Rouwdracht

Uit: Van Sasse van Ysselt, Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant:
Het dragen van een rouwmantel werd in Helmond in 1866 afgeschaft om de verspreiding van de heersende cholera tegen te gaan, aldus het volgende citaat:
Zoals Sassen t.a.p. zegt, omhingen te Helmond nog in de eerste helft van het jaar 1866 de mannen, die maat of vriend naar hunnen laatste rustplaats begeleidden, zich met ene laken rouwmantel van 17de eeuwse snit.
Slechts enkelen hadden zulk ene mantel in eigendom, doch voor hen, die er geen bezaten, waren er tegen geringe prijs te huur. Toen in 1866 de cholera haren dood aanbrengende adem ook over Helmond liet gaan en hare slachtoffers in groten getale vielen meende men, en terecht, dat het dragen van gehuurde mantels allicht de verspreiding dier vreselijke ziekte kon in de hand werken en werd daarom het gebruik om bij begrafenissen rouwmantels te dragen afgeschaft om niet meer te herleven.
Zo sleepte de onverbiddelijke zwarte dood behalve vaders en zonen, moeders en dochters ook dit eerbiedwaardig overblijfsel van oude gebruiken naar het kille graf.

Budel: De mannen zijn in de stoet in het zwart gekleed, terwijl de vrouwen die in de stoet gaan, zwarte falies dragen die over het hoofd zijn geslagen.

De falie.
De meest kenmerkende rouwdracht bij vrouwen was de falie, een grote zwarte doek waarin een vrouw zich geheel onherkenbaar kon ‘verstoppen’. Het woord falie komt via het Latijnse ‘velum’ van het Franse ‘voile’, dit is sluier, vandaar ook de benaming ‘sluierdoek’ voor een falie. Maar er kan ook een verband zijn met Oudfranse ‘faille’, een vierkante doek die over het hoofd wordt gedrapeerd. Het woord was einde 14de eeuw al bekend.

Trees Dorenbosch-Meyer zegt over de falie in De Brabantse boerenmuts het volgende:
De oorsprong van de falie ligt in een eeuwenoud verleden. Het woord stamt van het Latijnse ‘velum’, d.i. sluier. In de 8ste of 9de eeuw droegen de vrouwen een doorzichtige sluier om uit te gaan, vooral als zij naar de kerk gingen. Het kan zijn dat men die sluier in deze vorm niet de eeuwen door heeft gedragen, maar in de 17de eeuw was de falie over heel Europa verspreid. Zij zal toen waarschijnlijk weer in de mode gekomen zijn.

De falie is thans een rechthoekig stuk zwarte stof, ongeveer 3 meter lang en één meter breed. Aan beide smalle kanten is zij met franje afgeboord. Als regel is ze gemaakt van fijne stof, camelot genaamd, een enkele keer van zijde.

(Afbeelding uit Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer.)

Aug. Van Breugel beweert in Brabantse mutsen in grootmoeders tijd dat de falie is gemaakt van een zwarte Franse stof: merinos.
Wat men onder merinos verstond was een zwarte, enigszins glanzende stof met een hoog soortelijk gewicht. In hoeverre de naam te maken had met wol van het Franse schaap met gelijke naam, dat zeer fijne wol leverde, valt moeilijk te zeggen. Wel staat vast, dat de stof oerdegelijk was en een lange levensduur was beschoren. Ze bestaat nog en is misschien 100 jaar of ouder. Het product werd wel uit Frankrijk geïmporteerd.
De falie was een rechthoekig stuk zwarte stof, meestal Franse merinos, welke dubbelgevouwen over het hoofd werd gedragen en verder naar beneden afhing. Aan de ondereinden waren zware zwarte flossen genaaid.
De lengte was afhankelijk van de grootte van de vrouw die haar droeg. Het dragen van de falie was een teken van rouw.

Van Breugel: De lengte van de falie hield verband met de grootte van de vrouw die haar droeg. De falie werd dubbelgevouwen over het hoofd geslagen en door middel van een grote knopspeld aan de ondermuts of aan de faliemuts vastgespeld en aan de voorzijde met de handen dicht gehouden.

