel uit 1783: De Vino Caser of de Amsterdamse pakhuisvreugt waarin de nieuwste en hedendaagse liederen gevonden worden De uitgever is Erve Vander Putte.
De titel van het lied is: De zingende Schaare-slyper en het wordt gezongen op een aardige voys.

Het refrein van dit lied is:
Tiereliere, tierela
van linksom, rechtsom draait mijn steen
door ‘t roeren van mijn been.
Hiermee is de afkomst van ‘De scheresliep’ wel verklaard, lijkt me!
Het afsluitende ju-ju-ju-gedeelte is waarschijnlijk later eraan toegevoegd als klanknabootsing (onomatopee) van het gezoem van het slijperswiel.

Ik geef u nu de 21 coupletten van de  Zingende Schaare-slijper die u overigens ook kunt vinden op de site www.liederenbank.nl .

1.
Komt vrienden al te samen
en hoort mijn liedje aan
ik hoef mij niet te schamen
dat ik zingen gaan
‘t is hoe dat ik slijp schaar en mes
voor alle mensen en Cares
tiereliere, tierela
van linksom, rechtsom draait mijn steen
door ‘t roeren van mijn been.

2.
Zolang mijn steen kan slijpen
zo win ik munt en kruis
ik hoor geen kinders pijpen
van honger in mijn huis
zij en hebben geen ongemak
te gaan al met de bedelzak
tiereliere enz.

3.
Ik neem het al in danke
dat hier komt bij geval
al waar’ het maar een blanke
dat ik verdienen zal
twee oortjes voor een roestig mes
een elsje ook een oortje is
tiereliere enz.

4.
Laat de wevers maar weven
totdat zij worden flauw
‘t is veel voor die kan geven
twaalf stuivers aan zijn vrouw
ik winne met mijn slijpsteen
dikwijls op een uur alleen
tiereliere enz.

5.
De smid moet lustig werken
gedurig aan het vier
hij mag hem niet versterken
al met een potje bier
uit oorzaak van hun kleine gewin
maar daar speel ik zo dikwijls in
tiereliere enz.

6.
De mulder die wint vele
maar krijgt het met zijn schep
de bakker kan ook stelen
want die houdt ook een knijp
maar ik met mijn slijpsteen gezeid
win geld in al rechtvaardigheid
tiereliere enz.

7.
De kleermaker maakt figuren
al voor tien stuivers daags
als de winter is voor de deure
dan wordt hij haast gekraakt
de winter en ontzien ik niet
mist elk mij iets tot slijpen biedt
tiereliere enz.

8.
De schoenmakers tempeesten
al voor een klein gewin
slaan op hun pik en leesten
nog hebben zij ‘t krollen in
moet ik van ‘t begin der week
met mijne wagen op de streek
tiereliere enz.

9.
Ik weet daar nog een schaarken
dat moet geslepen zijn
bij ‘t huis al van mijn snaarken
dat is al winst voor mijn
dan ga ik naar huis met plaisier
en gaan drinken een kanne bier
tiereliere enz.

10.
Scheepstimmerlieden knapen
uw werk dat gaat thans vink
door ‘t zwieren en weinig slapen
zo maakt gij menig bink
hoewel ik ook wel zoen de meid
zo draait mijn steen toch op zijn tijd
tiereliere enz.

11.
Huistimmerliên behoren
onder ‘t St. Josephs Gild
uw werk kan veel bekoren
maar had gij niet gewild
dat gij kon het scharesliep
ik weet dat gij nooit leeg en liep
tiereliere enz.

12.
De metselaars dat weet je
die leggen veel op ‘t dak
de baas kijkt door een spleetje
maar dan krijgt Jan de zak
doch ik zie niemand naar het oog
ik ben mijn eigen baas en voogd
tiereliere enz.

13.
De drukkers, losse zielen
die drukken al wat veel
het meest dat zij verdienen
dat drinken ze door de keel
want veel die dragen lap op lap
daar ik altoos ben even knap
tiereliere enz.

