Verschil bij katholieken en gereformeerden

Het klokkenluiden uit Rituele Repertoires, Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853 van Gerard Rooijakkers: Het katholieke gebruik om bij een sterfgeval de klokken te luiden, behoorde in gereformeerde ogen tot de roomse superstitiën. De protestanten dachten over de functie van klokken als afweermiddel heel anders: Zowel de oproep tot gebed voor het zieleheil als het idee van de afwerende werking werd door de gereformeerden als aanstootgevend beschouwd. Bij de protestanten diende het klokgelui bij overlijden niet voor de opwekking tot gebed voor de overledene, maar was het een bekendmaking van het overlijden en een herinnering aan het feit dat iedereen eens zou moeten sterven. Deze verschillen in liturgische opvatting veroorzaakten in de vroeg-moderne Meierij in nagenoeg elke parochie en gemeente conflicten en ergernis.

Maar ook om een andere reden kon er een conflict ontstaan tussen een dominee en het katholieke klokgelui. Het conflict in Bakel, waar de dominee problemen had met het zondagse luiden van de doodsklok wordt uit de doeken gedaan in een artikel in Taxandria I, 1894 van de hand van H.N. Ouwerling en heet: Klokkengelui en begrafenissen te Bakel. In de vergadering der Classis van Peel- en Kempenland, gehouden te Helmond, in juni 1767, las dominee J. De Keesel, predikant te Bakel, een klacht voor over het zondagse klokkenluiden: Hij klaagde o.a. Over de overlast, superstitie, wanorde, met en benevens over het schenden van des Heeren dagen door het gestadig overluiden en begraven der doden, schoon dezelven aan gene besmettelijke ziekte gestorven zijn; welk overluiden gewoonlijk zijn aanvang nam om elf uren, half twaalf of twaalf uren, gelijk nog geschied was den 31 mei des lopenden jaars 1767 omtrent ene dode, die donderdags of vrijdags gestorven was. Dat de pastorie onmiddellijk onder de toren lag en de predikant, vanwege dat onophoudelijk gebrom der klokken niet alleen grote overlast ondervond, maar ook buiten staat gesteld was om zijne namiddaagse leerreden behoorlijk te bemediteren; Hij was van mening: dat, wanneer de misbruiken niet tegengegaan werden, de werkgierige roomse inwoner van Bakel steeds zijne lijken op zondag begraven zou; waardoor ’s Herendag niet alleen gedurig moest ontheiligd worden; maar ook de predikant alle zondagen aan het voor hem onverdraaglijk klokkengebrom zou geëxposeerd en blootgesteld wezen. Hierbij kwam nog: Dat een begrafenis op de zondag wezenlijker en voor de ziel des verstorven troostrijker is dan op een andere dag. De predikant meende, dat het begraven der doden op zondag ook nadelig was; 1. Omdat men het geklep voor de godsdienstoefeningen niet onderscheiden kon en 2. Omdat door dat klokkenluiden de roomse gemeente ( de kwalijkgezinden en de ondeugende jongens niet uitgezonderd ) occasie had om in de geopende kerk te dringen, de boeken te affronteren, te scheuren enz. waarover al voor jaren aan den heer Stadhouder van Peelland geklaagd was, doch zonder effect.

Er zijn m.i. duidelijke parallellen tussen de ergernis van de dominee van Bakel en de omwonenden van de kerk in Tilburg waar Harm Schilders elke ochtend vroeg de klokken laat luiden om zijn parochianen uit te nodigen naar de mis te komen.

Ga naar boven