De doedelzak in het werk van Bosch

1. Inleiding.
2. De hooiwagen.
3. De kwakzalver.
4. De dansende boer en herderin.
5. De herder en de doedelzak.
6. De geboorte van Christus.
7. Hy soeckt de byle.

1. Inleiding. 

Dit is de eerste aflevering over de doedelzak in het werk van Jeroen Bosch en zijn navolgers. Er zullen er nog meer volgen op deze website.
Kortom: wordt vervolgd!

Mijn interesse in het werk van Jeroen Bosch ontstond al in mijn middelbareschooltijd in Boxtel, ik fietste elke dag vanuit mijn woonplaats Schijndel naar het Jacob Roelandscollege, nu lyceum. In 1968 haalde ik daar mijn HBS-B diploma en een jaar daarvoor, in 1967, gingen wij met onze klas en als begeleider de sympathieke tekenleraar Louis Notenboom, naar de grote Bosch-tentoonstelling in ’s-Hertogenbosch, in het Noord-Brabantsmuseum in de Bethaniestraat. Deze tentoonstelling duurde van 17 september tot en met 15 november. Ik kan me nog goed herinneren dat ik alleen maar heb lopen klieren, dat hoorde kennelijk zo als je naar oude schilderijen gaat kijken als puberale leerling van een middelbare school. Zo ga je, als je met school naar een dierentuin gaat ook alleen maar de apen stangen en dan heb ik het nog niet eens over ons jaarlijks klassieke schoolconcert dat we verplicht waren te bezoeken. Je was een ontzettende nerd, dat woord bestond overigens toen nog niet! als je je braaf gedroeg tijdens zo’n concert. Ik weet nog dat Hein Jordans, de toenmalige dirigent van het Brabants orkest het concert voortdurend moest stilleggen om ons tot kalmte en stilte te manen en elke keer dacht ik dat hij alleen mij aansprak, achteraf gezien wel een terechte gedachte. Maar de Bosch-tentoonstelling maakte stiekem toch wel indruk op mij en op een van de daaropvolgende dagen heb ik in m’n eentje nog eens die tentoonstelling bezocht. Alle werken heb ik minutieus bekeken en ik was erg onder de indruk. Pas jaren later kwam ik in het bezit van de Catalogus en de aanvulling daarop met bijdragen zodat ik alles nog eens kon nakijken en nalezen.

In het begin van de jaren 1970-19809 raakte ik geïnteresseerd in volksmuziek u kunt dit allemaal nalezen, elders op deze site in het hoofdstuk Ben Hartman.
Toen ik de Vlaamse doedelzak ging spelen raakte ik erg geïnteresseerd in dit muziekinstrument en ging er van alles over lezen en verzamelen. Op een gegeven moment valt het je op, dat met name de doedelzak nogal eens staat afgebeeld op etsen, tekeningen,schilderijen, vooral uit de 15de en 16de eeuw, kerstkaarten, hoezen van elpees én in het werk van Jeroen Bosch. Een nieuw interesse is weer geboren: de doedelzak in het werk van Bosch.

Ik ben begonnen met alle doedelzakafbeeldingen in het werk van Bosch, zowel van de inmiddels bewezen authentieke Bosch-werken als van zijn navolgers. Hierna begon ik er over te lezen en deze details te bestuderen, daarbij gebruik makend van literatuur die ik zo dadelijk zal vermelden.
Twee onderzoeksterreinen komen nu bij elkaar: de geschiedenis van de doedelzak en de interpretatie van details uit het werk van Jeroen Bosch. Het uiteindelijke doel van dit onderzoek is om erachter te komen op welke manier Jeroen Bosch kennis heeft gemaakt met de doedelzak.
Heeft hij, en/of medewerkers van zijn atelier, in ‘s-Hertogenbosch doedelzakspelers aan ‘t werk gezien? Kent hij de doedelzak van randversieringen in getijdenboeken of van miniaturen? Het staat nog nergens beschreven, ik hoop daar te zijner tijd antwoord op te kunnen geven. Ook hier kan ik weer zeggen: wordt vervolgd. Ik ga nu, om te beginnen in zes hoofdstukken wat vertellen over het vóórkomen van de doedelzak in enkele werken van Bosch en zijn navolgers en schrijf daarbij een voorzichtige verklaring, vooral middels citaten vanuit werken van inmiddels bewezen Bosch-kenners. Ik maakte hierbij gebruik van de volgende literatuur, waar ik dikwijls naar verwijs.

