Van doodmalen tot koffietafel

Na de ter aarde bestelling op het kerkhof gingen alle deelnemers aan de rouwstoet óf terug naar de kerk voor de Kruisweg, óf rechtstreeks naar het sterfhuis voor het dodenmaal, tegenwoordig noemen we dit de koffietafel. In dit hoofdstuk wordt besproken hoe deze lijkmalen zijn ontstaan en hoe zo’n gebeurtenis erg uit de hand kon lopen, vooral door de hoeveelheid bier of wijn die er geschonken werd. Hierdoor is de uitdrukking ontstaan: Uitvaart-Zuipvaart. In Noord-Brabant werden de uitvaartgasten ‘aan de plank’ verzocht en men kreeg hoofdzakelijk koffie, witte mik en kaas. Ook aan de armen werd gedacht, spijs en drank werd uitgedeeld na afloop van de begrafenisplechtigheid.

Als de rouwstoet in het sterfhuis terugkeert zijn alle kenmerken die zijn aangebracht in en buiten het sterfhuis weer verwijderd. Het strooike of de dodenlantaarn is opgeruimd, de luiken zijn weer opengedaan, de spiegels en schilderijen worden ontdaan van het zwarte floers. De klok werd weer op gang gebracht en de kaarsen die rond het opgebaarde lijk hebben gestaan zijn verwijderd. Voor de familie is er gedekt in de goeikamer, voor de overige gasten is er gedekt op de deel of op stal. Er waren dikwijls zoveel gasten dat er gewoonweg te weinig stoelen waren; dit werd opgelost door zitplaatsen te creëren middels planken. Dit alles werd gedaan door een hulpploeg die niet mee naar de begrafenis is geweest en die meestal bestond uit buurtmeisjes en – vrouwen. Was de ruimte voor de koffietafel te klein dan was het mogelijk deze te houden bij een van de buren die wel beschikte over een geschikte ruimte, of er werd uitgeweken naar een plaatselijk café of buurthuis.

Er is veel geschreven over de betekenis van zo’n dodenmaal, sommige aspecten hiervan worden verderop in deze tekst in het kort aangestipt. Wat overblijft is het feit dat de uitvaartgasten barstten van de honger na afloop van alle plechtigheden.

Ze waren ’s morgens vroeg opgestaan om op tijd in het sterfhuis te zijn. Meestal volgde een lange tocht, te voet achter paard en lijkwagen aan naar de kerk en hierna naar het kerkhof. Was de eigenlijke ter aarde stelling achter de rug dan toog het hele gezelschap weer terug naar de kerk om de Kruisweg te bidden en hierna ging men pas weer terug naar het sterfhuis om aan de koffietafel te beginnen. In vroeger tijden spreken we van een doden- of lijkmaal.

Hoe zijn lijkmalen ontstaan?

Hirsch, Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700: Op de begrafenis of op de uitvaart volgde voor de in het sterfhuis terugkerenden een troostel- of leedbier voor lieden van geringe stand; een lijk- of uitvaartmaal bij de aanzienlijken, waarna meestal een uitdeling van spijs en drank aan de armen plaats vond. Dit zou een overblijfsel zijn van een oud heidens gebruik, het is een afweergebruik tegen het wederkeren van de schimmen der afgestorvenen. Hirsch vervolgt: De overledene moet in het graf meekrijgen al dat wat hij op aarde onmisbaar geacht heeft, in casu spijs en drank; anders laat hij de overlevenden niet met rust. Daarom werd dus oorspronkelijk de dode, mondvoorraad in het graf meegegeven. Later (en wat wordt hier met later bedoeld is dan weer de logische vraag?B.H.) achtte men het voldoende wanneer de geofferde spijs óp het graf werd gelegd ((men noemt dit ook wel een dodenoffer, B.H.) en daar door de overlevenden genuttigd werd; en zo geschiedde nog in de vroege middeleeuwen. En Hirsch constateert nu: Daaruit nu zijn de lijkmalen ontstaan, die niet zelden aanleiding gegeven hebben tot de grootste uitspattingen.

De rekeningen van sterfhuizen tonen dat vooral in de 16de eeuw de zucht naar weelde en grootdoenerij bij ons voorgeslacht in niet geringe mate aanwezig was. Hirsch laat nu een rekening volgen van het uitvaartsmaal voor een kanunnik te Antwerpen in 1531 en die van een edelman in 1552. Vooral bij deze edelman waren veel gasten op het uitvaartsmaal en er werd verorbert ende versopen: 126 pond rundvlees, 14 pond varkensvlees, 9 pond spek, 2 en een kwart kalveren, 6 speenvarkens, 15 kippen, 2 hammen, 6 kazen, 34 kannen Rijnse wijn en 29 kannen Franse wijn.

Men moet wel bedenken dat het hier een uitvaart betreft van een edelman, de ‘gewone’ boer of burger zou zo’n overdadig uitvaartmaal nooit hebben kunnen bekostigen.