Toch waren er verschillen in hoe de falie werd gedragen. Van Breugel zegt hierover:
In Chaam droeg men de falie drie weken over ’t hoofd en drie weken achter over de rug. Voor Huybergen was dat zes weken over het hoofd en een half jaar over de schouders.
In Berkel-Enschot werd de falie drie weken los afhangend gedragen en drie weken opgenomen op de armen.

(Vrouw met falie, uit Brabantse mutsen uit grootmoeders tijd, Aug. van Breugel.)

De voorloper van de falie was de zogenaamde (rouw)huik of sloof. Dit was een wijde kap. De vrouw die zo gekleed was, ging geslooft.
De volgende afbeelding haalde ik uit: Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, met als commentaar:
Zwaar gesluierde vrouwen met z.g. huiken of sloven. Het rouwkleed van de Friese vrouwen in de eind 18de eeuw-begin en eerste helft van de 19de eeuw.

Ook Schotel: Het maatschappelijk leven onzer voorvaderen in de 17de eeuw, noemt de falie en de huik.
De vrouwen moesten hier en daar gedurende de zware rouw de zwarte bovenrok over het hoofd slaan; ook droegen zij lange zwarte faliën, die zij sloven noemden. Hier en daar rouwde men met de zwarte huik, waarmee zowel mannen als vrouwen deftig te groeve gingen.

Ik citeer verder uit Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer:
Omstreeks 1918 werd de falie geleidelijk verdrongen door een tulen sluier die op de hoed bevestigd tot borsthoogte voor het gezicht afhing.
Toch kun je lezen in Thanatos dat de falie het langst voorkwam in Brabant en Limburg. Deze falies kon je huren, bijvoorbeeld bij de koster in de Noord-Brabantse plaats Boxmeer. Deze zelfde koster verhuurde ook rouwmantels en witte zakdoeken die degenen moesten dragen die de voorrouw hadden.
In 1870 werd in Boxmeer deze verhuur afgeschaft.

Ik citeer weer Trees Dorenbosch: Als de falie tegenwoordig (de bijdrage van Dorenbosch stamt uit 1953, B.H.) nog gedragen wordt, geschiedt dit vrijwel uitsluitend bij rouw, tijdens de uitvaart en de begrafenis. De falie wordt dan over de korte muts gedragen.
De falies zijn zeer zeldzaam geworden. Ze worden nagenoeg als gemeenschappelijk bezit beschouwd en men gaat ze dan ook als regel in de buurt lenen.
Rond het begin van deze eeuw (bedoeld wordt hier de 20ste eeuw, B.H.) werd de falie in de Meierij en in de Kempen nog gedragen om naar de kerk te gaan. Speciaal bij de kerkgang der vrouwen was het een gewild kledingstuk.

Wat was de kerkgang?
De kerkgang gold voor een vrouw die recentelijk bevallen was. Het werd gedaan op een doordeweekse dag en na een afspraak met een priester. Bij het naar de kerk gaan droeg de vrouw dezelfde falie die zij droeg bij begrafenissen.
De vrouw werd door de priester, die gekleed was in superplie en stola, opgewacht aan de ingang van de kerk. De vrouw kreeg een brandende kaars in haar handen en samen met de priester gingen ze bidden bij het Maria-altaar.
Na afloop werd de vrouw met wijwater besproeid en offerde zij de kaars bij het Maria-altaar. Na afloop werd de falie niet meer over het hoofd gedragen maar opgevouwen mee naar huis genomen.
De kerkgang heeft duidelijk iets van een (Joods?)reinigingsritueel in zich. De vrouw was onrein als zij een kind gebaard had!

Trees Dorenbosch: De falie moet vroeger wel algemeen gedragen zijn, want er zijn verschillende zegswijzen aan ontleend.
Dit is dus een mooi moment om eens te bekijken welke zegswijzen hier bedoeld worden. Tegenwoordig is zo’n onderzoekje niet moeilijk meer, dankzij internet kun je alles over een onderwerp binnenhalen.