1.
Vijf eeuwen tandheelkunde in de Nederlandse en Vlaamse kunst, Dr. F.E.R. de Maar. Uitgegeven door de Nederlandse maatschappij tot bevordering der tandheelkunde (NMT) in 1993.
2.
De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch, Eric de Bruyn. Uitgegeven door o.a. boekhandel/uitgever Adr. Heinen te ’s- Hertogenbosch in 2001.
3.
De doedelzak, Hubert Boone. Uitgeverij La Renaissance Du Livre, Brussel 1983.
4.
De zotte schilders, moraalridders van het penseel rond Bosch, Bruegel en Brouwer, Eric de Bruyn en Jan op de Beeck.   Uitgeverij Snoeck, Gent 2003.
5.
Ontcijfering van Jeroen Bosch, Dr. D.Bax. Staatsdrukkerij Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage 1949.
6.
Hiëronymus Bosch, het volledige oeuvre, Roger H. Marijnissen. Mercatorfonds 2007.
7.
Jheronimus Bosch, alle schilderijen en tekeningen, Jos Koldeweij, Paul Vandenbroeck, Bernard Vermet. NAi Uitgevers Rotterdam- Ludion Gent/Amsterdam, 2001.
8.
De wereld van Bosch, onder redactie van Jan van Oudheusden c.s. Uitgave Adr. Heinen, ’s-Hertogenbosch, 2001.
9.
De muziekiconografie in de handschriften van de Koninklijke Bibliotheek Albert 1, Isabelle Hottois, Brussel 1982.

Naar boven

2. De hooiwagen.

De Hooiwagen, en dan met name het middenpaneel laat een aardig tafereel zien van een non en een doedelzakspeler, en een kwakzalver die een mondonderzoek doet bij een patiënt. De Hooiwagen is van de hand van Jeroen Bosch en/of zijn atelier. Het is van ca. 1516 of later en is een triptiek. Het bevindt zich in Madrid in het Museo Nacional del Prado, kortweg het Prado.

De Hooiwagen was ooit bezit van de Spanjaard Don Felipe Guevara. Deze schreef een werk, Commentarios de la Pintura, ca. 1565, waarin hij vermeldde dat de grote meester nooit iets in strijd met de werkelijkheid schilderde, behalve dan de monsterlijke demonen die hij schiep.

Nu een detail van het onderste gedeelte van het middenpaneel. Het werk is gesigneerd, iets wat Bosch niet veel deed na het voltooien van een schilderij.

Hetzelfde detail, toegespitst op de kwakzalver, de doedelzakspeler en de non.

De Bruyn2 geeft een beschrijving van deze scene:
Een non biedt een volledig in het blauw geklede, doedelzak blazende speelman een handvol hooi aan. In ruil daarvoor wil zij blijkbaar de worst, die via een touwtje met de doedelzak verbonden is: de non laat het touwtje bengelen in haar linkerhand. Aan de lange pijp van de doedelzak hangt een kan met bloemen. Op zijn linkerschouder draagt de speelman een klein, rond insigne.

Het naast elkaar ophouden van het handvol hooi en de worst aan het touw vormt samen met het oogcontact tussen de kloosterlinge en de doedelzakspeler de allegorische sleutel van dit fragment. Alles wijst erop dat de kloosterlinge een ruil voorstelt: zij zal hooi geven, als zij de worst van de speelman krijgt. Het hooi dienen we te associëren met aardse ijdelheden en materiële bezittingen. Het bundeltje hooi in de hand van de non dient vergeleken met het hooi in de geldbeurs van de kwakzalver en kan hier eenvoudigweg metaforisch gelijk gesteld worden met geld.
Dat het voorwerp aan het touw inderdaad een worst is, werd definitief aangetoond door R. Marijnissen6 : het voorwerp dat aan het touwtje bengelt is ongetwijfeld een worst. De identificatie is mogelijk door het streepje aan het linker uiteinde: destijds werden worsten met een doorn dichtgemaakt. En Bax5 signaleerde als eerste dat de worst in de late Middeleeuwen kan fungeren als fallussymbool en hij interpreteerde dit fragment van het middenpaneel dan ook in erotische zin: de non verzoekt de speelman om seks tegen betaling.

