Graf van een kraamvrouw

Dominee Hanewinckel schrijft in zijn negende brief o.a. over een graf met een bijbehorende paal met gegevens van de overledene en een graf van een kraamvrouw: Ik keerde van Zon (hier wordt natuurlijk het huidige Son bedoeld, B.H.) over Nunen weder terug naar Helmond, bezag nog eens de ruïne van de kerk en toren op het laatste dorp, en zag op het kerkhof (dit heb ik nog nergens, zo ver ik weet gezien) bij ieder graf een paal, waarop de naam van de overledene en de tijd van zijn overlijden gesneden is, en somtijds erbij: bid voor de ziel. Sommige graven waren versierd met drie groenen kronen, en op één graf zag ik een witte vierkanten doek liggen, waarop aan de vier hoeken stenen lagen: wat of dit toch betekent? Dit moet ik toch weten, zeide ik bij mij zelven. De eerste man die mij niet ver van het kerkhof ontmoete vraagde ik wat dit toch was. Dit betekent zeide hij, het graf van ene kraamvrouw, en zulk ene vrouw wordt ook altijd door vrouwen gedragen en begraven; de vrouwen hebben dan ook altijd de voorrouw. Gij moet weten dat in de Majorij zowel vrouwen als mannen het lijk ter begraving vergezellen. Wat er geheimzinnigs of bijgelovigs in die vierkanten doek was, dit konde of wilde (hij scheen zich te schamen) hij mij niet zeggen. De met kronen versierde graven waren van ongetrouwden. De ongehuwde staat is heiliger dan de gehuwde, dus moesten die doden ook in uitmuntender graven liggen. Aldus Dominee Hanewinckel.

We gaan nu eens kijken wat Van Sasse van Ysselt over dit onderwerp heeft opgetekend in zijn Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant.

Vroeger bestond te Budel e.o. ook nog het gebruik, dat thans (hier wordt bedoeld, op het einde van de 19de eeuw, B.H.) echter is afgeschaft, dat als een vrouw ten gevolge van haar bevalling gestorven was, op haar graf een witte doek uitgespreid werd die daarop gedurende enige tijd bleef liggen. Deze witte doek bleef net zolang liggen tot zij vergaan was.

De Kempen. Ook bestond daar vroeger het gebruik, waarvan de betekenis mij (bedoeld wordt Van Sasse van Ysselt) tot nu toe niet is kunnen blijken, om op het graf ener kraamvrouw neder te leggen een witten doek, met stenen op de vier hoeken. Elders (bij Schrijnen, pag. 341) lezen we dat deze doek blijft liggen tot deze helemaal verteerd is.

Ook Hirsch geeft nog interessante informatie over begrafenissen van gravidae. En nog in de 17de eeuw werd een vrouw, die in het kraambed gestorven was, door zwangere vrouwen ten grave gedragen, in de hoop op een gemakkelijke verlossing.

Deze informatie over overleden gravidae ben ik nooit tegengekomen in de literatuur over begrafenisrituelen.

Grolman geeft ook nog informatie over een overleden kraamvrouw. En verwijst naar Uit Friesland’s Volksleven van Waling Dijkstra. Voor een kraamvrouw speldt men een wit laken over het zwarte lijkkleed (dat lag over de lijkkist, B.H.). Hieraan ligt de zeer verspreide gedachte ten grondslag, dat de ziel van een kraamvrouw zeer gevaarlijk is, daar zij in het volle leven, niet verzwakt, gestorven is. Dus is zij ontevreden, valt steeds de levende mensen lastig en vooral de aanstaande moeders, waarop zij jaloers is. Let wel op; we hebben het hier nog steeds over de zíel van de overleden kraamvrouw! Daarom legt men als waarschuwing het witte laken over het zwarte heen.

Tot zover de informatie over het graf van een kraamvrouw.

We volgen Van Sasse van Ysselt weer:

Het gebruik om het lijk in diervoege in het graf te plaatsen dat de voeten naar het oosten gekeerd zijn, vindt men in alle katholieken landen; het staat in verband met de leer der Katholieke Kerk omtrent de opstanding en betekent dat de overledene, die met het gelaat naar de opgang der zon gekeerd is, de hoop heeft ener zalige opstanding en de verwachting des Groten Rechters. De lijken der priesters worden daarentegen volgens de gebruiken der Katholieken kerk in een tegenovergestelde richting begraven; in die richting stond toch de priester bij zijn leven voor het altaar als hij tot de gelovigen sprak: ‘de Heer zij met u’ en hun de zegen gaf en in die stand verwacht hij na zijn overlijden de komst van de Heer om Hem rekenschap te geven over de kudde die aan zijne zorg was toevertrouwd. Ook het gebruik om het graf met drie kruisen te tekenen zal verband gehouden hebben met het gebruik der Katholieke Kerk dat de priester de lijkkist, alvorens die in het graf gelaten wordt, driemaal met het kruis tekent onder het uitspreken der woorden: ‘Ik teken dit lichaam met het teken des H. Kruises, opdat het in de dag des oordeels verrijze en het eeuwig leven bezitte door Christus onze Heer’.

Bokhoven: Wordt het lijk van een ongehuwde op de dag der begrafenis ter kerke gedragen, dan gaat iemand de begrafenisstoet voorop met een paar palmtakjes in de hand, die in de vorm van een kruis op zijn graf worden geplant. Is het graf van de overledene dicht gemaakt dan maakt de grafmaker daarop in de grond drie kruisen met zijn schop.

