‘t Kösterke.

Mevrouw Peters – van Herpen uit Schijndel zong me dit lied voor in 1983. Degene die het zingt heeft een alpinopetje op en een dik kerkboek bij zich. Bij het zingen van ’t refrein wrijf je met je handen over je zakken zoals een vrek zou doen. Zij leerde dit lied al van haar moeder. De opname op de cassetteband was zo slecht dat ik nauwelijks een melodie kon herkennen, laat staan noteren. Het is wel duidelijk dat het een vrij vlakke melodie is, meer gesproken dan gezongen.

1.
’t Is reeds twintig jaar geleden
Dat ik als koster werd benoemd
En nou op de dag van heden
Ben ik haast overal beroemd
Ik hoef niet overtollig te werken
En ik heb een leven gelijk alle klerken
En daarbij verdien ik veel geld
En dat wordt door mij getelde.

Refrein:
Maar daar moet je voor zijn, zo geslepen en fijn
Om koster te zijn (2x)
Ja, daar moet je streken voor hebben
Zo geslepen en fijn om koster te zijn.

2.
Voor een mis of voor een doop
Is de premie al gewis
Maar waar ik het meeste op mag hopen
Ja, da’s op een huwelijksmis
Ik wens het paar veel geluk en zegen
Mijn gezicht gelijk half zeven
Dan weet ik zeker en gewis
Dat de prijs zo dun niet is.

3.
’s Avonds, om me niet te vervelen
Ga ik naar meneer pastoor
Om met hem een kaartje te leggen
Voor mijn vermaak kan ’t er wel mee door
Ik kan heel deftig daar verschijnen
Daarbij drink ik dan van de beste wijnen
En daarbij vrij ik met zijn meid
En die zorgt wel voor mijn profijt.

4.
Ik heb voor vrouw of kroost te zorgen
Ik kook mijn potje gans alleen
Ik denk nog nooit aan de dag van morgen
Ik ben voor rust en nooit gemeen
Ik hou ook veel van avondmalen
Daarvoor komt men mij ook dikwijls halen
En dan, ik heb voor iedereen een gulle lach
Zo slijt ik dan mijn ouwe dag.

Ga naar boven