 

 

 

 

 

 

 

 

De Bruyn2 : Deze erotische duiding wordt verder bevestigd door het feit dat de speelman een doedelzak bespeelt, een instrument dat in de late Middeleeuwen even erotisch geladen was als de worst. De doedelzak en de worst worden niet toevallig via een touwtje met elkaar verbonden. Alleen reeds door zijn suggestieve vorm kon de doedelzak fungeren als een metaforische verwijzing naar de mannelijke genitalia, maar ook het Middelnederlandse taalgebruik bood ruimschoots gelegenheid tot scabreuze woordspelingen in verband met dit instrument. Éen van de Middelnederlandse termen voor doedelzak was pijpsac en het bespelen ervan heette pijpen. ‘Pijp’ kan behalve ‘pijp, buis’ ook ‘penis’ betekenen en de term ‘sac’ kan verwijzen naar het scrotum, terwijl uit 16de eeuwse beeldbronnen ( met begeleidende onderschriften) duidelijk blijkt dat de term ‘pijpen’ toen reeds gebezigd werd voor fellatio. In een zot-erotisch refrein uit het vierde kwart van de 16de eeuw wordt een jong, wellustig meisje door een speelman-doedelzakspeler ingewijd in de lichamelijke liefde. Het bespelen van de doedelzak staat hier metaforisch gelijk aan copuleren, waarbij de termen pipe en sackpype manifest verwijzen naar de fallus en de mannelijke genitalia. In een ander 16de eeuws refrein betekent de uitdrukking metter sacpijpe, int doncker, den kinderendans (reyen), de coïtus uitvoeren.

We gaan nu eens kijken wat Hubert Boone3 zegt over de terminologie van de doedelzak. De Bruyn2 spreekt over een pijpsac, een Middelnederlandse term voor doedelzak, Boone3 schrijft over: sackpipe, sack-pijpe (de speler ervan heette sackpijper) ofwel zakpijp genoemd.

Op de volgende gravure, De pelgrimstocht naar Molenbeek zie je twee speellieden met sack-pijpen. Boven de afbeelding kun je lezen: Seer aerdigh uyt-gebeeldt door den uytnemenden konstigen schilder Pieter Breugel, gesneden ende gedruckt ten huyse van Henricus Hondius in ’s Graven-Hage 1642.

In de tekst iets verder van de afbeelding af kun je lezen, ik vertaal het min of meer: Vooraan gaan deze speellieden ofwel moeselaars, spelende op sack-pijpen.
Boone3 zegt hierover: Samenstellingen van pijp en zak komen voor in het Nederlands en Friese taalgebied, evenals in de provincie Luik. De eerste vermeldingen dateren van rond het midden van de 16de eeuw.
En wat betreft Jeroen Bosch: die was toen allang overleden, namelijk in 1516.

De Bruyn2 heeft in bovenstaande tekst al gesproken over: Alleen reeds door zijn suggestieve vorm kon de doedelzak fungeren als een metaforische verwijzing naar de mannelijke genitalia. Maar wat te denken van een term die reeds in 1567 vermeld werd en genoemd door Boone3 in het hoofdstuk over terminologie: De lullepijpe, en de bespeler ervan heet een lulle-pijper.

 

 

 

In verband met deze doedelzakterminologie vond ik nog een interessante tekst onder een gravure van Pieter Bruegel.

Links zie je twee doedelzakspelers die op een bruiloftsfeest zijn uitgenodigd om muziek te maken voor de gasten, waarop zij heerlijk konden dansen. De tekst onder de gravure geef ik als detail weer en dan zie je een opmerkelijke tekst waarmee niet de speelman, maar wel zijn instrument bedoeld wordt!

Soo langh als de lul ghaet…. In het rechter tekstrijtje staat: Ick luyster naer de pijp…., ook hier wordt weer het instrument bedoeld.

Boone3 geeft nog een ‘lullig’ voorbeeld van deze typische benaming van de doedelzak, een spreekwoord uit de 17de eeuw:

De moezel die moet wezen vul
Of anders maeckt zy gheen ghelul.

