De mijnwerkers.

Ik vond deze mijnwerkerssmartlap De mijnwerkers in een heel klein liedschriftje van Jana van de Donk uit Den Dungen. Zij schreef deze en andere liedteksten op in 1939. Jana heeft nogal wat liedjes voor ons gezongen, de melodie van dit mijnwerkerslied  kende zij helaas niet. Het lied verscheen rond 1920 op een los liedblad.

1.
Zij waren drie jaren gelukkig getrouwd
Twee arbeiderskinderen met harten van goud
En beide in de mijnstreek geboren
Trouw daalde hij af in die duistere schacht
Al had daar zijn vader ook diep in de nacht
Bij een mijnramp zijn leven verloren
Zij leefden alleen voor hun kindje, hun schat
En kibbelden zelden al was er eens wat
Wanneer hij dan ’s morgens zijn plicht weer ging doen
Dan zei ze Glück auf en gaf hem een zoen.

Refrein.
Maar zwart sperde het mijngat zijn gapende muil
Stil wachtte de schatten benee in de kuil
En lokken de ijverige mijnwerkers aan
Tot hakken en graven, als ijverige slaven
Hun brood, maar hoe dikwijls hun graf.

2.
Maar eens op een morgen voor ’t eerst na drie jaar
Toen kregen zij hevige twist met elkaar
En geen wou van toegeven weten
Daar stonden zij beide te beven van nijd
En zeiden zij dingen, nog nimmer gezeid
Te scherp om weer gauw te vergeten
Des ’s anderen daags waren ze beide nog verstoord
Zij liep maar te mokken en hij sprak geen woord
Hij ging naar de mijnen, hoe kon zij het doen
Ze zijn geen glück auf en gaf hem geen zoen.

3.
Een kreet klonk in ’t rond, er was brand in de mijn
Het volk snelde toe, maar de kans was te klein
Om het vuur in die mijnhel te doven
Een groep kameraden die groef nog kordaat
Een heel nieuwe schacht, maar het was reeds te laat
Zij droegen slechts lijken naar boven
Daar knielde een vrouw met wanhopig gegil
Bij een van die doden zo roerloos en stil
Zacht nam zij het hoofd in haar armen en toen
Toen zei ze glück auf en gaf hem een zoen.

Refrein.
Maar zwart sperde weer het mijngat zijn gapende muil
Stil wachten de schatten benee in de kuil
En lokken weer andere mijnwerkers aan
Tot hakken en graven, als ijverige slaven
Hun brood, maar hoe dikwijls hun graf.

Ga naar boven