Budel: Zodra toch de priester aan het graf de gebeden geëindigd heeft, keren allen die aan de stoet deelnamen, nog voordat het graf gedicht is, naar de kerk terug om daar voor de overledene de Kruisweg te bidden. Is het graf gedicht dan gaan zij weer naar het kerkhof om op het graf vijf ‘Onze Vaders’ voor de overledene te bidden.

Cuyk e.o.: Is de kist in het graf gelaten dan maken de volgers een omgang om het graf en gaan daarna in de kerk voor de overledene bidden. Er is een tijd geweest dat de lijkstoet, één, twee of drie keer langs het geopende graf loopt. Oorspronkelijk ging men drie maal rondom de kerk maar als het kerkhof te ver van de kerk was aangelegd ging men rondom het kerkhof, een voor een achter de baar aan.

Erp e.o.: Wanneer het lijk van de kerk naar het kerkhof wordt gedragen, gaat de doodgraver voor de kist met een kruis in de hand, dat op het graf zal worden geplant. Het is ook bekend dat de doodgraver in de lijkstoet loopt met een omgekeerde schop. Zowel mannen als vrouwen gaan mee naar het kerkhof, de mannen blootshoofds. Tijdens dat de kist in het graf wordt neergelaten, liggen allen geknield om het graf; de kist wordt daarin zo geplaatst dat de voeten van het lijk naar de kerk gekeerd zijn. Zodra de kist in het graf is neergezet maken alle leden van de stoet daaromheen een rondgang.

St.Michielsgestel e.o.: Na het offeren in de kerk: Hierna geschied in de kerk de oefening van de Kruisweg, terwijl inmiddels de baar met de lijkkist aan de kerkdeur blijft staan, waarheen zij na het eindigen van de dienst gedragen is. Na afloop van de Kruisweg begeven allen, ook de vrouwen zich naar het kerkhof, alwaar de kist in de groeve wordt neergelaten. Vroeger bestond het gebruik dat de kaarsen welke tot de lijkdienst gebezigd maar niet opgebrand waren, door de koster op het kerkhof gebracht werden, alwaar de bloedverwanten van de overledene , die van andere plaatsen kwamen, er elk een tot zich namen en naar de kerk hunner woonplaats brachten met verzoek aan hun pastoor om voor de overledene te bidden.

Oss e.o.: Is het lijk in het graf gelaten dan trekt de stoet, met de bidders voorop, rondom het graf en gaat dan weer de kerk in om er de Kruisweg te bidden. Het graf wordt inmiddels dicht gemaakt en daarboven maakt de doodgraver met handvat van zijn schop drie kruisjes in het zand.

Oirschot e.o.: Is de kist in het graf gelaten dan gaat de stoet om het graf en gaat de familie in de kerk de Kruisweg bidden. Hierna is het koffietafel.

Tilburg: Na de dienst in de kerk gaan alleen de mannen naar het kerkhof en wel te voet, slechts in de heel geringe stand is het gebruikelijk dat ook de vrouwen mee naar het kerkhof gaan, de anderen blijven in de kerk totdat de mannen van het kerkhof terugkomen.

De Kempen: De buurmeisjes sieren ook daar het lijk van een kind en zijn graf op, de graven der ongehuwden worden er eveneens opgesierd. Voor de teraardebestelling pleegt men daar het lijk eens of meermalen om de kerk of om het kerkhof te dragen.

Tot zover Van Sasse van Ysselt.

Nu een eigenaardig gebruik uit de provincie Zeeland, beschreven door Grolman. Op verschillende dorpen in Zeeland gaan de dragers met de hoge hoed op, de eerste zondag ná de begrafenis naar de kerk, de familieleden de daarop volgende zondag, men noemt dit: de rouw naar de kerk dragen. Nu volgt een mijns inziens een eigenaardige conclusie: Dit zou een overblijfsel zijn van de oude reinigingsgebruiken.

We volgen weer dominee Stephanus Hanewinckel, nu in zijn 17de brief uit zijn ‘Reise door de Majorij van ’s Hertogenbosch in den jare 1798. Bij de begraving legt men de lijken altijd oost en west in het graf; stopt het graf dicht; maakt drie kruizen in het zand op het graf; en dit verricht zijnde, gaat de ganse lijkstaatsie enige reizen al biddende rondom het graf, en als men heen gaat, buigt men zich een weinig voor hetzelve.

In Schrijnen lezen we: In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het oosten gericht, een gekerstend heidens gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het oosten was de lichtzijde, maar Christus is het licht, in het oosten is Christus verrezen, in het oosten ligt het paradijs, in het oosten zal Christus verschijnen ten oordeel. Voorwaar nogal wat redenen om een lijk met het gezicht naar het oosten te begraven, lijkt mij!

Uit: Van Dam, Oud-Brabants dorpsleven: Na afloop van de H. Mis werd het lijk in dezelfde volgorde door de stoet naar het kerkhof geleid, terwijl de klok luidde totdat de kist gezonken was; na afloop begaven allen, uitgezonderd de dragers, zich ter kerke voor het bidden van de Kruisweg, die door de rouwleider werd voorgebeden. Daarna begaf de hele stoet zich naar het sterfhuis.

Ga naar boven