Pieter Bruegel tekende soortgelijke doedelzakspelers met als titel: De pelgrimage van de lijders aan vallende ziekte naar Molenbeek- Sint-Jan.
De tekening is te zien in het Albertina in Wenen.

Maar ik dwaal af van Jeroen Bosch en ga nu verder met de kwakzalver.

Naar boven

3. De kwakzalver.

De Maar1 zegt over deze afbeelding: Misschien mogen we aannemen dat de behandeling van de tandentrekker op dit schilderij- de oudst bekende in de wereld- waarheidsgetrouw is afgebeeld.

Opvallend bij de tandentrekker is een pluk hooi dat uitsteekt uit zijn mantelzak, een symbool van snelle verrijking! Dit zien we meer op afbeeldingen van tandentrekkers en dan met name het zich voortijdig en middels zakkenrollen door de assistente meester maken van een ‘honorarium’. Er was in die tijd al sprake van vrije tarieven! Het is duidelijk dat tandentrekker/kwakzalvers ook al in de 15de eeuw niet zo’n beste naam hadden.

Om zijn schouders heeft hij een snoer met tanden. Hij buigt zich voorover en doet met zijn blote handen een, zo te zien pijnlijk mondonderzoek bij een tandpijnlijder. Naast hem zie je een instrumententafeltje met daarop een zalfpot en aan een stok hangt een snoer met tanden en kiezen en een ‘diploma’.

Links van de scene met de kwakzalver en de tandpijnlijder zie je een moeder die de billen van haar kind schoonmaakt. Zou dit verband houden met een zogenaamde ‘foetor ex ore’, een stinkende adem van de patiënt bij de kwakzalver?

Dezelfde scene zien we terug in een werk van Pieter Bruegel de Oude: Christus verdrijft de geldwisselaars uit de tempel, ca. 1557. Wellicht heeft Bruegel De Hooiwagen van Bosch ooit onder ogen gezien?
In Jheronimus Bosch, alle schilderijen en tekeningen7 wordt hetzelfde taferaal afgebeeld en wordt toegeschreven aan een navolger van Jeroen Bosch of Pieter Bruegel de Jongere? Het is gedateerd 1550-1575, olieverf op paneel en het bevindt zich in het Eesti Kunstimuseum in Tallinn.

We zien een tandentrekker die vol trots, of als bewijs, de getrokken (geëxtraheerde) tand laat zien aan zijn toeschouwers. We zien ook dat er een zakkenroller bezig is, wellicht een medewerker van de tandentrekker?

Rechtsonder ziet u weer een moeder die de billen van haar kind heeft schoongemaakt en het lijkt wel of ze haar vingers laat aflikken door de ezel? die naast haar staat.

Naar boven

4. De dansende boer en de herderin.

Nu gaan we de triptiek sluiten en zien we de marskramer

Ik zou dit overigens nooit zelf doen als u een museum bezoekt, hier kan de grootste heibel van komen! Vraag liever eerst aan de directie van het museum, een suppoost zal het niet voor je doen! Toch staan de triptieken in diverse musea zodanig opgesteld dat je gemakkelijk de achterkant van de buitenpanelen kunt bekijken, dit wordt moeilijker als de triptieken zijn opgehangen, helaas! Als we het triptiek De Hooiwagen sluiten zien we de Marskramer met rechtsboven een doedelzakspeler die tegen een boom zit en voor hem een dansend paartje.

Voor de beschrijving van dit tafereel maak ik weer gebruik van De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch, van Eric de Bruyn2. Rechts van de marskramer zien we aan de voet van een boom een doedelzak spelende man zitten.

De Bruyn2 : Halverwege de boomstam hangt een kappelletje en vlak daarboven vertakt de boomstam zich in twee. Dat de doedelzakspeler een herder is, wordt gesuggereerd door het hondje dat rechts van hem zit en door de herdersstaf die vlak daarnaast tegen een bankje leunt. Op de tonen van de doedelzakmuziek zijn een boer, herkenbaar aan het witte doekje aan zijn gordel dat dient om zaaigoed mee te dragen, en een herderin aan ’t dansen. De herdersstaf van deze laatste ligt op de grond, terwijl de stok die tegen de boomstam leunt, links van de doedelzakspeler, naar men kan vermoeden toebehoort aan de boer. Rond het dansende koppel staan een aantal schapen te grazen.

