De treurige lijkstoet.

Om dit hoofdstuk niet in mineur te eindigen wil ik besluiten met een vrolijk lied, een lied over de uitvaart van schoonmama. Een niet zo’n populaire figuur in sommige families. Ik kan hier niet over meepraten, ik had een schat van een schoonmoeder!

Het lied: De treurige lijkstoet, een satire, stond weer in een van de liedjesschriften van G. Vriens uit Haaren.
Rolf Janssen tekende het lied in 1976 op in Someren bij mevrouw B. van Huchten en publiceerde het in zijn liedboek: We hebben gezongen en niks gehad. De tekst van Rolfs optekening, De uitvaart, is wat gaver door de overlevering gekomen vergeleken met de enigszins corrupte tekst uit Haaren. Ik zal de twee versies na elkaar publiceren, eerst de optekening van Rolf Janssen.
We gebruikten de melodie die Rolf in Someren opnam.

Luisterbestand: De treurige lijkstoet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
Gisteren was ‘t een dag van rouw
mijn schoonmama die lieve vrouw
die bracht men naar het kerkhof ach
wat nare, droeve dag
schoon zij pas tachtig jaren was
trof ons die slag toch veel re ras
en nu, nu rust haar dierbaar lijk
daarginds in het kille dodenrijk.

Refrein:
’t Windje suisde door ’t geblaar, troelala (2x)
’t Zonnetje scheen zo lief op aard, troela, troela,troelala
zo staarden wij haar achterna, troelala (2x)
plechtig was ’t wel, o, ja, larifla.

2.
Naast mij in ’t voorste van de stoet
Daar gingen ook met vol gemoed
Mijn zwagers allen diep bedroefd
Wel allen zwaar beproefd
Één sprak er met bewogen stem
Een wrede slag, ik antwoord hem
Al snikkend riep ik uit: o, god
Ze is nu immers toch kapot.

Refrein:
Mijn gemoed is meer dan vol, troelala etc.
Ik word er gek van, stapeldol, troela etc.
Allen barstten wij het uit, troelala etc.
Huilden ons kapot, bijna, larifla.

3.
Zo zag men ons treurig voorwaarts gaan
Zo kwamen wij op het kerkhof aan
En bij de groeve stond de baar
Rondom heel de familieschaar
We huilden, snikten, gilden luid
Wat aak’lig bang, wat naar geluid
Dag schoonmama, zo lief en teer
We zien u immers nimmer weer.

Refrein:
En toen ging de kist omlaag, troelala etc.
En als in een wanhoopsvlaag, troela etc.
Sprongen wij haar bijna achterna, troelala etc.
Maar 80.000 gulden liet zij na, larifla.

4.
Toen ging men naar het sterfhuis daar
Daar stond een goede tafel klaar
’n dejeuner, heel keurig fijn
Port met madeira, wijn
Bedroefd viel elk van ons er op aan
En eer werd aan de dis gedaan
Want toen men daarna heen zou gaan
Kon geen van ons heel goed meer staan.

Refrein:
Allen waren we min of meer, troelala etc.
Overzalig in den Heer, troela etc.
Zo besluit die uitvaart, ja, troelala etc.
Van onze lieve schoonmama, larifla.

Nu de tekst uit het liedjesschrift.

1.
Het is vandaag een dag van rouw
Mijn schoonmama die goede vrouw
Die brachten wij ginds naar het kerkhof heen
Het is een dag van droef geween
Wijl zij reeds tachtig jaren was
Trof ons die slag, ja al te ras
En nu richt ons dat dierbaar lijk
Daar ginds in het kille, kouwe slijk.

Refrein:
En ’t windje ruist al door de blaar, sjoemlala
En ’t zonnetje schijnt al op de baar, hijsasa
En jolend ging ik achterna, sjoemlala
En plechtig was het wel, o, ja, hijsasa.

2.
In ’t voorste van de stoet
Daar gingen ook met droef gemoed
Mijn zwagers, allen diep bedroefd
Een sprak met diep bewogen stem
Wat een wrede slag, antwoord ik hem
Al snikkend bracht ik uit, o, god
Hoe zwaar treft ons dat droevig lot.

Refrein:
En mijn gemoed was meer dan vol,
sjoemlala
En ik werd er nog bij stapeldol, hijsasa
En jolend ging ik achterna, sjoemlala
En ik lachte mij bijna ziek, o, ja, hijsasa

3.
Toen kwamen wij op het kerkhof aan
En aan de groeve stond de baar
En rondom heel de droeve schaar
Wij gilden, huilden, snikkend uit
Met een akelig en naar geluid
Doch schoonmama zo lief en teer
Wij zien u nooit gelukkig meer.

