Waken

Het waken bij een lijk werd om toerbeurt door één of meerdere personen gedaan, familieleden en/of buren.Vooral ‘s nachts was het een zwaar karwei dat alleen geklaard kon worden door aanvankelijk een hoeveelheid koffie te drinken gevolgd door wat borrels later op de avond. Rond het lijk stonden wat kaarsen en er moest gebeden worden door de wakers, ook wel lijkers genoemd. Deze vorm van waken is al rond de jaren 1950 afgeschaft.

Het waken gebeurde niet overal en altijd, er waren gemeentes waar dit gebruik niet bekend was of gedaan werd. Er werd gewaakt zowel bij een ernstig zieke of stervende als bij een overleden persoon.

Het Latijnse woord vigilie betekent ‘nachtwake‘. De vigilie bij een overledene houden wil zeggen: al biddende bij een lijk waken. Hirsch schrijft over de Vigiliën in: Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700:

Wanneer het lijk nu gewassen en gekleed was, werd het op het bed of op stro gelegd, en moest erbij gewaakt worden, tot de dag   der begrafenis. (Het op stro leggen van een lijk komt nog terug in het hoofdstuk over ‘stro’, B.H.).

Met de familieleden verenigden zich de vrienden om rouw te bedrijven.

Gedurende die vigiliae cadaverum werden er liederen gezongen en dansen uitgevoerd. Zie verder het hoofdstuk over de dodendans, is nog in voorbereiding!

In de publicatie van Hirsch staat als voetnoot bij de tekst een interessante mededeling uit de Nieuw-Drentse Volksalmanak uit 1894.
Nog voor een halve eeuw was in Ruinerwold (provincie Drente) de gewoonte in zwang, om het lijk, nadat het verhennekleed was, voor de kast of het kabinet in het woonvertrek op de vloer, met daarop gespreid stro, neer te leggen, en het de eerste nacht door de buren te doen bewaken, opdat, zo zeide men, het lijk niet door ratten of muizen geschonden mocht worden. (Verhennekleed wil zeggen: voorzien van een doodshemd, B.H.)

Hirsch: Hoe groot was het aantal der wakende vrienden wel? Dit kan niet klein geweest zijn, want verschillende keuren trachtten het aantal wakenden binnen de perken te houden; allengs toch hadden die vigiliën gezelligheidshalve aanleiding gegeven tot het organiseren van overvloedige maaltijden, die vaak in zwelgpartijen en andere uitspattingen ontaardden. In Zutphen bepaalde men in 1373 dat er slechts 3 à 4 vrouwen mochten waken of 8 mannen: Mer die man mach sitten mit achte mannen, ende eten mit beslotene doeren. In Hoorn mochten slechts 2 van de naaste buren ‘ter vigiliën gaen eten’.

Men kon ook in de kerk vigilie houden. In het stadrecht van Zwolle was bepaald dat men ook in de kerk vigilie kon houden. Vaak werd een lijk daar tentoongesteld, vooral in geestelijke en hoofse kringen. Ook het aantal der in de kerk wakenden was door de stedelijke overheid beperkt en meermalen is er een bepaling uitgevaardigd ten einde ze te beletten in het sterfhuis, na hun dienst in de kerk, te gaan eten.

Tijdens de vigiliën, evenals bij de uitvaart en begrafenis, werden kaarsen gebrand. Ook in dat gebruik van kaarsen heeft grote overdaad geheerst. In Zutphen mag men, waar een dode is, niet meer dan 4 kaarsen branden, en elke kaars mag niet meer dan drie pond wegen. In hoge kringen schijnen tijdens de vigiliën enorm veel kaarsen gebrand te hebben. Hier een afbeelding  van de verlichte kapel van Karel V. Het is een soort stellage boven de doodskist, om de brandende kaarsen op te kunnen zetten. Het is een afbeelding gemaakt in 1619 door Henricus Hondius, met als titel: La Chapelle ardante. (Uit: Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700, door Renée Hirsch.)

Verlichte kapel van Karel V

Soms werden die kaarsen, nadat ze dienst gedaan hadden, geheel of gedeeltelijk, het eigendom van de kerk, waarin de begrafenis of de vigiliën hadden plaats gehad. Zo’n bepaling was er in Harderwijk in 1470. Soms werden de half opgebruikte kaarsen eigendom van de pastoor.

In zijn 17de brief schrijft Dominee Stephanus Hanewinckel over zijn reis door de Meierij over een pas gestorvene: Zodra hij gestorven is, sluit men de vensters dicht, zet ene brandend lamp bij het lijk en men waakt ´s nachts bij het zelve.

Uit: Van Sasse van Ysselt:

Boxmeer e.o.: Wel worden om het lijk vier branden kaarsen gezet. Zelden gebeurt het dat er bij gewaakt wordt.

Budel: Bij het lijk wordt gewaakt en van tijd tot tijd een kort gebed gedaan door twee man- of vrouwspersonen, gehuwd of ongehuwd naar gelang van de staat van de overledene.