Ik wil nu puntsgewijs aanhalen wat over het motief dansen gezegd wordt in het werk van de Bruyn2, De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch.

1.
Dansen kan in de laatmiddeleeuwse literatuur verwijzen naar enerzijds amoureus-erotische vreugde en anderzijds naar de hemelse vreugde.
2.
Dansen wordt wel beschouwd ( vooral in stichtelijke literatuur van de 15de en 16de eeuw) als afkeurenswaardig, zondig-losbandig vermaak.
3.
Dansen werd door de laatmiddeleeuwse moralisten in verband gebracht met allerlei zonden en ondeugden.
4.
Dansen wordt echter meestal vooral afgekeurd omwille van de onkuisheid.
5.
Dansen wordt afgeschilderd als een bij uitstek diabolische (duivelse) activiteit (in het Middelnederlands betekent aen sduvels dansen gaen in de macht van de duivel raken), met als voorbeeld de moriskendans rond het gouden kalf zoals weergegeven in het middenpaneel van de Antoniustriptiek van Bosch dat zich bevindt in Lissabon. Hier de bedoelde afbeelding.


Het is eigenlijk wel duidelijk wat hier aan de hand is.
Mozes ontvangt van God, op de berg Horeb in de Sinaï-woestijn, twee stenen tafelen met daarop de ‘tien geboden’.
In Exodus 34 staat dat God Mozes opdroeg een tweede versie van deze stenen tafelen te maken, omdat hij de eerste had stukgegooid, toen hij terug kwam van de berg en zag dat het volk een gouden kalf had gemaakt en aanbad.
Het dier dat je rechts ziet zou dan dat gouden kalf moeten zijn.

Dansen wordt dus omschreven als een duivelse activiteit, een doedelzak bespelen zou ook wel eens als zodanig beschouwd mogen worden, getuige de nu volgende afbeelding, een duivel als doedelzakspeler. (Zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1420-1435).
Bron: De muziekiconografie in de handschriften van de Koninklijke Bibliotheek Albert 1, Isabelle Hottois, Brussel, 1982.

De Bruyn2 : ….dat wie zich tijdens zijn leven teveel vermaakt heeft met losbandige danspartijen, ook in de hel verplicht wordt te dansen met de duivels. En: In de laatmiddeleeuwse stichtelijke literatuur werden speelmannen in het algemeen en doedelzakspelers in het bijzonder, in sterke mater geassocieerd met de duivel.
Als conclusie: De dansende boer en herderin zou je kunnen interpreteren als wellustige zondaars en de doedelzakspeler als de duivelse verleider tot de zonde.

Naar boven

5. De herder en de doedelzak.

De Bruyn2 merkt vervolgens op dat de doedelzak rond 1500, ondanks het occasionele gebruik ervan in de hogere sociale lagen, nog steeds in de eerste plaats bespeeld werd door personen uit de lagere klassen, meer bepaald door herders en boeren.

In dit verband is het interessant wat Hubert Boone3 zegt in het hoofdstuk, Gebruik, geschiedenis en verspreiding, van zijn standaardwerk De Doedelzak:
De eerste bronnen die het gebruik van de doedelzak in onze gewesten of in de onmiddellijke omgeving ervan laten vermoeden, stammen uit de tweede helft van de 13de eeuw. In die periode komt hij reeds voor in de literatuur. Kort daarop verschijnt de doedelzak in de iconografie. Een van de allereerste en vermeldenswaardige afbeeldingen vindt men in een getijdenboek uit het begin van de 14de eeuw. Het instrument heeft een lange en zware conische schalmei, maar nog geen bourdon en wordt voorgesteld in een herderstafereel.

Uit hetzelfde getijdeboek de volgende doedelzakspeler:

Nu een blad uit een getijdenboek uit de Zuidelijke Nederlanden van ca. 1300. Het is duidelijk weer een aankondiging aan de herders.
Ook hier weer een doedelzak zonder bourdon.
Eerst het hele blad, daarna een detail.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De volgende afbeelding is nog ouder! Het is te vinden in een getijdenboek van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, van 1278 tot 1305. Het bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

 

Nu een afbeelding van herders, waarvan er één een doedelzak draagt. Uit een getijdenboek, Parijs, eerste kwart van de 15de eeuw:


De volgende afbeelding komt ook uit een getijdenboek, Frankrijk, omstreeks 1470.