14.
Chirurgijns ziet men lopen
te schrapen menig baard
geen brood konden zij kopen
zo ik er niet en waar
want ik moet slijpen haar messen fijn
lancetten in het groot en klein
tiereliere enz.

15.
Wat dunkt van de dellen
die lijken heren groot
maar wilt de zwier niet tellen
het is ál om het brood
zij kappen de dames mooi in het haar
maar ‘t meest fatsoen dat maakt de schaar
tiereliere enz.

16.
De slagers grote bollen
als zij zijn in de hal
het meest zij mogen dollen
maar dat is ook het al
want sleep ik niet haar messen fijn
hoe kregen zij het beest dan klein
tiereliere enz.

17.
De naaisters gaan uit naaien
en dat voor een klein geld
te maken jak, cabaye
of anders wat versteld
doch maakte ik niet scherp haar schaar
zij raakten onder de lui nooit klaar
tiereliere enz.

18.
Ik slijp ook wel mijn mesje
al bij een lieve meid
die wel houdt van een klesje
toch maar in stilligheid
zij laten ‘t mij ook zo graag doen
en doen het zachtjes met fatsoen
tiereliere enz.

19.
Diamantslijpers, lichte kwanten
wat dunkt u van die lieên
zij slijpen diamanten
en dat ook met een stien
maar de meid gaat met ‘t gewin
daar ik mijn been voer na mijn zin
tiereliere enz.

20.
De liedzangers die lopen
en dat van markt tot markt
en dat om liedjes te verkopen
en schreien als een hart
om klein gewin blijf ik in de stad
ik roep: scharesliep! dan win ik wat
tiereliere enz.

21.
Ik zegge voor het leste
veel ambachten zijn goed
maar ‘t mijne is ‘t allerbeste
schoon dat ik veel tijds moet
slapen in hooi en strooi in stal
‘k heb de kost voor niemendal
tiereliere enz.

En dan nu het lied komt vrienden in het ronde, zoals het beter bekend is.

Luisterbestand: De scheresliep.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Komt vrienden in het ronde
minnaars van ene stiel
ik zal u gaan verkonden
hoe ik door ‘t slijperswiel
de kost verdien voor vrouw en kind
schoon blootgesteld aan weer en wind,

Refrein:
Terlierelom terla
van linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been
ju-ju-ju-ju-ju-ju-ju-ju.

2.
De smid die moet hard werken
gestadig voor ‘t vuur
hij durft zich niet versterken
met ene kan goed bier
terwijl ik ga op mijn gemak
soms ook wel eens met lege zak
Terlierelom terla enz.

3.
De schoenpik* stijf gezeten  (*een schoenpik of schoenpin is een schoenmaker, ook als scheldnaam gebruikt)
op zijne pikkelstoel  (is een stoeltje op drie pikkels(poten), meestal zonder rugleuning)
zou kaas en droog brood eten
maar als ik nood gevoel
dan slijp ik tot de avond toe
en zo heb ik nooit arremoe
Terlierelom terla enz.

4.
De flikker* maakt ons kleren  (* een flikker is een lapper, iemand die iets herstelt, een kleermaker)
voor weinig geld per dag
wil hij zijn loon vermeren
hij snijdt meer dan hij mag
maar ik met mijne slijperssteen
ik win meer op een uur alleen
Terlierelom terla enz.

5.
De mulder die moet malen
het graan tot het fijnste meel
moet dubbeldik betalen
voor zijne droge keel
maar ik door ijver en door vlijt
ik win mijn brood in eerlijkheid
Terlierelom terla enz.

6.
Mijn vrouw die roept victoria
over de slijpersstiel
zij vindt de grootste gloria
in ‘t draaien van mijn wiel
mijn kinders hebben geen ongemak
zij lopen met de bedelzak
Terlierelom terla enz.

7.
Sa vrienden voor ‘t leste
alle ambachten zijn goed
maar ‘t mijne is toch ‘t beste
schoon ik soms slapen moet
op hooi en strooi in ene stal
dan heb ik de kost voor niemendal
Terlierelom terla enz.

 

Ga naar boven