Refrein:
En opeens daar ging de kist omlaag, sjoemlal
En ik in wanhoop en in slag, hijsasa
En ik sprong bijna van achterna, sjoemlala
Al in ’t graf van steen, o, ja, hijsasa.

4.
Toen kwamen wij in ’t sterfhuis aan
Daar stond een goede tafel klaar
Met boter, kaas en lekker waar
Meteen werd aan de dis gegaan
Maar toen men allen heen wou gaan
Kon niemand onzer goed meer staan.

Refrein:
Wij waren evenmin of teer, sjoemlala
Overzalig in den heer, hijsasa
Nu moet ik tot mijn groot verdriet, sjoemlala
Erven of ik wil of niet, hijsasa
En drinken wij champagne, wijn, sjoemlala
O, wat zal dat lekker zijn, hijsasa.

Ik heb het lied nooit iemand horen zingen, deze satire over de uitvaart van schoonmama. De schoonmoeder is al zo dikwijls het ‘leidend’ voorwerp in moppen en verhalen, nu dus in een lied. De tekst leek me hier en daar behoorlijk corrupt dus ben ik op zoek gegaan naar varianten met een duidelijke tekst. Henk van Roessel uit Schijndel hielp me hierbij. Van hem kreeg ik een tekst van de Begrafenis van schoonmama, een lied dat hij vroeger zijn vader, de bekende bakker Frans van Roessel uit Schijndel, wel eens hoorde zingen. Volgens Henk van Roessel zou de tekst zijn van Dirk Witte uit de tijd van Louis Davids en Johan Buziau en dat is plm 1930?

In de liederenbank vond ik nog: ’t Was gisteren een dag van rouw, een opname uit Noord-Brabant. En op een los liedblad staat De begrafenis van Schoon Mama. Al deze teksten lijken op elkaar en zijn dus van oorsprong identiek aan elkaar. Zo gauw men liedteksten van elkaar ging overschrijven slopen er al vlug schrijffouten in en zo zijn de varianten ontstaan. Volgt nu de tekst die ik kreeg van Henk van Roessel. Zijn tekst lijkt het meest op die van het zojuist genoemde losse liedblad. De melodie haalden we uit De Kroniek van de Kempen, deel 10, pag. 128.
Het is wel vreemd dat de laatste drie regels van de volgende coupletten niet in de melodienotatie staan.

Luisterbestand: De begrafenis van schoonmama.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.
’t Was gisteren een dag van rouw
Want schoonmama die goeie vrouw
Die brachten wij naar het kerkhof, ach ach
Wat een droeve, nare dag
Schoon zij haast tachtig jaren was
Trof ons die slag nog veel te ras
En nu, nu rust haar dierbaar lijk
Daar ginds in ’t kil dodenrijk
‘t Windje suisde door ’t geblaart, troelala, troelala
’t Zonnetje scheen zo vrolijk op aard’, troelala, troelala
Joelend ging ’t de stoet achterna
Van mijn lieve schoonmama
Lari fla, fla, fla

2.
Naast mij in het voorste van de stoet
Daar gingen ook met vol gemoed
Mijn zwagers, beiden diep bedroefd
Wel allen zwaar bedroefd
Een riep met diep bewogen stem:
Wat een wrede slag, en ik antwoord hem
Al snikkend bracht ik ’t uit, o,God
Hoe droef treft ons dit treurig lot
Mijn gemoed is meer dan vol, troelala, troelala
Ik word er gek van, stapeldol, troelala, troelala
Allen brulden we het uit weldra
We huilden ons kapot bijna,
Lari fla, fla, fla.

3.
Zo zag men ons treurig voorwaarts gaan
Daar kwamen wij op ’t kerkhof aan
En naast de groeve stond de baar
Rondom de droeve schaar
We huilden, we snikten, we gilden het uit
Met akelig bang en naar geluid
Dag schoonmama, zo lief, zo teer
We zien jou helaas nimmer meer
En toen ging de kist omlaag, troelala, troelala
En als in een wanhoopsvlaag, troelala, troelala
Sprongen wij haar bijna na
Onze lieve schoonmama
Lari fla, fla, fla.

4.
En toen ging ’t naar het sterfhuis daar
Daar stond een goeie tafel klaar
’n Dejeuner, heel keurig fijn
Port en Madeira wijn
Bedroefd viel elk van ons er op aan
Een eer werd aan de dis gedaan
En toen men ons ’s avonds heen zag gaan
Kon geen van ons meer goed recht staan
Allen waren we min of meer, troelala, troelala
Overzalig in den Heer, troelala, troelala
Zo besloot de uitvaart, ja
Van ons lieve schoonmama
Lari fla, fla, fla.

Ga naar boven