Doedelblaas

Dit merkwaardige muziekinstrument, bestaande uit een vulpijp, een melodiepijp en een dierenblaas, je kunt het beschouwen als de voorloper van de doedelzak, kom je al tegen in de 13de eeuw.
Hij staat afgebeeld in een grote verzameling eenstemmige liederen, de liederen van de Heilige Maria, beter bekend onder de naam Cantigas de Santa Maria. Deze liederen werden gecomponeerd in de periode 1252 tot 1284 in de Spaanse landstreek Castilië. Het zijn teksten van 427 liederen, lofzangen over Maria, de moeder van god, en zij vertellen over wonderen die plaatsvonden dankzij de tussenkomst van Maria.
Bent u erg nieuwsgierig naar de Cantigas, ga eens naar internet en u kunt daar uw hart ophalen.
Ik zal twee afbeeldingen laten zien van doedelblaasspelers uit de Cantiga.

Maar ook de doedelzak en draailier worden afgebeeld in de Cantigas.

De doedelblaas wordt ook nogal eens afgebeeld bij de dodendans.

In de Heidelberger Totentanz, uitgegeven en gedrukt door Heinrich Knoblochtzer ( ca. 1445- ca. 1500), rond 1488, vond ik twee afbeeldingen van een doedelblaasspeler. Eén met de abt en één met de burgemeester.

 

Ook de doedelzak zie je in de Heidelberger Totentanz. Drie afbeeldingen trof ik aan. We zien nu de dood en de doedelzak bij de bisschop, de broeder en de burgerin.

Wat jaren later, in 1511, kom je het instrument weer tegen in het werk van Sebastiaan Virdung, een Duitse muziektheoreticus en componist die leefde van ca. 1465 tot na 1511, de precieze data zijn dus niet bekend. Hij  publiceerde zijn Musica getutscht in Bazel in 1511.

Dit is het oudst gedrukte handboek over muziekinstrumenten.
Hier een titelpagina en de doedelblaas, in het Duits Platerspiel, afgebeeld met kromhoorns, ruispijp, zink en geitenhoorn.

Weer wat jaren later, in 1529, publiceerde de Duitse componist Martin Agricola, pseudoniem voor Sohr of Sore, zijn Musica Instrumentalis, een studie van muziekinstrumenten.
Ook hij publiceerde de Platerspiel ofwel de doedelblaas. De Platerspiel lijkt overigens wel erg veel op die van Virdung, toeval?

Hubert Boone in zijn standaardwerk De Doedelzak bespreekt dit doedelzaktype zonder bourdon als volgt:
Wij kennen 6 iconografische bronnen uit de tweede helft van de 15de en de eerste helft van de 16de eeuw, waarop een vrij primitief kleine doedelzaktype afgebeeld is. In het Nederlandse en Waalse cultuurgebied kent men voor dit instrument geen specifieke benaming, maar V.
Denis (De muziekinstrumenten in de Nederlanden en in Italië, naar hun afbeelding in de 15de eeuwse kunst) noemt het blaaspijp, terwijl sedert een paar jaren ook de term doedelblaas gebruikelijk is.
Boone gaat het instrument nu beschrijven:
De voorbeelden uit onze iconografie vertonen volgende kenmerken. Het luchtreservoir is klein, ongetwijfeld een dierenblaas, en het wordt gevoed door een met de mond geblazen vulpijp. De melodiepijp is uit één stuk en steeds licht konisch van vorm; een paar keer merkt men zelfs een nogal breed uitgesneden klankbeker. Vulpijp en melodiepijp zijn waarschijnlijk rechtstreeks- dus zonder houder als tussenstuk- in de blaas gebonden. Beide delen vormen ongeveer een rechte lijn. Het aantal vingergaten is meestal niet te bepalen, maar op een houtsnede van Jan Swart kan men er 6 onderscheiden.
Bij één afbeelding van Hieronymus Bosch is de melodiepijp onderaan licht gebogen.
Boone bedoelt hier een detail van een gravure van Pieter van der Heyden (1530 Antwerpen 1576), naar Jeroen Bosch, met als titel Vastenavondviering, ’s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum. De gravure is gedateerd 1567.

De tekst onder de afbeelding luidt, enigszins in modern Nederlands vertaald:
Pijpt nou vrij oppe-  en speelt van herten fier
Bakt wafelen en struiven om wel te smeren
’t Is nou al kerremis, zijt nou vrolijk hier
Dus brengt malkanderen eens van den Rijnse kleren
En wilt nou uit genuchten  de zot wel scheren.

Ga naar boven