Lijkstoet

Op de dag van de begrafenis wordt het lijk op een baar naar de kerk gedragen in de lijkstoet. Was een gestorvene een ongehuwd persoon dan moesten de dragers ook ongehuwd zijn. Was de gestorvene gehuwd, dan gold dit ook voor de dragers. Als het sterfhuis te ver van de kerk lag, dan werd de doodskist op een boerenkar, meestal een hoogkar, naar de kerk gereden. De naaste buurman van de overledene stelde zijn paard en wagen ter beschikking voor de uitvaart. Er is een tijd geweest dat de weduwe en eventueel haar dochters op of bij de kist gingen zitten, dus op de boerenkar, op weg naar de kerk. Dit gebruik bestond niet meer omtrent 1850.

De lijkstoet had een merkwaardige samenstelling: onmiddellijk achter de kist ging het naaste mannelijke familielid van de overledene. Hierna volgden de verdere mannelijke familieleden, vrienden en buren en dan pas kwamen de vrouwen. De vaste regel in een begrafenisstoet was: mannen voor vrouwen en jong voor oud. De lijkstoet had dezelfde samenstelling als men van de kerk naar het kerkhof ging. Met dien verstande dat in sommige gemeentes de gewoonte heerste dat alleen de mannen naar het kerkhof gingen en de vrouwen achterbleven in de kerk. Als de mannen terugkwamen in de kerk, baden ze met z’n allen de Kruisweg en gingen hierna op weg naar het sterfhuis voor, wat wij tegenwoordig noemen, de koffietafel. Over deze afsluiting van een begrafenis volgt een apart hoofdstuk.

  1. Uit het sterfhuis gedragen
  2. Naar kerk en kerkhof
  3. Op de boerenkar
  4. Het paard en de boerenkar
  5. Samenstelling van de lijkstoet
  6. Lijkstoet en gebruiken in Den Bosch
  7. Huilebalk
  8. Literatuurlijst
Ga naar boven