De vier kleermakers.

Volgens mevrouw Schelle- Habraken uit Udenhout, bij haar tekende ik deze tekst over De vier kleermakers op in juni 1977, is dit eigenlijk een voordracht.  Zij verzon er zelf een melodie bij en nu is het dus een lied geworden. De melodie wordt later toegevoegd.

1.
Vier kleermakers, vreemde gezellen
Bevonden zich eens bij elkaar
Elk moest op zijn beurt wat vertellen
Of het gelogen was of waar.

2.
Wat daar nu zo druk werd besproken
Daar weet ik niet heel veel meer van
Maar het meeste dat ging over spoken
En onthoudt maar eens wie dat goed kan.

3.
Zo werd er verteld van een dode
Die ’s nachts uit zijn doodskist verrees
En ene waker, een blode
Opeens stapelgek werd van vrees.

4.
Zou jij bij een lijk durven waken?
Vroeg een van het gezelschap, ik niet
Ik niet, riep de tweede der snaken
Zou jij durven Jantje, vroeg Piet.

5.
Daar wil ik geen hand om verdraaien
En daar is ook nog al wat aan
Het zou er al aardig gaan waaien
Eer ik op de loop ging verstaan.

6.
Hoort hem, die bluffer
Een hartje zo groot als een boon
Hij bij een lijk durven waken, die sufferd
Verdomd jongens, vindt je het niet schoon?

7.
Nu zullen we toch eens proberen
Bij de eerste die mortis zal gaan
Wij drieën, wij zullen trakteren
Als jij waakt neem je dat aan.

8.
Eer drie dagen waren verlopen
Begroef men een heel oude man
Zijn huisje stond dagenlang open
En geen sterveling die sprak daar ooit van.

9.
Dat had Piet de snijder vernomen
En hij vormde dus aanstonds zijn plan
Daar moesten ook d’ andere twee komen
Maar ’t moest een geheim blijven voor Jan.

10.
Nu zullen we toch eens kijken
Of Jantje zijn weddenschap wint
Nu kan hij zijn moed eens doen blijken
Als hij mij hier spokende vindt.

11.
’t Werd avond, daar kwamen de guiten
In ’t donkere huisje bijeen
Ze babbelen en zingen en fluiten
En slaan er een doodskist ineen.

12.
Daarin net gekleed als een dode
Legt Piet zich te ruste en wacht
Een ander moest Jantje gaan roepen
Om daar bij te waken die nacht.

13.
Jan komt en knielt bij de dode
En bidt voor de rust zijner ziel
Dan neemt hij zijn werk om den brode
Want gij weet, hij was snijder van stiel.

14.
Daar zit hij te stikken, te pikken
Tot het twaalf uur slaat op de kerk
Jan hoort in de kist zachtjes tikken
Doch Jantje die blijft aan zijn werk.

15.
Het tikken hernieuwt zich en luistert
Jantje staat op en gaat zacht naar de kist
Doch alles was weer stil en hij fluistert
Ik heb me misschien vergist.

16.
Doch pas zit hij weder te naaien
Of ’t werd in de kist alweer druk
Tameus denkt ie, het zal er gaan waaien
Doch Jantje blijft goed bij zijn stuk.

17.
Hij neemt fluks zijn els en zijn kluiten
En opent manmoedig de kist
De dode heft dreigend de vuisten
Hé spookje, roept Jantje, wat is’t.

18.
En zonder te blozen, te blikken
Slaat Jantje erop dat het kraakt
Hoort naar geen smeken of snikken
Kijkt niet waar hij het arme spook raakt.

19.
Jan, riep het spook, het zijn maar grappen
’t Is meer als genoeg, schei maar uit
Wat grappen, zei Jantje, nee, ’t zijn klappen
Voel je ze niet op je huid?

20.
Ik ben, sprak het spook zonder liegen
Geloof mij, uw beste vriend Piet
Ik had u eens willen bedriegen
Verheugt u ons weddenschap niet?

21.
Nu zal ik u eens lekker trakteren
Op al wat uw hartje begeert
Als gij die andere twee heren
Ook met zo een pak ransel vereert.

22.
Toen liet Jantje de dode verrijzen
Maar half dood van schrik en van pijn
Piet kan met zijn plakken bewijzen
Dat spoken soms pijnlijk kan zijn.

Ga naar boven