Doodsklok en het gebruik ervan

In het Liturgisch woordenboek schrijft W. De Wolf, o.praem., te Heeswijk over de doodsklok: Het Rituale Romanum van 1614 (zie het hoofdstuk over ‘bedienen’) raadt aan om, waar het gebruikelijk is, de doodsklok te luiden op het moment van sterven, na de dood en bij de uitvaart. In onze streken luidt men als regel enige tijd na het overlijden. Het aantal klokken en de wijze van luiden verschilt echter van plaats tot plaats.

We lezen verder nog in het Liturgisch Woordenboek: In de middeleeuwen werden de klokken ook geluid bij storm, onweer, brand en ten tijde van oorlog. De klokken dienden dan als een afweermiddel: een kracht die aan de klokwijding werd toegekend.

In dit verband is het interessant om te weten dat het luiden bij de bevolking af en toe onrust veroorzaakte. In plaatsen langs de rivieren werd het namelijk verboden om bij een uitvaart de klokken te luiden als er ijsgang of hoog water was, dit om de bevolking niet nodeloos te verontrusten, aldus Portegies. in zijn: Dood en begraven in ‘s-Hertogenbosch, 1629-1858.

In het vervolg van dit hoofdstuk zullen we zien dat het gebruik van de doodsklok vele varianten kende in de diverse gemeentes waar geluid werd. Niet alle varianten worden beschreven.

Het gebruik van de doodsklok. In de Klopkei, 4de kwartaal 1986, zegt Jeroen van Oss hierover: In Waalwijk en omgeving werd onmiddellijk na het overlijden de klok geluid. Iedere dag dat de overledene boven aarde stond werd dit gedurende een uur herhaald. Tijdens de begrafenis zelf werd niet geluid. Men vond dit ongepast aangezien deze ceremonie of ’s ochtends vroeg of ’s avonds plaatsvond. Als gevolg van het nieuwe provinciale reglement op het begraven van 16 juli 1831 diende de procedure te worden aangepast. Voortaan zouden de begrafenis en het uitluiden tussen 11 en 12 uur geschieden. De oude praktijk van ’s ochtends of ’s avonds begraven werd nog steeds toegestaan. Men noemde dit het bijzetten. Het diende tussen 6 en 7 uur ’s ochtends plaats te hebben of een uur vóór zonsondergang. Zoals gebruikelijk werd er dan niet geluid. Niet expliciet vermeld maar wel stilzwijgend aangenomen was het verbod om buiten het vastgestelde uur te luiden.

Grolman in: Volksgebruiken bij sterven en begraven in Nederland: Enige der buren gaan de morgen na het overlijden de dode verluiden d.w.z. de klok luiden. Er wordt wel eens beschreven dat men 6 mannen nodig had om de grote klok te luiden en twee voor de kleine. Dikwijls houdt het luiden een uur aan, soms wordt het elke dag herhaald tot aan de dag der begrafenis. Op die dag zelf beginnen de klokkenluiders te luiden zodra zij de begrafenisstoet zien aankomen, op het platteland ligt het kerkhof gewoonlijk vlak bij de kerk. Het gelui houdt aan totdat de teraardebestelling is afgelopen en de deelnemers weer vertrokken zijn.

In sommige streken, Grolman noemt drie gemeentes die niet in Noord-Brabant liggen, wel in Drenthe en Overijssel, luidt men de eerste keer op een bijzondere manier namelijk: Men klept of klopt, drie maal als het een man betreft, twee maal voor een vrouw en één keer voor een kind, daarna begint het eigenlijke luiden. Kleppen of kloppen wil zeggen de klepel één keer tegen de klok slaan. Ook maakt men wel verschil tussen man en vrouw door bijv. voor de eerste met de grote klok te beginnen, daarna de kleine te laten invallen, het omgekeerde doet men dan voor de vrouw, voor kinderen luidt men wel alleen de kleine klok of één klok. Voor pasgeboren kinderen wordt gewoonlijk niet geluid, dikwijls worden zij tegen de avond begraven, men noemt dit wel een stille begrafenis. Grolman zegt hierover: Pasgeboren, niet gedoopte kinderen tellen niet mee, ze hebben nog geen ziel, die ontwikkelt zich pas langzamerhand in het lichaam, men behoeft hen dus nog niet te beschermen tegen de boze geesten door klokkengelui.

Ga naar boven