De scharenslijper.

Deze tekst vond ik in een liedjesschrift dat toebehoorde aan Johanna Verhagen uit Gemonde, het is gedateerd: 11 juli 1912. De zes coupletten staan letterlijk op een los liedblad dat ooit gedrukt en verspreid werd. Je kunt ze nakijken in de Liederenbank. Daar kun je ook lezen dat het lied rond 1850 al bekend is geweest. Ik tekende het lied nog op bij mevrouw Schelle – Habraken toen ze inmiddels verhuisd was van Udenhout naar Moergestel.

Harrie Franken tekende de melodie op in Heeze (N.B.) en publiceerde deze in De Kroniek van de Kempen, 1984. De tekst heb ik wat aangepast aan ‘onze’ tekst zodat het lied nu zingbaar is. Om het hele couplet te zingen moet je de melodie herhalen, omdat deze is uitgeschreven voor slechts het halve couplet!

 

 

 
Luisterbestand: De scharenslijper1

 

 

 

 

 

1.
Toen ik nog jonger was van jaren
Liep ik met mijn slijpersteen
In mijn vak zeer goed ervaren
Trok ik naar alle landen heen
‘k Liep overal in ’t rond
Of ik niets te slijpen vond
Vanaf de vroege morgen
Tot aan de avondstond.

2.
Overal werd ik geprezen
Maar ’t meest bij ’t schoon geslacht
Moest er een schaar geslepen wezen
Dadelijk werd aan mij gedacht
Men riep: waar is die man
Die scharen slijpen kan
En ‘k zette zonder vrezen
Mijne voet al op de span.

3.
Eens kwam ik een meisje tegen
’t Kind wou naar haar winkel gaan
’t Scheen zij was heel verlegen
Want zodra ze mij zag staan
Was ’t eerste wat ze zei:
Ach, slijp die schaar voor mij
‘k Liet dit geen tweemaal zeggen
Maar deed het vlug en blij.

4.
‘k Heb door mijn scharenslijpen
Menigeen al tot vriend
En gelijk gij kunt begrijpen
Ook al aardig geld verdiend
Dat kwam omdat ik riep
Als ik met mijn wagen liep
Met moed uit volle longen
En getrouw maar scharensliep.

5.
Ieder mocht mij gaarne lijden
Daar ik vriendelijk was en ree
Ik mocht mij in veler gunst verblijden
Met mijn werk was men tevree
Ik was altijd content
En als een knappe vent
Bij rijken en bij armen
Steeds om mijn vak bekend.

6.
Nu ben ik te hoog van dagen
Ik laat het slijpen in de brand
Ik zette sinds lang mijn wagen
En mijn steen al aan de kant
Maar als ik hem nog had
Hij werd weer opgevat
En ik ging opnieuw aan ’t slijpen
Zowel in dorp als in stad.

Ook in Twente was het lied bekend, G. Bartelink publiceerde het in Twents Volksleven, liederen en dansen, met als titel: Slijperslied. Hij geeft daarbij het volgende commentaar:
Het lied (aldus opgetekend bij Ootmarsum in 1953) is in het grootste gedeelte van Twente zeer bekend geweest. Het werd rond de eeuwwisseling, (hier wordt dan bedoeld de wisseling van de 19de en 20ste eeuw, Ben H.) veel op het land gezongen en als men in groepen van het werk huiswaarts keerde. Ook binnenshuis werd het ten gehore gebracht. In Saasveld werd het lied ook wel ‘Het zwerverslied’ genoemd.

 

 

 

 

 

 

 

Illustratie: Dick van de Pol.
Uit: Oude ambachten werkliedjes, Zomer &Keuning boeken, Ede, 1981. 

 

Luisterbestand: Slijperslied.

Ga naar boven