Cuyk e.o.: Zolang het lijk boven aarde staat, moet daarbij een licht branden en wordt het des nachts bewaakt, de eerste nacht door de lijkers de volgende nachten telkens door twee andere personen, daartoe door de lijkers uit de buren aangewezen.

De Langstraat: Het waken bij lijken heeft niet meer plaats, alleen gedurende de eerste nacht na het overlijden wordt er te Waalwijk nog bij gewaakt.

St.Michielsgestel e.o.: Is de zieke gestorven, dan zijn het weder de buren die voor hem zorgen. Zij komen dan bijeen en bepalen door het omslaan van een paar kaarten wie hunner het lijk zullen afleggen, kleden en er bij waken; wie hunner zullen gaan ‘lijk bidden’, dit is nodigen ter begrafenis en wie hunner het lijk op de dag der begrafenis zullen dragen. Zij, wie het lot trof om bij het lijk te moeten waken, komen ´s avonds tegen 8 of 9 uren in het sterfhuis bijeen en houden daar dan gedurende de gehele nacht de wacht bij het lijk, intussen de tijd doorbrengende met bidden, praten of lezen. Zij krijgen gedurende het waken te eten en te drinken.

Het waken gebeurde ook bij een stervende. Ben Janssen vertelt in zijn Luste gullie koffie hierover: ´s Nachts werd door de twee naaste buren bij de stervende gewaakt. Kon een van de naaste buren niet, dan werd de daarnaast wonende buurman gevraagd. Om tijdens de lange nacht goed wakker te blijven werd er voor hen een grote pot koffie gezet. En goed wakker moest men wel blijven. Immers, de stervende kon elk ogenblik hulp nodig hebben en dan moest men paraat zijn.
Janssen zegt even verder op : Overigens werd er dag en nacht bij een stervende gewaakt.

Van Dam vertelt in zijn Oud-Brabants dorpsleven: De personen die moesten waken bij het lijk werden aangewezen door twee naaste buurlui in overleg met de familie van de dode. Het waken was een eigenaardig gebruik dat dikwijls weinig stichtends opleverde en zelfs ooit tot misbruiken ontaardde. Aan weerszijde van het lijk werd een kaars brandende gehouden, die later, als het lijk gekist was, op de doodskist werd geplaatst, verder moesten er in de loop van de nachtwake nog rozenhoedjes gebeden worden voor de zielerust van de overledene. Als compensatie kregen dan de bewakers niet alleen de hele nacht door de koffietafel te hunner beschikking, maar moesten, als het goed was nog een paar keer de fles op tafel kunnen halen om door middel van een paar borrels de slaap uit de ogen en waarschijnlijk evenzeer de angst voor het lijk en eventuele spoken uit het lijf te kunnen houden. Het is begrijpelijk dat er vaak meer koffie gezet werd dan de familie lief was, om over de fles maar niet te spreken.
Tot slot doet van Dam een opmerkelijke uitspraak: Tot aller opluchting is sedert lang het absoluut geen zin hebbende waken geheel afgeschaft.

In Volkskunde, 52ste jaargang 1951 staat een interessante bijdrage van Mts Van Coppenolle, getiteld: Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen. De gegevens over deze gebruiken haalde de auteur uit een enquete uit de jaren 1940-1950. Ik laat nu zijn gegevens over de nachtwake volgen. Het zou zo maar kunnen zijn dat deze gegevens uit Westvlaanderen ook gegolden hebben voor Noord-Brabant!
De nachtwake verdwijnt, de nachtwake bij het lijk bestaat niet meer; iemand van de familie blijft in het sterfhuis slapen. ( Let wel: Ook nu wordt weer het vervelende woord vroeger gebruikt! Want wat is vroeger? Een tiental jaar geleden, vijftig jaar geleden, een eeuw?)
De nachtwake gebeurde vroeger, men was met twee. Eertijds waakten zowel de mannen als de vrouwen; men was minstens met twee personen; van 8 uur ’s avonds tot middernacht, dan afgelost tot 6 uur ‘s morgens; vooraleer het sterfhuis te verlaten moest men eten: koffie, boterhammen en toespijs; de jeneverfles was van de partij; om de twee uur werd gebeden bij het lijkbed. Nachtwake wordt niet meer gedaan; heeft vroeger aanleiding gegeven tot misbruiken, want er kwam dikwijls een fles jenever bij te pas, zogezegd om wakker te blijven?

Vóór de oorlog 14-18 werd de nachtwake gedaan, hetzij door eigen familie, hetzij door gebuurs ( men loste elkaar af). Wie rijk was en er tegen kost, ontbood de nonnekes uit het Oude Vrouwenhuis; deze kwamen tegen de avond in het sterfhuis aan en deden de nachtwake, mits betaling. Ze lazen de Paternoster, zegden hun breviergebed op, of deden een dutje! Bij heel rijke, katholieke mensen verblijven, nu nog, gedurende de nacht en de dag twee betaalde nonnen, die de dag- en nachtwake doen.

Schrijnen, deel I: Komt het stervensuur, dan ontsteekt men de gewijde dodenkaars- in Vlaanderen wordt dit uitlichten genoemd- en roept de familie om het sterfbed.

Ga naar boven