Uitvaartmis

In een uitvaartmis zag je duidelijk een verschil tussen een arme overledene en een rijke, welgestelde. Werd in Noord-Brabant een rijke boer begraven dan was de kerk ook zo rijk mogelijk met rouw en kaarsen (belichting) uitgedost. Men sprak dan van een groot boeren-belucht. Ook was er een tijd dat het gewoonte was om de lijkkist met de voeten van het lijk naar voren de kerk in te dragen of rijden. De lijkkist werd na de uitvaartmis gedraaid, want het lijk moest ook weer met de voeten naar voren de kerk uitgaan. Onder de uitvaartmis was het een- of tweemaal offeren een gewoonte. Onder de offerande werden op de communiebank, meestal twee, open offerschalen geplaatst. Men maakte een rondgang langs deze offerschalen, ook hier weer eerst de mannen gevolgd door de vrouwen. De uitvaartmis voor overleden kinderen wordt een engelenmis genoemd.

Inhoud

1. Waaruit bestond een uitvaart
2. De kruisweg en het offeren
3. Het miswinnen
4. Kaarsen tijdens een uitvaartmis

1. Waaruit bestond een uitvaart

Renée Hirsch, Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700: Onder uitvaart, een vertaling van het Latijnse exequiae, dient men eigenlijk te verstaan de optocht van de het lijk volgenden. (Gemakkelijker gezegd: de optocht van hen die het lijk volgden, B.H.) Sinds de 15de eeuw echter is men het woord gaan gebruiken voor de gehele begrafenisplechtigheid vanaf het sterfhuis totdat het lijk in het graf was neergelaten, met inbegrip van de godsdienstige handelingen die daarbij voorgeschreven waren.

1. Het afhalen van het lijk uit het sterfhuis en het naar de kerk brengen (daarbij gebeden en gezangen). 2. Metten en lauden van de getijden der overledenen. 3. Lijkmis. 4. Enige gebeden en gezangen bij het lijk (absoute). 5. Het wegdragen van het lijk naar het kerkhof (ook met gebeden en gezangen). 6. Het neerlaten in het graf, gepaard gaande met gebeden en gezangen.

Toen de expositie van het lijk in de kerk niet meer gedoogd werd, heeft men de metten en lauden, de plechtige lijkmis en de absoute niet meer aan de begrafenis doen voorafgaan, maar men heeft ze gehouden, soms na afloop der begrafenis, vaker nog op een der daarop volgende dagen, bij een katafalk, waarin feitelijk geen lijk berustte. Deze plechtigheid bij de loze baar, ook wel imbare genaamd, of bij een loos graf onder een chapelle ardente heeft men langzamerhand bestempeld met de naam uitvaart. Men is dus onderscheid gaan maken tussen de begrafenis zelf en de uitvaart in engere zin: dit is het complex der oorspronkelijk aan de begrafenis voorafgaande plechtigheden. Deze lijkdienst absente corpore werd daardoor als het ware een geheel zelfstandige plechtigheid, zodat hij ook gehouden kon worden buiten de plaats waar de persoon in kwestie overleden was.

Leugenlijk
In dit verband of dit alles overziend is een opmerkelijke mededeling te begrijpen uit het archief Mandos. In een van de losse opmerking uit dit, ik zou haast zeggen knipselarchief Mandos, staat het woord leugenlijk genoemd. Volgens een informant uit St.-Oedenrode, de heer Alkemade, staat dit begrip voor een lijkmis waar een katafalk staat opgesteld waarin een lijk ontbreekt, het is een leugen dat er een lijk onderligt. Zonder voorafgaande informatie van Hirsch zou deze mededeling totaal onbegrepen zijn gebleven!

Dan doet Hirsch een opmerkelijke uitspraak: Ongelukkigerwijze zijn wij omtrent de uitvaart der gewone burgers niet al te best ingelicht. Al te zeer behoeft men zich daarover niet te verwonderen; immers ook tegenwoordig ( de woorden van Hirsch staan in haar proefschrift uit 1921, B.H.) zal niemand de neiging in zich voelen opkomen om de begrafenis van een gewoon burger, een dagelijks voorkomende gebeurtenis, die dus niet opvalt, te gaan beschrijven.