Dat de doedelzak bespeeld werd door herders wordt bevestigd door talrijke iconografische afbeeldingen en dan met name rond de geboorte van Jezus, of zoals Boone het zegt: De 14de en 15de eeuwse iconografie toont ons hoofdzakelijk herderstaferelen, met de geboorte van Christus als centraal thema.

Ik zal u nu wat voorbeelden laten zien. Elk jaar rond Kerst bezoek ik diverse boekhandels op zoek naar kerstkaarten met afbeeldingen van herders met een doedelzak die het kindje Jezus komen bekijken vlak na zijn geboorte of met afbeeldingen van herders die met hun schapen in het veld liggen en die wordt medegedeeld door een engel, dat Christus is geboren.

a. Verkondiging aan de herders, uit: Les petites heures de Jean Duce de Berry, 14de eeuw. Uitgegeven door Ars Liturgica Kunstverlag, Maria-Laach.

Een detail van de afbeelding met twee herders en hun doedelzak.

 

 

 

 

b. Verkondiging aan de herders, Miniatura dal volume Vangelo d’ arte, zonder jaartal. Uitgegeven door Ars Liturgica Kunstverlag, Maria-Laach.

c. Verkondiging aan Maria en aan de herders, detail uit: Hans Memling, Die sieben Freuden Mariae, 1480. Alte Pinakothek, München. Uitgegeven door Ars Liturgica Kunstverlag, Maria-Laach.

d. Aanbidding van het kind, Fra Filippo Lippi, 1457/58-1504. Uitgegeven door Ars Liturgica Kunstverlag, Maria-Laach.

 

 

 

 

 

 

e. Geboorte van Christus, Jacob van Utrecht, 1513. Gemäldegalerie Berlin. Uitgave: Beuroner Kunstverlag, Beuron.

 

 

 

 

 

f. De meester van Flémalle, plus detail, begin 15de eeuw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En nu komen we weer uit bij Jeroen Bosch en wel bij het middenpaneel van het triptiek De aanbidding der koningen.

Op het dak van de stal waar de geboorte heeft plaats gevonden liggen twee herders. Een daarvan heeft een doedelzak bij zich. Ik zal het in detail laten zien.

Wat opvalt is dat de speelpijp (de schalmei) van de doedelzak slechts drie vingergaten heeft, waarschijnlijk een slordigheidje van de schilder of herbergt de ondertekening nog een verrassing? We wachten het onderzoeksresultaat af van het Bosch Research and Conservation Project, zij komen in 2016 met de conclusies van hun onderzoek naar alle werken van Bosch.

Pas veel later na het schrijven van bovenstaand artikel ontdekte ik nog een doedelzakspeler en in dit detail, twee dansen paren. Het wordt afgebeeld op het linker paneel van de triptiek Aanbidding der koningen, gemaakt in de periode tussen 1485 en 1500 en aanwezig in het Prado te Madrid. Hier het volledige triptiek:

In het bovenste gedeelte van het linker paneel is een doedelzakspeler te zien.

 

Het paar dat aan ’t dansen is achter de doedelzakspeler houdt elkaar vast met hun linker handen. Het tweede danspaar staat tegenover elkaar met de handen in de heupen. Misschien zou je zelfs aan deze houding kunnen afleiden welke dansen hier gedanst worden?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het prachtige boek Jheronimus Bosch, alle schilderijen en tekeningen 7 vond ik de volgende triptiek, ook als titel Aanbidding der koningen.
Het is van een navolger van Jeroen Bosch en gedateerd 1525-1540. Het bevindt zich in het Erasmushuis in Anderlecht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier het middenpaneel met daarnaast een detail met de doedelzakspeler. Je ziet duidelijk dat de doedelzak één bourdonpijp heeft. Dit gaat evenwel veranderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In hetzelfde, zojuist aangehaalde werk over Jeroen Bosch: Jheronimus Bosch, alle schilderijen en tekeningen7, staat nog een aanbidding der koningen afgebeeld.
Het is gedateerd: ca. 1540 of later en bevindt zich in Aken, Suermondt Ludwig Museum.
Er gebeurt nu iets merkwaardigs met de vormgeving van de doedelzak die de herder bij zich heeft als hij op het dak van de schuur ligt waar zojuist Jezus is geboren.
De doedelzak heeft nu ineens twee bourdonpijpen.
Hubert Boone zegt hierover in zijn standaardwerk De doedelzak:
Doedelzakken met een conische melodiepijp en twee bourdons die parallel of divergent naast mekaar geplaatst zijn, worden pas in het begin van de 16de eeuw in onze gewesten afgebeeld.
Ik laat nu het schilderij zien en een detail van de herders, je kunt duidelijk de twee bourdonpijpen zien.


