Uit het sterfhuis gedragen

Uit: Van Sasse van Ysselt:

Erp: Bij de begrafenis wordt het lijk met de voeten naar voren uit het sterfhuis gedragen door de vier naaste buren; is het lijk van een gehuwd persoon dan doen dit vier getrouwde en anders vier ongetrouwde mannen.

Oss: Voordat de kist het sterfhuis verlaat bidden alle aanwezigen 5 Onze Vaders, die door de bidders worden voorgebeden. Op de buurtbijeenkomst ten sterfhuize was ook reeds uitgemaakt wie als voordragers van het lijk zouden fungeren. In de regel werden er vier dragers aangesteld die dit gratis moesten volbrengen als buurplicht en enkel voor het vertrek uit het sterfhuis een paar borrels kregen aangeboden. Goed gesitueerden lieten van 6 tot 8 dragers aanstellen,maar in dit geval moest aan elk van hen een ruime fooi worden uitbetaald. Voor een afgestorvene die getrouwd was geweest werden getrouwde, voor ongetrouwde personen ongetrouwde dragers aangesteld, terwijl een kinderlijkje door schoolgaande buurjongens werd gedragen. Hier een lijkstoet met alleen mannen! Zeer uitzonderlijk, waar zijn nu de vrouwen, in de kerk?

Bernard van Dam: ´De naaste buurman moest ook zijn paard en hoogkar beschikbaar stellen voor het vervoer van het lijk. Op de morgen van de begrafenis kwam het grootste gedeelte van de te lijk komende familieleden in het sterfhuis bij elkaar. De naaste buurman die bij de bespreking van de verschillende buurplichten de leiding had gehad zou dan verder tot aan het graf als rouwleider fungeren, d.w.z. hij zou verder in alles de lijkstoet vooraf gaan. Voor het verlaten van het sterfhuis werd de doodskist nog een keer geopend voor hen die nog een blik op de overledene wensten te werpen., waarna 5 Onze Vaders en 5 Weesgegroeten voor diens zielenrust werden voorgebeden door de rouwleider, na afloop waarvan de stoet uittrok en zich in beweging zette.´

H.Grolman: ´Men draagt het lijk met de voeten vooruit het huis uit, daar de geest, die alleen maar vooruit kan zien, anders de deur zien zal en terugkeren. Om hiervoor niet bevreesd te moeten zijn draagt men in vele streken het lijk niet door de dagelijks gebruikte deur uit. Bij de boerenhuizen gebruikte men in het dagelijks leven gewoonlijk alleen de achterdeur, zodat de voordeur gesloten bleef, deze werd alleen geopend bij bijzondere gebeurtenissen zoals de begrafenis, later ook bij huwelijk en doop. Indien nu de geest terugkeert zal hij de deur waardoor hij uitgedragen is gesloten vinden en het huis voorbijgaan. In dit verband kennen we begrippen als lijkdeur, ook wel dood- of sterfdeur genaamd. Het lijk werd ook wel door het raam naar buiten gedragen en soms werd een gat in de muur gemaakt waar het lijk door naar buiten ging, deze opening werd later weer dichtgemetseld.´

Voeten naar voren
We hebben eerder in dit hoofdstuk gezien dat het gewoonte was dat het lijk met de voeten naar voren uit het sterfhuis wordt gedragen. In verband hiermee wil ik een welhaast lugubere en bijna ongelofelijke passage plus bijbehorende voetnoot naar voren halen uit het werk van G. Schotel: Er waren lijken die met het hóófd vooruit het sterfhuis uit werden gedragen op weg naar het graf: wijl lijken van hen, die zich zelven om het leven hadden gebracht of door beulshanden gestorven waren, met het hoofd vooruit naar het graf werden gevoerd. Een bij deze passage aangehaalde voetnoot vertelt het volgende: Het was ook een overoude gewoonte dat hij, die van een moord werd beschuldigd, naar het lijk werd gebracht. Hij moest dan twee vingers op de mond, de wonden en de navel des vermoorden leggen en in deze houding zijn onschuld bezweren. Schuimde dan het bloed uit de wonde of uit de mond, dan was hij schuldig, gebeurde zulks niet, onschuldig.

Dragers
Nog iets over dragers. Zo kwamen er in de 17 de eeuw ook betaalde dragers voor. Deze bezoldigde lijk- en lantaarndragers moesten zich een uur voor het uitdragen van het lijk, aan het sterfhuis melden. En in de 17de eeuw, toen de bloeitijd der gilden voorbij was, vormden zich, vooral in Amsterdam en Den Haag corporaties waarvan de leden onderlinge hulp verleenden bij begrafenissen. Hieruit kun je dus al concluderen dat er al in de 17de eeuw sprake was van een meer georganiseerde vorm bij uitvaarten en dat vooral in steden, dit in tegenstelling tot de plichten van buren op het platte land.

Dominee Stephanus Hanewinckel schrijft in zijn 15de brief van zijn Reize door de Majorij van ´s Hertogenbosch in den jaare 1799 een aardige anecdote over dragers in Oss. Ik vernam ook ene bijzondere plechtigheid, bij het begraven der doden hier in gebruik. Als het lijk uit het huis op de doodsbaar, die voor de deur staat, gedragen is, knielen de dragers rondom dezelve neder, prevelen hun gebed voor de rust van de ziel des overledenen, en brengen onder het bidden gedurig een glas jenever aan elkanderen toe, en zuipen al biddende, om te scheuren, zodat zij zeer dikwijls, dronken en waggelende het lijk naar het graf brengen. Het is te verwonderen, dat zij niet dikwerf met kist en dode ten onderste boven tuimelen.

Ga naar boven