Gelukkig zijn er diverse publicaties na 1921 verschenen die wél de begrafenis van de gewone man beschrijven, getuige de publicatie van Van Sasse van Ysselt over Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant. Twee activiteiten vallen op bij de beschrijving van de uitvaartmis door Van Sasse van Ysselt: de kruisweg, voor en na de uitvaartmis en het offeren tijdens de uitvaartmis.

Ga naar boven

2. De kruisweg en het offeren

Over de Kruisweg lees je in het Liturgisch Woordenboek: Als devotionele praktijk is de kruisweg een vorm van verering van het lijden van Christus; degene die de kruisweg bidt wil de kruisdragende Heer volgen op zijn weg naar Calvarië.

In datzelfde woordenboek haald ik de volgende gegevens over het offeren. Zeker vanaf de 4de eeuw heeft een eigenlijke offergang plaats. De benodigdheden voor een eucharistieviering of misviering werden meegebracht door de gelovigen en dan hebben we het over brood en wijn. Deze offergaven werden vóór de misviering afgegeven in de sacristie, de voorganger legde ze vervolgens op tafel. Ronde de 11de eeuw begint in het westen het aanbrengen van brood en wijn te verdwijnen. Als vanaf de 12de eeuw het geld het gebruikelijke offer wordt, begint geleidelijk de offergang plaats te maken voor de collecte. In sommige streken echter en in bepaalde kerken, vooral op bedevaartsplaatsen, bleef de offergang bestaan, en ook is hij op vele plaatsen nog gebruikelijk bij uitvaartmissen.

Nu Van Sasse van Ysselt:

St.Michielsgestel e.o.: Is de lijkdienst in de kerk geëindigd, dan worden er twee borden op de communiebank geplaatst, waarop alle aanwezigen offeren. Hierna geschiedt in de kerk de oefening van de Kruisweg, terwijl inmiddels de baar met de lijkkist aan de kerkdeur blijft staan, waarheen zij na het eindigen de dienst gedragen is.. Na afloop van de kruisweg begeven allen, ook de vrouwen zich naar het kerkhof alwaar de kist in de groeve wordt neergelaten.

Boxmeer e.o.: Onder de uitvaart werd tijdens de offerande in de kerk geofferd in een schaal, die op de communiebank staat, eerst door de mannelijke nabestaanden, buren en vrienden, daarna door de vrouwen. Te Sambeek wordt gedurende een maand, alle zondagen onder de Hoogmis, voor de rust der ziel van de overledene geofferd.

Cuyk e.o.: Onder de uitvaart wordt, zodra de offerande begonnen is geofferd, waartoe eerst de mannen en daarna de vrouwen om de kist gaan.

Erp e.o.: Tijdens de uitvaart wordt in de kerk tweemaal geofferd; eerst in het begin en daarna bij het einde van de dienst.

Oss e.o.: In de kerk heeft het offeren plaats .

Bernard van Dam in zijn Oud-Brabants dorpsleven: Onder de H. Mis werd geofferd, waartoe tweemaal een rondgang door de kerk gemaakt werd om in de op de communiebank staande twee open schalen het offer te deponeren, dat hoogstens bestond uit een cent maar vaak uit een van de tot ergernis van mijnheer pastoor nog overvloedig in omloop zijnde halfjes, tengevolge waarvan zo´n offergang maar weinig zoden aan de dijk bracht.

Ga naar boven

3. Het mis winnen

Uit: Taxandria, 1918. 25ste jrg. In de lijkdienst, onmiddellijk na het H. Evangelie, staan een der mannelijke en een der vrouwelijke familieleden van de overledene op en begeven zich naar de linkerhoek van de communiebank, waar een brandende kaars is geplaatst die door de man van de kandelaar wordt genomen en aan de vrouw overhandigd wordt. Beiden, man en vrouw gaan vervolgens langs de binnenzijde van de communiebank om en offeren daar in een daartoe bestemd bordje. Zodra ze aan de plek zijn gekomen waar de kaars stond, wordt deze door de vrouw aan de man gegeven, die ze weer op de kandelaar plaatst, waarna beiden zich weer naar hun plaats gegeven.