Iemand op zij falie geven. Iemand een pak slaag geven of een stevig standje.
Op zijn falie krijgen. Een pak slaag krijgen. Afgeranseld worden.
• Een falievouwer is een vleier, falievouwerij.
• Iets is zo effen als een begijnenfalie. (Vlaanderen).
Ik ben er faliekant op tegen.
De zaak loopt faliekant mis.

Falie kan als betekenis hebben: Halsdoek, Hoofd- en schouderdoek, Huik, Kapmantel, Mantel zonder mouwen, Regenmantel – kleed, regensprei, Dwaal of dweel, Sloof.

Panken, Volksgebruiken en gewoonten in Noord-Brabant zegt over de rouwmantel en de falie het volgende:
Bij een begrafenis waren de mannen steeds met een eenvoudige zwarte mantel, de vrouwen met een falie omhangen. Deze laatste dracht is hier in de Spaanse tijd, over ongeveer 300 jaren, ingevoerd.
Hoe Panken aan dit geschiedkundig gegeven komt is mij niet duidelijk, we moeten hem vooralsnog op zijn woord geloven! Gewoonlijk huurde men de mantel van een gilde of van iemand die er tot dat doel een voorraad bezat.
Omstreeks het jaar 1860 begon hier en daar de mantel achterwege te blijven, en thans ( bedoeld wordt einde 19de eeuw, B.H.) ziet men hem schier in geen enkele parochie meer. Evenals vroeger, gaan dan toch de mannen in zwarte kleding met hoge hoed. Mannen en vrouwen volgen hier, als vanouds, het lijk naar het kerkhof.

Op de foto hierboven, ook te zien in het hoofdstuk over de lijkstoet, zie je een rouwstoet van alleen maar mannen en zij dragen een zwarte lange jas en een hoge hoed.

Aug. Van Breugel noemt in zijn boek Brabantse mutsen uit grootmoeders tijd de faliemuts. Deze werd onder de falie gedragen, had uit dien hoofde geen staarten, was zeer eenvoudig van uitvoering en gemaakt van books of neteldoek. Deze muts was niet in alle plaatsen bekend.
Books was een zeer soepele en fijn geweven stof. Neteldoekis ook fijn geweven, maar niet zo soepel.
Van Breugel: De vrouw droeg bij de begrafenis van een familielied, en in bepaalde gevallen ook nog zes weken nadien, de falie. Daarna de rouwmuts met de rouwpoffer of het rouwcornetje of rouwkoveltje al naar gelang de dracht van de plaats.

Na deze verhandeling over de falie gaan we verder met de citaten uit het artikel van Van Sasse van Ysselt en maken we kennis met het begrip lamfer.
In een van de vorige hoofdstukken is al gesproken over de lamfer, hier nog een afbeelding van rouwende mannen met hoed en lamfer uit de 18de eeuw. (Uit: Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer.)

Wat is een lamfer?
De lamfer was een soort tulen sluier die zowel door mannen als vrouwen gedragen werd. De lengte van deze lamfers werd bepaald door de graad van bloedverwantschap en was tevens afhankelijk van de tijd dat de rouw verging.
Hoe verder de rouwtijd van de sterfdag was verwijderd, hoe korter men de lamfer droeg.
In de 18de eeuw waren de lamfers zo lang geworden, dat zij een manslengte overtroffen, over de grond sleepten en de dragers tot een last waren. De overheid trad hiertegen op en in vele steden werd bij keur bepaald hoe lang de lamfers mochten zijn.

Cuyk e.o.: De mannen hebben een hoge hoed op, in de begrafenisstoet, met lamfer eraan, de vrouwen dragen een falie die zij over het hoofd hebben geslagen.