Hirsch constateert nu: Dat het op zulke uitvaartmalen wel eens meer dan luidruchtig toeging valt niet te verwonderen; vaak liep het uit op ’twisten en kijvagiën’. Het spreekt dan ook wel vanzelf, dat de overheid overal ingreep, want niet alleen de aanzienlijken, ook de burgers en dorpers, vervielen in het buitensporige.

Talrijk zijn de stedelijke keuren en ordonnanties uit de 14de, maar vooral uit de 15de eeuw, waarin het getal personen, dat in de sterfhuizen mocht aanzitten, en de te maken onkosten binnen zekere grenzen beperkt werden. De lijkmalen liepen dikwijls zo uit de hand dat ze verboden werden door de wereldlijke en kerkelijke overheid.

In de 17 de eeuw was het lijkmaal dat gebruikt werd in de steden al gereduceerd tot het drinken van een glas wijn. Maar ten platte lande is men de gewoonte om de uitvaartsmalen met volle luister te houden nog lang getrouw gebleven, en heeft men de zegswijze: Uitvaart- Zuipvaart niet te schande gemaakt.

In plaats van een lijkmaal te houden gaven sommigen er de voorkeur aan de spijzen, vooral brood en rijstpap, soms wijn, later ook een som gelds, aan de armen uit te delen. Gedurende de dagen voor de uitvaart worden grote hoeveelheden koren, tarwe of rogge ingeslagen om er broden van te bakken die vervolgens uitgedeeld worden aan de armen. In de 17de eeuw blijven die brooduitdelingen bestaan, ook in de protestantse provinciën, waar de armen het brood of een gift in geld aan de deuren der sterfhuizen komen halen.

Professor J. Schrijnen noemt in zijn Nederlandse Volkskunde een bijzonder gebruik bij een dodenmaal: Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de dode geacht aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.

In Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, lezen we: Het was vóór de 18de eeuw zowel bij burgers als boeren gebruikelijk dat tijdens het begrafenismaal, in bijzijn van alle aanwezigen, het testament werd voorgelezen. Sinds de 18de eeuw vond dit alleen nog maar plaats in aanwezigheid van de belanghebbenden. De oude gewoonte was een overblijfsel van het oudgermaans gebruik om bij het dodenmaal te erfenis te aanvaarden. Overigens komt deze informatie wrsch. uit het boek: Van sterven en begraven, serie: uit onze Gouden Eeuw, door Carel Vorstelman.

Ondanks alle kerkelijke en overheidsverordeningen hebben de rouwmaaltijden zich kunnen handhaven. Niet alleen omdat men zo trouw was aan de traditie, doch ook om de practische kant ervan. In de tijd dat er onder grote delen van de bevolking armoede heerste en velen zelfs aan ondervoeding leden, was een rouwmaaltijd een goede gelegenheid om te kunnen eten wat men normaal niet kreeg. De armoede en de slechte voedselsituatie waren er mede de oorzaak van dat men zich op begrafenissen (ook op bruiloften) te buiten ging aan voedsel en drank.

In de Beknopte geschiedenis van Eindhoven, deelt F.N. Smits mee dat ten gevolge van het gebrek aan geestelijken op verschillende plaatsen der Meierij misbruiken waren ontstaan, waartoe vooral behoorden de doodmalen, d.i. de maaltijden die ter gelegenheid van begrafenissen gegeven werden.
Door de menigte van mensen, die aldaar verschenen, werden niet alleen grote onordelijkheden en buitensporigheden bedreven, maar daarenboven buitengewoon grote kosten voor de weduwen en wezen of andere erfgenamen van de overledenen gemaakt. Daarom werden deze doodmalen bij plakkaat van 2 mei 1731 door de Staten Generaal verboden op boete van fl. 100 voor hen, die deze maaltijden deden aanleggen en van fl. 10 voor elk persoon, behalve de bloed- of aanverwanten die op de maaltijd bevonden werd.

In Noord-Brabant waren de doodmalen zeer karig.
Hoewel de Brabander zeer gastvrij was en nog is, waren er gewoonweg geen middelen om een zeer overvloedige maaltijd aan te bieden aan de mensen die de uitvaart hadden bijgewoond.
We gaan eens bekijken wat Van Sasse van Ysselt hierover zegt in zijn Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant uit 1896.

Boxmeer e.o.: De dodenmalen, die vroeger in een brasserij ontaardden, zijn reeds sedert vele jaren afgeschaft, alleen worden nog na de begrafenis de familieleden, buren en vrienden in het sterfhuis genodigd op koffie met brood en kaas. Zodanige uitnodiging geldt voor een groot bewijs van vriendschap, terwijl als familieleden en buren daartoe niet worden genodigd, dit door hen als een teken van vijandschap wordt beschouwd.

Budel: Het dodenmaal bestaat alleen uit een ontbijt met wittebrood, kaas en koffie.

Eindhoven: Een begrafenismaal heeft te Eindhoven niet meer plaats.