Over dit mis winnen kwam ik nog iets te weten naar aanleiding van een bijdrage van de heer A.D. Kakebeeke in de Sint Jansklokken van 7 september 1956: Heel bijzondere gebruiken bestaan bij de requiemmis in de kerk. Dan wordt nog al eens een lid van de familie rond de baar geleid. In Eersel (N.B.) bijvoorbeeld moet dan de derde zoon, de oudste dochter aan de bank afhalen, hij leidt dan zijn oudste zuster rond de baar. Dan brengt hij haar weer op haar plaats terug en gaat zelf zitten. Direct daarop begint het offeren. De mis winnen noemt men dit gebruik. Ik hoorde dat op andere dorpen ook zulke gebruiken bestaan, hoewel soms heel afwijkende. Soms moest de jongste zoon zijn oudste zuster afhalen, soms ook doet het de oudste zoon. Kakebeeke besluit dit tekstfragment uit zijn ‘Begrafenisgebruiken’ als volgt: Het zou heel interessant zijn eens precies te weten hoe men dat in elk dorp doet, en daar ben ik het natuurlijk helemaal mee eens. Het bijzondere van deze ‘mis winnen’ is, dat er geen kaars(en) in het ritueel voorkomen.

Uit het archief ‘Mandos’, een hele verzameling losse, aantekeningen over begrafenisgebruiken, in te zien in het BHIC te ’s-Hertogenbosch, haal de ik de volgende aantekening over mis winnen uit de Noord-Brabantse gemeente Hooge Mierde: weduwe of naaste vrouwelijk familielid wordt door de kerkmeester (zonder kaars) afgehaald om te offeren op ’t altaar, aan de epistelkant, ‘mis winnen’ genaamd.

Ga naar boven

4. Kaarsen tijdens een uitvaartmis

R.Hirsch: Tijdens de vigiliën (het waken, B.H.), evenals bij de uitvaart en begrafenis, werden kaarsen gebrand. Was men lid van een gilde, dan kon men de kaarsen van het gilde gebruiken. Deze waren niet gratis, de erfgenamen waren daarvoor een kleine vergoeding schuldig. Het aantal kaarsen dat gebruikt werd tijdens een uitvaartmis was meestal afhankelijk van de financiële draagkracht van de familie.

In het gebruik van kaarsen heeft grote overdaad geheerst. Vooral in hoofse kringen liet men zich wel eens gaan wat betreft het gebruik van kaarsen. Soms werd een soort houten of ijzeren stellage boven de doodskist opgericht, om de brandende kaarsen te kunnen torsen. Bij de begrafenis van Philips van Bourgondië brandde meer dan 1400 kaarsen, het werd zo heet in de kerk dat men gaten in het gewelf moest maken om de hitte kwijt te kunnen. Bij de uitvaart van de grootvader van Karel V brandde in de kapel 100 grote wastoortsen en 1700 kaarsen. Na deze tijd begon men in stadsrechten te beschrijven hoeveel kaarsen er mochten branden bij een dode en hoeveel ze mochten wegen. In Zutphen bijvoorbeeld mochten bij een dode niet meer dan 4 kaarsen branden en elke kaars mag niet meer dan drie pond wegen. De meestal half opgebruikte kaarsen werden na de uitvaartmis eigendom van de kerk, van de pastoor. Toch werden de kaarsen wel eens geschonken aan de erfgenamen en dit gaf nogal wat problemen, zodanig dat men er regelgeving op toe ging passen en dit noemde men: recht op waslicht.

Het is bekend dat in Heesch (N.B.) zoveel kaarsen om de baar werden geplaatst als de overledene oud is. Bij een enkele plaatsing van kaarsen spreekt men van belucht, bij een dubbele plaatsing van dubbelbelucht. Thanatos: Werd een rijke boer begraven en was er een zo rijk mogelijke uitvaart met rouw en kaarsen (belichting) dan sprak men van een groot boeren-belucht. (brief Knippenberg, St-Michielsgestel, 3-2-1956). Betrof het een uitvaart van iemand die geen boer was dan heette zo’n uitvaart: groot belucht. Aan de aankleding van de kerk bij een uitvaart kon je het groot verschil zien tussen een arme en een rijke overledene.