Renée Hirsch, Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700: Dat dragen van rouw in de 17de eeuw bestond hierin, dat men de randen van de hoed neersloeg (bedekken van het gelaat!) terwijl men een soort banden, ‘lamfers’ geheten er vanaf liet neerhangen, die, naar de mate van de rouw, verlengd of verkort werden.
Deze rouwbanden ( bedoeld worden hier de lamfers, B.H.) waren op het einde van de 17de eeuw, door het toenemen van de zucht naar weelde, zo overmatig lang, dat ze een manslengte overtroffen en op de grond sleepten.

Na deze korte uitleg over de lamfer volgen we weer Van Sasse van Ysselt:
Vier achtereenvolgende zondagen na het overlijden wordt ook nog in de hoogdienst geofferd, als zij naar die dienst gaan dragen de mannen wederom hoge hoeden en de vrouwen falies.

Eindhoven: Tot voor dertig à veertig jaar werd het lijk op een baar bij de begrafenis naar de kerk gedragen en volgden de naaste bloedverwanten van de overledene met breedgerande hoeden en getooid met rouwmantels de baar, terwijl de buren, vrienden en kennissen ook allen met rouwmantels omhangen, de verdere stoet vormden.

Erp e.o.: De mannen hebben meestal maar een pet op, vroeger hadden zij hoge of ronde hoeden op met zwarte lamfers eraan, die hun tot halverwege de rug hingen en waren zij gehuld in rouwmantels. De vrouwen in de stoet die de witte boerinnenmutsen dragen, hebben zwarte falies over het hoofd geslagen; dit hebben niet de jonge meisjes van de stoet, welke nog de zwarte muts dragen. Zoals bekend is dragen de jonge meisjes van de Meierij van ’s-Hertogenbosch de zwarte muts totdat zij beginnen te verkeren of huwen; anders tot ongeveer haar 20-ste of 23-ste jaar.

’s-Hertogenbosch: Voor wat betreft de aankleding van aanzeggers verwijs ik u graag naar het hoofdstuk: Het aanzeggen.

Huilebalken in de begrafenisstoet:
naast de baar gingen een of meer huilebalken die gekleed waren in lange zwarte mantels en op het hoofd hadden een zwarte hoed met lage bol en zeer grote slap neerhangende rand; aan de hoed hadden zij hangen een lange zwarte lamfer en voor het gezicht hielden zij een grote witte zakdoek alsof zij hevig weenden.
In Boxtel hadden de aanzeggers ook een witte doek in hun handen, zie de foto in het hoofdstuk over Het aanzeggen.

In begrafenisstoet:
Allen droegen hoge hoeden en rouwmantels, men kon deze kledingstukken voor een kleinigheid huren in de z.g. mantelhuizen,waarvan men er een had in de Minderbroederstraat, een op het St. Janskerkhof en een tegenover de Sint Jacobstraat. Met het in gebruik nemen van het stedelijk kerkhof te Orthen, 1 januari 1860, hielden de begrafenissen te voet op en daarmee het gebruik van de rouwmantels.

Uit Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer: In Nederland beschikten niet veel burgers over rouwkleding, met uitzondering van de boerenbevolking en die dorpen of steden waar men met de gebruikelijke klederdracht de staat van rouw kon weergeven.
Nu wordt in de tekst aangegeven dat er in verschillende steden verhuurbedrijven waren, te vergelijken met de mantelhuizen in ’s-Hertogenbosch. Hier kocht en huurde men rouwkleding voor familie en ook voor dragers. Verhuurwinkels zijn er tegenwoordig nog, al is het verhuur van rouw- en trouwkleding sinds de tweede helft van de 20ste eeuw sterk afgenomen.

Hirsch: In de middeleeuwen werd de rouw op kosten van het sterfhuis gedragen. Ook in de 17de eeuw werden soms de rouwkleren (lamfers, rouwhandschoenen en rouwbanden) op kosten van het sterfhuis gehuurd voor degenen die de baar zouden volgen.