 

 

 

 

 

 

 

 

Ik vond nog een herder met een doedelzak, ook weer met twee bourdonpijpen, als detail in een werk van een navolger van Bosch:

Naar boven

6. De geboorte van Christus.

Dit paneel bevindt zich in een museum in Keulen: in het Wallraf-Richartz Museum. De afbeelding, olieverf op paneel, wordt toegeschreven aan een navolger van Jeroen Bosch. ca. 1568 of later.

 

Rechts een detail met de doedelzakspelende herder met zijn kudde schapen. Wat opvalt is weer de aanwezigheid van twee bourdons bij de doedelzak die de herder speelt. Zoals al zojuist opgemerkt: een doedelzak met twee bourdons zie je een enkele keer afgebeeld op het einde van de 15de eeuw, doch veelal vanaf het begin van de 16de eeuw.

Heel toevallig, ik was eigenlijk op zoek naar De bruiloft van Kana van een navolger van Bosch, kwam ik een exacte kopie tegen van het paneel uit Keulen in Huis Bergh, een kasteel te ‘s-Heerenberg, gemeente Montferland, Gelderland.
Dit kasteel herbergt de kunstcollectie van wijlen Jan Herman van Heek (1873-1957) een textielfabrikant uit Enschede. In het hoofdstuk over De bruiloft van Kana zal ik meer hierover vertellen.
Ik bezocht Huis Bergh in juni 2013 en gelukkig werd er voor mij een oogje dichtgedaan door enkele zeer vriendelijke en behulpzame vrijwilligers en kon ik toch wat foto’s maken van werken waar mijn interesse naar uitging.
Zodoende zie je op mijn foto de prachtige lijst die je op de ansichtkaart, die ik ter plaatse kocht niet kunt zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven

7. Hy soeckt de byle.

In het detail van de Hooiwagen met de kwakzalver en de doedelzakspeler zagen we een worst die aan een touw bevestigd was dat een verbinding vormde tussen de doedelzakspeler en de non. Ik heb nog een afbeelding gevonden van een doedelzak en een worst, nu bevestigd aan de bourdonpijp van de doedelzak. In De zotte schilders4 staat een schildering op doek met als titel: Hy soect de byle, ofwel: hij zoekt ruzie!

Dit werk, een herbergtafereel, bleef slechts in kopie of repliek bewaard en is recentelijk herontdekt. In De zotte schilders4 kun je lezen: Dit schilderij is gedurende eeuwen onbekend gebleven tot het even opdook in 1958 in Brussel. Hierna verdween het weer voor bijna een halve eeuw. Pas zeer recent is het openbaar gemaakt.

Het is van een navolger van Bosch en is getiteld: Dronken man op de rug van een oude vrouw, Zuidelijke Nederlanden, midden 16de eeuw, Mechelen, particuliere verzameling.

In De zotte schilders4, in een bijdrage van Jan Op de Beeck lezen we: Dat dit werk moet gezocht worden in de invloedssfeer van Jheronimus Bosch, behoeft geen betoog. Zowel de vormgeving als de thematiek komen zo uit de beeldentaal die we van Bosch gewend zijn.
Even verderop: In hoeverre deze compositie stoelt op een bestaande inventie van Bosch valt niet uit te maken.

Jan Op de Beeck besluit met: Aangezien een datering in het eerste kwart van de zestiende eeuw aanvaardbaar is, mogen we geenszins de mogelijkheid uitsluiten dat dit werk een product is van het atelier waar Bosch werkzaam was.

