Rouwkleur

Ik citeer Prof. Dr. G.D.J. Schotel uit: Het maatschappelijk leven onzer voorvaderen in de 17de eeuw:
Het rouwgewaad was niet overal van dezelfde kleur. In vroeger eeuwen was het in Frankrijk en Spanje, evenals vroeger bij de Romeinen en thans nog bij de Chinezen, wit. De Polen rouwden met rood, de Turken met blauw of violet, de Egyptenaren met geel, de Ethiopiërs met grauw.
Deze kleuren waren niet willekeurig maar zinnebeeldig. Zo was wit het zinnebeeld der onschuld en reinheid, zwart dat van duisternis.

Bij de Friezen was het anders: Alleen de Friezinnen, die naar Hindeloperdracht gekleed waren, droegen blauw, donkerder of lichter,naarmate nadere of verdere verwantschap met de overledene.

De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit. Dit zien we ook bij de Germanen, de Romeinen en Egyptenaren. Er bestaat ook witte rouw (oude Romeinen, Chinezen en Egyptenaren) en een blauwe rouw (Friezen) en rode rouw (o.a. Polen en Turken). De kleur van lichte rouw in Nederland kan zijn: grijs of zwart met wit.

De falie.
Genoteerd door mevrouw A. van de Wijdeven- van de Akker, Locht 2 te Wijbosch, 19 september 1995. Ik ga nu het verhaal over de falie, zoals zo netjes beschreven door mevrouw, integraal en zonder al te grote correcties weergeven. Hetzelfde geldt voor het verhaal dat daarna komt over de Schijndelse muts en poffer.

Die werd gedragen door vrouwen bij rouw. Als er iemand was overleden werd er zware rouw gedragen. Alles moest dan zwart zijn.
Had het vrouwvolk geen zwarte japon, dan werden er japonnen zwart geverfd. In de tijd van drie dagen moest alles klaar zijn. Meestal gingen de kleren dan naar een ververij. Voor door de week te dragen kochten ze een pakje zwart poeder, en werden dan de werkendaagse kleren geverfd. Ook voor de grotere als de kleine meisjes naar school.
Ook de mannen droegen zwarte pakken en een zwarte pet op.
De vrouwen droegen een zwarte falie. Die werd gemaakt van luster. Ze was zowat 1 meter breed en lang, zo groot als de vrouwen waren tot bijna de grond. Van binnen werd ze een eind gevoerd, juist in het midden. En gevoerd met satinet. En aan beide uiteinden met zijden flossen, zie hier het model. Daar onder werd op het hoofd gedragen een witte spaalmuts, een gehaakte.
De falie op zichzelf was zwaar en werd meestal al in het gezicht gedragen. Je zag niet wie er onder zat. Zodoende werd er een heel grote knopspeld gebruikt. De knop was wel zo groot als een knikker, om alles goed vast te houden. Er werden wel falies geleend van andere vrouwen, want iedere vrouw had geen falie. Die ging over van moeder naar dochter of familie.
De falie op zich werd oud. Dat er zelfs bij waren die groen zagen van ouderdom. Ze werden ook wel geërfd, bijvoorbeeld van een tante.
De falie was voor zware rouw. Voor de naaste droeg men die naar de kerk, 6 of 7 zondagen. Dan ging men over op lichte rouw; een rouw tulen muts en tulen poffer. Voor de naaste een jaar en zes weken. Dat lag er al aan hoever de familiebanden waren. Bij de burgerij droegen ze meestal al een hoed met sluier, ook alles zwart.
Op de dag van de begrafenis gingen in de rouwstoet, eerst de rouwleider. Dat was altijd de naaste buurman op de kerk aan. Dan kwamen de naaste mannen en jongens. En daar achter een hele stoet vrouwen met de falies op. En dan de meisjes in zwarte japonnen. Alles ging te voet.
In de kerk zat het mansvolk aan de rechter kant en het vrouwvolk aan de linkerkant. Zo was dat vroeger een schoon gebruik. Maar het kostte veel om alles in de puntjes te hebben. Hopende dat jullie iets begrijpt van de falie.

Schijndelse muts en poffer.
Eveneens beschreven door mevrouw van de Wijdeven- van de Akker uit het Wijbosch en wel op 16 september 1995.

In Schijndel en Wijbosch werden vroeger veel mutsen met poffer gedragen. Eerst kwam de zwarte ondermuts op het hoofd, die was altijd zwart. Daarover heen een witte tulen of kanten muts, daarop de poffer.
Er waren vele soorten mutsen. De werkendaagse muts droeg men geen poffer bij. Mijn moeder droeg door de week de hele dag de zwarte ondermuts. De gewone vrouwen droegen alleen een ondermuts met daarover heen een gewone tulen muts, met stijf staande randen.
Die het beter konden betalen hadden ook een poffer op de muts. De een was al schoner dan de andere.
De poffer bestond uit een stijf gebogen geraamte. Daar werden dan bloempjes op vast genaaid. De bloempjes zaten van achter halverwege de schouders. De kunstbloempjes hadden een heel tere kleur, zacht rose, groen en wit. Velen waren van zijde. Daar werden dan vier strikken aan vast genaaid. Die waren van prachtige zijde met bloemmotieven. En boven op de poffer kwam nog een fijne gaas er over heen. Onder aan de vier strikken werden weer zijden flossen gemaakt. Hoe meer geld hoe schoner de poffer en de muts. Dat heette een kanten muts.
De bodem van de muts was van fijne kant. Dan kwam er aangeplooid tule en aan de tule weer een kanten rand. Met rouw werden er rouwmutsen met poffer gedragen. Alles was dan van rouwtule tot dat de rouwtijd voorbij was. De naaste een half jaar.
In de rouwtijd droeg men geen goud, zelfs de oorbellen waren zwart. Toen is er een tijd gekomen dat de vrouwen leerden fietsen. Dan zat het hele bestel op de fiets en als het hard waaide ging alles de lucht in.
Al heel gauw in de jaren 1925 werden de hoeden in de mode gebracht. En vele vrouwen en meisjes kochten een hoed. Op ieder dorp waren er vele soorten mutsen, ook de vorm van de poffer.
In Schijndel waren ook mutsen- en poffermaaksters. Een ervan weet ik nog, zij heette Drika Verstralen. Ze deden ook de vuile mutsen wassen en bij de poffers soms nieuwe bloempjes erbij. Met Pasen had bijna iedere vrouw of meisje een nieuw opgemaakte muts of poffer. Met nieuwe bloempjes op de poffer waren ze weer mooi. Het was een dure dracht, in 1940 kostte een muts met poffer 100 gulden.

Ga naar boven