De dood en de korporaal.

Het lied is op een liedblad gedrukt en uitgegeven door Joseph Thijs te Antwerpen. Hij drukte van ca. 1825 tot 1854. De beginregel is: O, hemel ik bespeur. De melodie wordt aangegeven als: Jan Croebel is soldaat. De verkorte titel is: Saemenspraeke tusschen de dood en eenen Corporael.
( Uit: Repertorium van volksliederen op vliegende bladen, door H. Stalpaert.)

Ik vond het lied ook nog in de liedverzameling van mevrouw P. Heessels- van Maaren uit Schijndel. Zij kende de melodie niet, maar daarover later. Ik heb bij de samenstelling van de nu volgende liedtekst gebruik gemaakt van de tekst uit Haaren en Schijndel. De Schijndelse tekst bevat twee strofen meer en soms was een zin of een woord wat duidelijker. Eigenlijk is het een spannend verhaal, de dood zit de korporaal danig aan zijn kop te zeuren om mee naar ’t dodenrijk te gaan. Als u de hele tekst leest komt u vanzelf achter de clou van deze samenspraak.
En let vooral op de prachtige mineur-melodie, iets wat bij volkse liedjes niet veel voorkomt!

Luisterbestand: De dood en de korporaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korporaal:
O, hemel ik bespeur
Dat ik niet meer kan leven
De dood staat voor mijn deur
Wil mij geen pardon meer geven
Mijn levensloop is uit
Nu is het spel verbruid.

Moet nu een muzikant
In ’t bloeien van zijn leven
Gaan sterven als een plant
Och dood, wil mij toch sparen
Laat mij in ’t leven hier
In vreugdevol plezier.

Dood:
Zijt gij een muzikant
Die heb ik juist van node
Ik kom als afgezant
Hier uit het rijk der doden
Gij moet nu met mij mee
Hier helpt geen ach en wee.

Korporaal:
Moet dan een krijgsman stout
Een pronk van de soldaten
Pas twintig jaren oud
De wereld gaan verlaten
Ach dood, verschoon mij toch
Laat mij in ’t leven nog.

Dood:
Nee, ik verschoon u niet
Ik houd veel van soldaten
Gij moet naar mijn gebied
Deze wereld gaan verlaten
Gij moet de mijne zijn
Hier helpt geen medicijn.

Korporaal:
Och dood, ik ben zo jong
Wat heb ik toch misdreven
Ik danste, zong en sprong
Tot vreugd van ’t jeugdig leven
En in de zoete min
Vond ik ook grote zin.

Dood:
Juist omdat gij zo straf
Met meisjes hebt gesprongen
Moet gij zo jong naar ’t graf
Uw liedje is uitgezongen
Dus moet gij, dwaze kwant
Al nu reeds onder in ’t zand.

Korporaal:
Ach, moet ik dan van kant
Daar ik zo lustig hoopte
Weldra te zijn sergeant
Waartoe mijn chef mij noopte
Dus Heinpik*, ik bid u zeer (bij Heessels-van Maaren: ‘Hornpip’)
Pardon voor deze keer.

Dood:
Ik weet van geen pardon
Ik weet van geen genade
Al waart gij een baron
Met al zijn caxanade ( moet zijn: cascanade)
Bij mij is geen verschil
Als ik iemand hebben wil.

Korporaal:
O, hemel wat een smart
De dood die komt mij nader
Ik voel het aan mijn hart
Mijn vrienden altegader
‘k zeg u dan vaarwel
Vaarwel mijn Pieternel.

Och dokter komt gezwint
Doet mij een ader open
Er……* thans mij verslind (bij Heessels- van Maaren: ‘Eer Hansmors’)
Misschien is er nog hopen
Want ik zit nu in ’t nauw
Kom toch en help mij gauw.

Gij vijand van de dood
Komt hier het pleit beslechten
Wil dokter in mijn nood
Die ribbenkast bevechten
En al wint ge ‘t niet altijd
Ziet dat ge mij bevrijdt.

Dood:
Voort, voort de tijd mankeert
Hier helpt geen aderlaten
Er is gecommandeerd
Een gans peleton soldaten
Die zullen u vooraf
Zes schoten doen op ’t graf.

Korporaal:
Scherminkel wilt ge u dan
Volstrekt met mij verzaden
Als het dan niet anders kan
Vaarwel mijn kameraden
De jonge korporaal
Groet u de laatste maal.

Adieu dan allemaal
Mijn vrienden en vriendinnen
Met wie ik zo menig maal
De vreugde mocht beginnen
Denk toch altoos aan mij
Wanneer ik er niet meer zij.

Wil Knokkelhans zo zeer
Dat ik in ’t graf ga wonen
Wil dan een laatste eer
Ook nog aan mij betonen
Als ik ben ter rustplaats heen
Schrijf dan op mijn grafsteen.

Hier ligt een korporaal
Van twee en twintig jaren
Een exercitiepraal
En in muziek ervaren
Geboren in ’t Hessenland
Hier ligt een losse kwant.

Dood:
Laat dat maar zijn beloop
Men zal u wel begraven
Hier ligt een ganse hoop
Van alle soort van slaven
Daarom wees maar tevree
En kom nu schielijk mee.

Korporaal:
Maar kaakbeen, ‘k wil niet mee
Al komt ge mij bedreigen
Ik roep niet weer owee
Ge kunt me nog niet krijgen
Mijn pijn is weer gedaan
En gij kunt henen gaan.

Dood:
’t Is mijn gewoonte niet
Als ik iemand weg kom halen
Dat men mij weerstand biedt
En hij zo lang blijft dralen
Kom pruttel maar niet meer
En leg uw wapens neer.

Korporaal:
Maar dood, begrijp eens goed
Wanneer ge mij doet sneven
Wat schade dat gij u doet
Dat ‘k u niet meer kan geven
Wat in ’t oorlogsgevecht
Door mij wordt neergelegd.

Dood:
Op ’t geen wat gij daar praat
Wil ‘k mij wel eens bezinnen
Want waarlijk, ’t was niet kwaad
Ik kon er wel bij winnen
welnu wees uit de nood
dan schiet er velen dood.

Korporaal:
Ruk schraalhans gauw maar in
Met uwe magere kaken
Waarachtig, ik heb geen zin
De reis met u te maken
’t is veel te prettig hier
En ik maak nog veel plezier.

Ik vond dit lied, met slechts 5 strofen in: Chants Populaires Flamands van A. Lootens en J. Feys, Brugge 1879. De liederen in dit boek zijn verzameld in Brugge, de teksten zijn in het Nederlands afgedrukt en zowel de titel van het boek als het commentaar bij de liedjes zijn in ’t Frans, vraag me niet waarom? Lootens en Feys zeggen over deze samenspraak en ik zal het voor u vertalen: Dit lied was erg bekend op het einde van de 18de eeuw. Volgens de traditie zou de Hessische soldaat, waarvan hier sprake is, in Brugge gestorven zijn tussen 1775 en 1780. Hij is daar begraven op het oude kerkhof van de Heilige Anna. In dit geval heeft het Duitse lied dat gezongen werd door zijn kameraden model gestaan voor onze versie.

Ga naar boven