Kaarsen

R.Hirsch: Tijdens de vigiliën (het waken, B.H.), evenals bij de uitvaart en begrafenis, werden kaarsen gebrand. Was men lid van een gilde, dan kon men de kaarsen van het gilde gebruiken. Deze waren niet gratis, de erfgenamen waren daarvoor een kleine vergoeding schuldig. Het aantal kaarsen dat gebruikt werd tijdens een uitvaartmis was meestal afhankelijk van de financiële draagkracht van de familie.

In het gebruik van kaarsen heeft grote overdaad geheerst. Vooral in hoofse kringen liet men zich wel eens gaan wat betreft het gebruik van kaarsen. Soms werd een soort houten of ijzeren stellage boven de doodskist opgericht, om de brandende kaarsen te kunnen torsen. Bij de begrafenis van Philips van Bourgondië brandde meer dan 1400 kaarsen, het werd zo heet in de kerk dat men gaten in het gewelf moest maken om de hitte kwijt te kunnen. Bij de uitvaart van de grootvader van Karel V brandde in de kapel 100 grote wastoortsen en 1700 kaarsen. Na deze tijd begon men in stadsrechten te beschrijven hoeveel kaarsen er mochten branden bij een dode en hoeveel ze mochten wegen. In Zutphen bijvoorbeeld mochten bij een dode niet meer dan 4 kaarsen branden en elke kaars mag niet meer dan drie pond wegen. De meestal half opgebruikte kaarsen werden na de uitvaartmis eigendom van de kerk, van de pastoor. Toch werden de kaarsen wel eens geschonken aan de erfgenamen en dit gaf nogal wat problemen, zodanig dat men er regelgeving op toe ging passen en dit noemde men: recht op waslicht.

Het is bekend dat in Heesch (N.B.) zoveel kaarsen om de baar werden geplaatst als de overledene oud is. Bij een enkele plaatsing van kaarsen spreekt men van belucht, bij een dubbele plaatsing van dubbelbelucht. Thanatos: Werd een rijke boer begraven en was er een zo rijk mogelijke uitvaart met rouw en kaarsen (belichting) dan sprak men van een groot boeren-belucht. (brief Knippenberg, St-Michielsgestel, 3-2-1956). Betrof het een uitvaart van iemand die geen boer was dan heette zo’n uitvaart: groot belucht. Aan de aankleding van de kerk bij een uitvaart kon je het groot verschil zien tussen een arme en een rijke overledene.

Uit: M.Portegies, Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch: Overledenen van arme nabestaanden die een uitvaartmis niet konden betalen gingen rechtstreeks van ’t sterfhuis naar het kerkhof. In 1853 hadden de Godshuizen in ’s-Hertogenbosch in ieder geval geen geld gereserveerd voor een kerkdienst voor de overledenen. Rond deze tijd werd ongeveer 60% van de begravenen op het Sint-Janskerkhof voor rekening van het armbestuur ter aarde besteld.

Portegies zegt: Over de lijkmis van na 1811 is meer bekend. Hier wordt een ‘lijkmis’ beschreven die heden ten dage nog zo gedaan wordt. Ik heb het meerdere malen gezien in mijn woonplaats Schijndel en in andere naburige gemeentes. Ik zal het stapsgewijs beschrijven.

• De doodskist wordt door de dragers in het voorportaal van de kerk gezet. • De priester gaat met zijn misdienaars die flambouwen dragen naar de kist toe, zegent deze en gaat nu voorop naar het altaar, de   dragers met de lijkkist volgen. • Meestal zijn het tegenwoordig de kinderen, familieleden of vrienden en bekenden die de kist begeleidden naar het altaar. • De kist werd met de voeten naar het altaar gezet, zodat het gezicht naar het altaar gericht was. Betrof het een overleden priester dan werd het lijk met het gezicht naar de gelovigen geplaatst! Over de kist werd een baarkleed gelegd en aan beide zijden werden kaarsen geplaatst. • Bij het hoofdeinde van de lijkkist werd een kruis geplaatst. • Op het einde van de uitvaartmis volgt de absoute. De priester loopt enkele malen om de doodskist en hij besprenkelde deze met wijwater onder het uitspreken van de woorden: In Paradisum deducant te angeli dat wil zeggen: dat de engelen u naar het Paradijs voeren.

Volgens Mts Van Coppenolle in Volkskunde, 52ste jaargang, 1951: Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen: De overledene wordt met de voeten vóór, het sterfhuis uitgedragen. Hier en daar nog bijgeloof, dat de dode anders het huis zou zien waar hij uitgedragen wordt en terugkeren. Dit bijgeloof is enkel nog zeer sporadisch. Dit zelfde gebruik geldt ook voor de kerk: Lijkkist komt de kerk ín met de voeten van het lijk naar voren; wordt in de kerk gedraaid na de mis; want moet ook úit de kerk gaan met de voeten naar voren.

Aan deze rituelen werd veel waarde gehecht: ik heb eens een oude mevrouw in Schijndel horen zeggen dat ze niet graag naar het bejaardenhuis ging want als ik dood ben dragen ze mij niet met de voeten naar voren het bejaardenhuis uit.

Een eigenaardig gebruik tijdens een katholieke kerkdienst is de scheiding tussen mannen en vrouwen. In Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen, Van Coppenolle, 1951, lezen we: Een andere eigenaardigheid die blijft bestaan ( Van Coppenolle bedoelt de tijd tussen 1940-1950), ook in onze steedse parochiekerken, is dat bij een lijkdienst, de heren steeds langs de rechterkant en de dames langs de linkerkant plaatsnemen. Men gaat samen met zijn vrouw naar een begrafenis, aan het kerkportaal scheidt men automatisch, de man gaat rechts, de vrouw links. In veel buitenkerken is het gebruik, mannen rechts, vrouwen links, nog in zwang in al de missen. Deze eigenaardige scheiding tussen mannen en vrouwen zien we ook in de lijkstoet en als deze zonder vrouwen naar het kerkhof gaat voor de eigenlijke ter aarde stelling! In het hoofdstuk over de gebruiken op het kerkhof wordt dit nog beschreven.

Ik kan me deze scheiding tussen mannen en vrouwen nog goed herinneren. In het begin van de jaren 60 van de vorige eeuw was ik misdienaar en kwam zodoende meer dan gebruikelijk nogal eens in de kerk, vooral bij ‘gewone’ missen, maar ook bij bruiloften en uitvaarten die wij onder schooltijd mochten dienen. Elke keer weer een groot voorrecht als je hier voor werd uitgekozen, bovendien trakteerde ‘meneer de deken’ ons na afloop met een ‘koetjesreep’.

Ga naar boven