Uit: M.Portegies, Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch: Overledenen van arme nabestaanden die een uitvaartmis niet konden betalen gingen rechtstreeks van ’t sterfhuis naar het kerkhof. In 1853 hadden de Godshuizen in ’s-Hertogenbosch in ieder geval geen geld gereserveerd voor een kerkdienst voor de overledenen. Rond deze tijd werd ongeveer 60% van de begravenen op het Sint-Janskerkhof voor rekening van het armbestuur ter aarde besteld.

Portegies zegt: Over de lijkmis van na 1811 is meer bekend. Hier wordt een ‘lijkmis’ beschreven die heden ten dage nog zo gedaan wordt. Ik heb het meerdere malen gezien in mijn woonplaats Schijndel en in andere naburige gemeentes. Ik zal het stapsgewijs beschrijven.

• De doodskist wordt door de dragers in het voorportaal van de kerk gezet. • De priester gaat met zijn misdienaars die flambouwen dragen naar de kist toe, zegent deze en gaat nu voorop naar het altaar, de   dragers met de lijkkist volgen. • Meestal zijn het tegenwoordig de kinderen, familieleden of vrienden en bekenden die de kist begeleidden naar het altaar. • De kist werd met de voeten naar het altaar gezet, zodat het gezicht naar het altaar gericht was. Betrof het een overleden priester dan werd het lijk met het gezicht naar de gelovigen geplaatst! Over de kist werd een baarkleed gelegd en aan beide zijden werden kaarsen geplaatst. • Bij het hoofdeinde van de lijkkist werd een kruis geplaatst. • Op het einde van de uitvaartmis volgt de absoute. De priester loopt enkele malen om de doodskist en hij besprenkelde deze met wijwater onder het uitspreken van de woorden: In Paradisum deducant te angeli dat wil zeggen: dat de engelen u naar het Paradijs voeren.

Volgens Mts Van Coppenolle in Volkskunde, 52ste jaargang, 1951: Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen: De overledene wordt met de voeten vóór, het sterfhuis uitgedragen. Hier en daar nog bijgeloof, dat de dode anders het huis zou zien waar hij uitgedragen wordt en terugkeren. Dit bijgeloof is enkel nog zeer sporadisch. Dit zelfde gebruik geldt ook voor de kerk: Lijkkist komt de kerk ín met de voeten van het lijk naar voren; wordt in de kerk gedraaid na de mis; want moet ook úit de kerk gaan met de voeten naar voren.

Aan deze rituelen werd veel waarde gehecht: ik heb eens een oude mevrouw in Schijndel horen zeggen dat ze niet graag naar het bejaardenhuis ging want als ik dood ben dragen ze mij niet met de voeten naar voren het bejaardenhuis uit.

Een eigenaardig gebruik tijdens een katholieke kerkdienst is de scheiding tussen mannen en vrouwen. In Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen, Van Coppenolle, 1951, lezen we: Een andere eigenaardigheid die blijft bestaan ( Van Coppenolle bedoelt de tijd tussen 1940-1950), ook in onze steedse parochiekerken, is dat bij een lijkdienst, de heren steeds langs de rechterkant en de dames langs de linkerkant plaatsnemen. Men gaat samen met zijn vrouw naar een begrafenis, aan het kerkportaal scheidt men automatisch, de man gaat rechts, de vrouw links. In veel buitenkerken is het gebruik, mannen rechts, vrouwen links, nog in zwang in al de missen. Deze eigenaardige scheiding tussen mannen en vrouwen zien we ook in de lijkstoet en als deze zonder vrouwen naar het kerkhof gaat voor de eigenlijke ter aarde stelling! In het hoofdstuk over de gebruiken op het kerkhof wordt dit nog beschreven.

Ik kan me deze scheiding tussen mannen en vrouwen nog goed herinneren. In het begin van de jaren 60 van de vorige eeuw was ik misdienaar en kwam zodoende meer dan gebruikelijk nogal eens in de kerk, vooral bij ‘gewone’ missen, maar ook bij bruiloften en uitvaarten die wij onder schooltijd mochten dienen. Elke keer weer een groot voorrecht als je hier voor werd uitgekozen, bovendien trakteerde ‘meneer de deken’ ons na afloop met een ‘koetjesreep’.

Ga naar boven