In: Jheronimus Bosch, alle schilderijen en tekeningen7, en dan met name het hoofdstuk van Paul Vandenbroeck; Jheronimus Bosch: de wijsheid van het raadsel, kunnen we lezen:
Aan de herberg hangt een uithangbord met daarop een bijl: ‘In’t bylken’ was wel vaker een herbergnaam. Eronder hangt een kruik met varens en vermoedelijk meiklokjes. Een kruik en ‘mei’ (groene takken met of zonder bloemen) waren herbergtekens. Een gelijksoortige meikruik hangt aan de doedelzak van de blauwe muzikant op de voorgrond van de Hooiwagen. Het feit dat de muzikant blauw is, duidt op zijn bedrieglijke karakter. In de deuropening trekt een figuur het zwaard. Deze persoon is van een wonderlijke tweeslachtigheid. Hij draagt vrouwenkleding en een witte kap die tot in zijn nek afgegleden is. Zijn gezicht is echter mannelijk. De woedende man/vrouw wordt tegengehouden door een oude vrouw met een trechter op het hoofd. Rechts een man met een ouderwetse zakmuts. (Dit soort hoofddeksels vinden we reeds in het midden van de 15de eeuw. Bij Bruegel en zijn tijdgenoten lijkt deze vorm uitgestorven te zijn.)
Terzijde: in Folklore en volkswijsheden in Nederland en Vlaanderen van K. ter Laan lees ik ergens: dat het zwaard het zinnebeeld is van de macht van de man over de vrouw. En inderdaad, je zou nu zomaar kunnen concluderen dat de man met het zwaard de vrouw wegstuurt met haar minnaar die door de mand is gevallen. De man heeft hier dus echt de macht over de (zijn) overspelige vrouw.

We gaan verder met het citeren van Vandenbroeck: De woede van de herbergier(ster), (B.H. is dit wel een herbergierster? ) richt zich op een dikke man die door een oude vrouw wordt weggedragen. Hij zwaait met een drinkkan en houdt een doedelzak met een worst eraan vast- zoals ook de muzikant op het Hooiwagen-paneel. Deze attributen wijzen op ‘s mans drankzucht en seksuele interesses. Maar hij is letterlijke en figuurlijk door de mand gevallen: zijn ware aard is onthuld. De kleine boogschutter grijpt naar het touw waarmee de oude vrouw haar drinkebroer vervoert. De man wijst met de hand waarmee hij de lege doedelzak vasthoudt naar de vrouw die hem draagt: als om haar verantwoordelijkheid duidelijk te stellen. Zij heeft zijn ‘pijp geledigd’.

Vandenbroeck besluit de beschrijving van dit schilderij door te stellen: Het hele tafereel ademt, zoals zo vaak bij Bosch, een bevreemdende sfeer. Het is een hekeling van dronkelappen en seksueel overmatig geïnteresseerde lieden. Het gehele verhaal achter het werk ontgaat ons echter voorlopig.

Eric de Bruyn zegt in zijn bijdrage in Zotte Schilders4: De dikke, dronken man is blijkens het insigne op zijn borst een speelman, meer bepaald een professionele doedelzakspeler. Even verderop: Opvallend is de worst aan de bourdonpijp, deze zien we terug in het Hooiwagen-fragment. De worst is hier aan beide zijden afgebonden. De kan met de mei hangt bij de Hooiwagen aan de bourdonpijp en hier aan de herberg.
De Bruyn heeft een interessante uitleg over de lege doedelzak: Het gegeven dat de doedelzak van de dronkenlap plat van vorm en dus leeg is, wijst er ongetwijfeld op dat zijn seksuele krachten zijn uitgeput en dat hij zich in het recente verleden niet alleen te buiten is gegaan aan overmatig drankgebruik, maar ook aan overdadige seks. De doedelzakspeler is door de mand gevallen: hij heeft zich bezondigd aan dronkenschap en aan seksuele losbandigheid. De trechter op het hoofd van de vrouw verwijst naar dwaasheid en bedrag. In Middelnederlandse teksten ontmoeten we het motief  ‘trechter’ als een topische verwijzing naar onbetrouwbaarheid en onstandvastigheid en worden ontrouwe, bedrieglijke vrouwen meer dan eens vergeleken met een trechter. (Een bedrieglijke vrouw laat de trouw even gemakkelijk los, als een trechter een vloeistof doorlaat). Blijkbaar heeft de vrouw van de herbergier dus overspel gepleegd, ongetwijfeld met de doedelzakspeler, en is dat de reden waarom de herbergier zo gebeten is op deze laatste.

Ga naar boven