De doodgraver

 

 

 

 

 

 

Lino: Rolf Janssen. 

 

Deze prachtige smartlap over de doodsgraver vond ik in een liedjesschrift dat eigendom is geweest van G. Vriens uit Haaren (N.B.)
Ik heb deze persoon nooit gekend, ik kocht zijn liedjesschriften, het waren er een stuk of tien, ooit op de jaarlijkse boekenmarkt in Tilburg.
Harrie Franken tekende dit lied op in de Kempen en publiceerde het in de Kroniek van de Kempen, deel 12, 1993.
Voor onderstaande tekst gebruik ik de muzieknotatie van Harrie Franken.

Luisterbestand: De doodgraver.

 

 

 

 

 

 

 

1.
Hij had zovele braven
Zo menig dierbaar vrind
Veel bozen ook begraven
En ook zijn vrouw en kind.

2.
Ach, riep hij bij het delven
Van reeds zo menig graf
Ach, viel toch eens mij zelve
De last van ’t leven af.

3.
Ik ben zo hoog van jaren
Zo grijs van baard en haar
Ik kan geen schop meer dragen
Of ik zweet en hijg zo zwaar.

4.
Reeds had hij lang te voren
Aan d’oever van de Rijn
De lindeboom gekozen
Waaraan zijn graf moest zijn.

5.
Zorgvuldig hield zijn spade
Het dierbaar plekje vrij
Ter rechter sliep zijn gade
Zijn kind ter linker zij.

6.
Daar komt men ’s nachts hem wekken
Met lang en luid geklop
Eer ’t klokje drie zal tellen
Spit ginds een grafkuil op.

7.
Gij zult een teken geven
Aan d’oever van de Rijn
Daar ginder aan de linde
Daar moet een grafkuil zijn.

8.
En nauwelijks deed men ’t horen
Of ijlings gaat hij heen
De klok in gindse toren
Sloeg dof en akelig één.

9.
Hij zocht en vond het teken
Aan d’oever van de Rijn
Maar vindt, o smart, het teken
Waar eens zijn graf zal zijn.

10.
Nochtans, hij gaat aan ’t slaven
Hoe grijs van baard en haar
En zweet en hijgt van ’t graven
En ademt bang en zwaar.

11.
Zijn oog besproeit zijn spade
Met tranen zonder tal
Nu naast zijn kind en gade
Een vreemde rusten zal.

12.
Doch eer de sterren weken
Hoe zwaar hij hijgt en zweet
Eer ’t licht weer aan komt breken
Is ’t nieuwe graf gereed.

13.
Hij wringt de dorre handen
En snikt nog eens zijn klacht
En recht zijn dierbre panden
Nog eenmaal goede nacht.

14.
Maar toen hij heen zou treden
Daar doet hem ’t hart zo zeer
Daar trillen al zijn leden
Daar zijgt hij dood terneer.

15.
Daar stort hij met zijn spade
De mille zandhoop af
En sluimert naast zijn gade
En naast zijn kind in ’t graf.

In het zojuist genoemde liedjesschrift, en voorafgaand aan het lied van de doodgraver, staat nog een heel interessant lied over de dood, nu als ’n persoon.
Het is een samenspraak tussen de dood en de korporaal en dat is tevens de titel!
Ga nu in dit hoofdstuk naar: De dood en de korporaal.

Ga naar boven