Toen onze vader Adam nog een jonkman was

 

 

 

 

 

 

 

Rolf Janssen tekende dit lied op in 1982 in Tilburg bij mevrouw Cato Bartels- van Alphen, zij werd in 1908 geboren te Etten.

 

 

 

 

1.
Toen onze vader Adam nog een jonkman was
Leefde hij zonder zorgen uit zijn moeders kas,
’t Geluk dat sleept hem na en hij hoefde niks te doen
Hij sliep tot half elf en somtijds tot de noen.

Refrein:
Van liederom tra-la-la, van liederom tra-la-la
Hij sliep tot half elf en somtijds tot aan de noen.

2.
Na zijne dejeuner trok hij zijn botten aan
Ging nog een straatje om, me dunkt ik zie hem gaan,
Hij dronk ‘ne kwak of drie en soms een kapper bier
Hij speulde op de biljartbal ’n partij drie vier.

Refrein.

3.
Op zijne achternoen ging ie naar den dikken Dee
En was hem ’t werk te slecht dan naar de stamminee,
En bleef hij nog es thuis voor ene enkele keer
Dan speelde ie met de kaart, met onze lieve Heer.

Refrein.

4.
Dat leven was te goed, de weelde die hem stak
Bracht Adam op ’t gedacht dat hem nog iets ontbrak,
Hij sprak tot onze God: kom, kom ’t is te flauw
Ik blijf zo niet alleen, ik wil hebben ene vrouw.

Refrein.

5.
Maar Adam jongelief, sprak onze goede God
Waar dagge me nou van spreekt, bende gij zat of zot,
Ik wil een wijf bij God, zowaar als ik het zeg
Of ik laat me ’t hoofd afrijden op onze ijzeren weg.

Refrein.

6.
Toen God de vader zag dat Adam met geweld
Aan ’t lijntje wilde zijn en met een wijf gekweld,
Dan slaapt hij en dan, toen ’t slapen was gedaan
Zag Adam voor z’n bed een heel schoon blommeke staan.

Refrein.

7.
Vol vreugde sprong ie op en riep als heel verrukt
Terwijl hij haar iets doet en aan zijn vestje drukt,
Kom hier gij lieve smots, kom hier gij aardig ding
En zo gij niet en wilt en dat ik mij verdrink.

Refrein.

8.
Maar onze goede God die sprong daar tussen in
En zei: Adam allee, bedaar die dwaze min,
Want Adam, jongelief, gij zijt wat al te gauw
Heb toch eerst wat geduld, dat ik oe eerst ‘s trouw.

Refrein.

9.
Toen werd Adam getrouwd die van vreugde luid opsprong
Terwijl dat Eva hem de schoonste liedjes zong,
Maar korte tijd daarna, ’t was minder dan een jaar
Verandert zijn plezier in droefheid en bezwaar.

Refrein.

10.
Dus vrienden, gij zult zellef nu dus wel verstaan
Wat Eva hare man moet hebben aangedaan,
Want menigmaal stond hij te zuchten om zijn kruis
Ach was ik maar gebleven in mijn ouders huis.

Refrein.

Ga naar boven