Huilebalk

De begrafenisstoet was vóór 1860 als volgt samengesteld: * Voor de kist gingen een of twee politieagenten en daarna de bidders, * vervolgens kwamen de baardragers, die op hunne schouders de baar droegen waarop de kist stond, * naast de baar gingen een of meer huilebalken.

Huilebalken waren gekleed in lange zwarte mantels en op het hoofd hadden een zwarte hoed met lagen bol en zeer grote slap neerhangende rand. Aan de hoed hadden zij hangen een lange zwarte lamfer en voor het gezicht hielden zij een grote witte zakdoek alsof zij hevig weenden. De huilebalken waren gewoonlijk de dienstknechten van de overledene en werden anders uit de baardragers genomen. Achter het lijk gingen de kinderen van de overledene en de verdere familieleden, vervolgens de vrienden en buren, allen te voet. Bij de begrafenis van de vader ging de oudste zoon voorop en bij die van de moeder eerst de man en daarna de jongste zoon en zo vervolgens.

Het begrip huilebalk komen we ook tegen op het Zeeuwse eiland Schouwen, zo lezen we in H. Grolman, pag. 373: Op Schouwen liep vroeger tussen de twee aansprekers in, een man met grote hoed, die met beide handen een zakdoek stijf tegen zijn ogen drukte en aanhoudend snikte. Hier herkennen wij onmiddellijk een huilebalk in. Grolman associeert zo’n huilebalk met klaagvrouwen, de officiële klagers der volkeren, die men in Zuid-Italië nog aantreft. Renée Hirsch spreekt van: gehuurde weeklagende personen, die de baar onder het zingen van klaagliederen en treurzangen volgen. Deze personen hebben rouwmantels om en op hun hoofd rouwkappen.

Lijkkleed
Hirsch spreekt ook over een kleed dat over de lijkkist ligt, het zogenaamde lijkkleed. Stond de kist op de baar dan werd deze bedekt met de pelle of pelt, ook wel baarkleed, lijkkleed of hennekleed genoemd. Pelt is hetzelfde als pels, een warme mantel die men over de kist werpt om deze te bedekken, ’t is de mantel van de dode, zo lezen we in H.Grolman, pag. 385. Deze baar met pelle werd op het graf gezet als dit al gedicht was met aarde. Zo bleef deze daar soms wel zes weken staan. Zo’n pelle bestond meestal uit zeer kostbare zwarte of witte stof, laken, fluweel of zijde en was soms eigendom van de familie van de overledene of werd gehuurd van de kerk, van de koster. Bij overleden zwangere vrouwen werd over het zwarte lijkkleed een wit laken gelegd, dit gebruik zien we ook bij het graf van een zwangere vrouw. Op de begraafplaats te Orthen zag ik een grafsteen bedekt met een baarkleed, maar dan in steen. De foto maakte ik in december 2011.

Nu blijkt dat de kerk graag een graantje meepikt van een uitvaart, zo zegt R. Hirsch hierover: Na de begrafenis, soms na de uitvaart of de 30ste of 40ste dag verviel het pellen op sommige plaatsen automatisch aan de pastoor of aan de kerk en kon de familie het voor een kleinigheid terugkopen! Door dit terugkopen van het pellen, dat aan een familie behoorde, ontstond voor de kerk een rijke bron van inkomsten.

In de 17de eeuw, na de Hervorming dus, kon men in het Noorden, wanneer men geen familiekleed bezat, er geen meer van de kerk huren. Dan zien we een nieuwe nering verrijzen, die bestaat in het verhuren van rouwgoederen.

Ga naar boven