Erp e.o.: Zodra de kist in het graf is neergezet, maken alle leden van de stoet daaromheen een rondgang. Daarna gaan de familieleden en de buren naar het sterfhuis en worden zij daar dan op brood en koffie, soms ook wel op kaas onthaald.
Na afloop van de begrafenis gaan de familieleden en kennissen van de overledene naar de kerk terug om daar voor hem de Kruisweg te bidden. Daarna gaan de familieleden en zij, die als vriend verzocht worden, naar het sterfhuis waar zij onthaald worden op koffie met brood en kaas.
Te Vlijmen en de Haarsteeg komen de buren niet op dat maal, maar krijgt elk hunner 4 zogenaamde kruitmikken, ronde broden, van de familie van de overledene mee naar huis.

St.Michielsgestel e.o.: Na afloop der begrafenis gaat de familie met de dragers naar het sterfhuis, alwaar zij onthaald worden op mik en kaas. Na de middag komen de dragers er terug met hunne vrouwen om bier te drinken. Vroeger kwam alsdan daar ook al het ´jonk volk´ uit de buurt, zodat de begrafenisplechtigheden met ene soort van kermis eindigden, dit misbruik bestaat echter niet meer.

Oss e.o.: Was de overledene iemand van den gegoeden stand, dan worden de familieleden tevens aan de plank verzocht, wat betekent, dat zij ook uitgenodigd worden om na afloop der begrafenis in het sterfhuis koffie met wittebrood en kaas te komen gebruiken.
Na de begrafenis gaan vervolgens de ´aan de plank´ verzochten, onder welke de bidders stilzwijgend begrepen zijn, naar het sterfhuis, alwaar de gasten zich dan te goed doen aan koffie met wittebrood en kaas ofwel aan bestellen met kaas. De hoeveelheden brood en kaas, die er verorberd worden, zijn dikwijls zeer groot, omdat het als een bewijs van gegoedheid en vrijgevigheid geldt, als er ´aan de plank´ veel brood met kaas is nodig geweest.

Oirschot e.o.: Is de kist in het graf gelaten dan gaat de stoet om het graf en gaat de familie in de kerk de Kruisweg bidden. Daarna wordt de familie met de buren in het sterfhuis op brood, koffie en kaas onthaald.

Tilburg: Na de dienst in de kerk gaan alleen de mannen naar het kerkhof en wel te voet, slechts in de heel geringen stand is het gebruikelijk dat ook de vrouwen mee naar het kerkhof gaan, de anderen blijven in de kerk totdat de mannen van het kerkhof terugkomen en gaan dan met hen terug naar het sterfhuis, alwaar de familieleden en goede kennissen onthaald worden op koffie met brood en kaas.

Tongelre e.o.: De buren worden voor hun diensten met een kleinigheid betaald en worden na de begrafenis met de uitwonende familieleden in het sterfhuis onthaald op koffie met boterhammen en kaas.

Bernard van Dam spreekt van een begrafenismaal in zijn Oud-Brabants Dorpsleven : Na de Kruisweg in de kerk begaf de hele stoet zich naar het sterfhuis, waar aan allen het begrafenismaal werd aangeboden, dat zeer eenvoudig was en gewoonlijk alleen bestond uit koffie en wittebrood ( bakkersmik), bij beter gesitueerde families een enkele keer ook kaas.
Schuur en dorsere werden leeggeruimd om de vele begrafenisgangers bij de koffiemaaltijd te kunnen plaatsen en een enkele familie besteedde die maaltijd uit bij een van de dorpsherbergiers, kosten voor mik en koffie 35 cent per persoon.
Na afloop werden op de meeste plaatsen de overgeschoten kruimels en brokken verzameld en onder enkele armen uitgedeeld. Buurtmeisjes moesten het koffiezetten en het miksnijden verzorgen en de tafelbediening op zich nemen, terwijl de rouwleider reeds bij de aanvang van de koffiepartij de bidprentjes had uitgedeeld.

Begrafenisgebruiken te Oisterwijk in het begin dezer eeuw, door Marie Erkelens- van der Linden. In: Vlugschrift van de Heemkundige studiekring De kleine Meijerij, jrg XIV, no 7, mei 1961.

Nadat het lijk ter aarde besteld was, gingen de dragers ten sterfhuize ‘koffie drinken’. Tegen dat de familie weer thuis kwam, waren zij doorgaans klaar en stapten ze op. De familie ging immers nog een Kruisweg doen.
Ook de familie kwam echter op de koffietafel. Daarbij werd witte mik met kaas gegeten. Soms ging wel 40 pond kaas op.
Het huis had inmiddels weer zijn gewone aanblik gekregen. Want onder de uitvaartmis waren door grotere buurmeisjes de gordijnen weer geopend, de spiegel goed gehangen, de klok aan de gang gebracht en het strooike opgeborgen. Deze brachten dan ook de tafel in gereedheid. Zij ruimden na de maaltijd weer op en wasten om.

Enkele benamingen voor dodenmaal:

1. Leedmaal of leedbier
2. Dodenmaal of dodenbier
3. Droefbier
4. Troostelbier, lijkbier
5. Lijkmaal, grafmaal
6. Groevemaal of groevebier.
7. ‘Een begrafenis zonder leed’ is een Fries gezegde voor een begrafenis zonder lijkmaal.
8. ‘Op de koffie en kaas komen’.

Ga naar boven