Ik vervolg met de tekst uit Thanatos: Na 1918 begon het rouwdragen te verminderen. In de steden werd het steeds moeilijker om zoals vaak de rouwcode was, om één jaar en 6 à 8 weken volledig in het zwart te lopen. En zoals met de meeste tradities, begint de afbraak in de steden en wel het eerst bij de mannen.
Als teken van rouw ging men om de linkermouw een zwarte band dragen gedurende de rouwperiode. Op het platteland had men vaak een z.g. zoute dropje, een in deze vorm uitgeknipt stukje zwarte stof, dat op de linker mouw of voor op de pet werd bevestigd.
Al deze gebruiken zijn in de tweede helft van de 20ste eeuw verdwenen, het eerst bij de jeugd.
Het dragen van rouw met zo’n band of zoute dropje op de mouw kan ik me nog goed herinneren uit de jaren 50 van de vorige eeuw, vanuit mijn geboortedorp Schijndel.

Van Sasse van Ysselt:

De stoet: de mannen zijn daarin in het zwart gekleed met hoge hoed op, de vrouwen dragen zwarte falies welke zij over het hoofd geslagen hebben.

St.Michielsgestel e.o.: De mannen dragen thans geen rouwmantels meer, zoals vroeger het gebruik was, de vrouwen zijn in de stoet nog altijd gekleed met de zwarte falie, die zij over het hoofd hebben geslagen.

Oss e.o.: De mannen gaan achter het lijk, de naaste familieleden voorop,deze laatste hebben ook hoge hoeden op met lange, zwarte sluiers er aan, achter de mannen komen in de stoet de vrouwen met falies om die zij over het hoofd geslagen hebben.

Rouwslepen.

Oirschot e.o., rouwslepen: Onmiddellijk achter de kist gaat het naaste familielid van de overledene. Hij heeft een hoge hoed met lange, zwarte sluier er aan, soms ook wel een rouwmantel om. Hij sleept, zoals men dat hier noemt de rouw.

De staat van de overledene bepaalt ook of hunnen handschoenen zwart of wit zijn. Geschied de aanzegging door 5 aansprekers dan gaat een van hen, met een ronde hoed op met brede randen, waarvan ook een lange zwarte sluier afhangt, midden over de straat en heeft dan een grote, witte doek in de hand ter hoogte van zijn middel, welke zolang is dat die tot op zijn schoenen hangt.

Op de dag van de begrafenis wordt het lijk naar de kerk gereden. Daarachter gaan te voet eerst de mannelijke familieleden, vrienden en buren die thans bijna nooit meer een rouwmantel dragen, en vervolgens de vrouwen. De vrouwen van de gegoede stand zijn dan allen in de rouw met hoed en zwarte voile, terwijl de vrouwen van de mindere stand een zwarte falie over het hoofd geslagen hebben.

Tongelre e.o.: In de begrafenisstoet dragen de mannen alleen een hoge hoed, de vrouwen dragen ook hier de zwarte falie, die zij over het hoofd geslagen hebben.

Boxmeer: De mannen dragen thans geen rouwmantels meer, doch de vrouwen nog wel de falie. De naaste mannelijke bloedverwant gaat voorop en draagt daarbij een hoge hoed op het hoofd, waarvan een lange, zwarte lamfer afhangt; in de hand houdt hij voor zich een grote uitgespreide witte zakdoek.

Tot zover Van Sasse van Ysselt.

Voor wat betreft de Brabantse mutsen die gedragen werden tijdens de rouw, beperken we ons tot de rouwmuts en de rouwpoffer.
Volgt nu o.a. informatie uit: Brabantse mutsen in grootmoeders tijd van Aug. Van Breugel.

De rouwmuts.

De rouwmuts was, wat het model betreft, precies zoals de zondagse muts. En de rouwmuts werd op dezelfde manier gemaakt als de zondagse muts, alleen de grondstoffen verschilden en zij onderscheidde zich hiervan, doordat elke versiering ontbrak.
Meestal werd de rouwmuts gemaakt van books of neteldoek. Zij werd over het algemeen, voor wat Midden- en Oost-Brabant betreft, gedragen onder de rouwpoffer. Een belangrijk verschil met een gewone, zondagse muts was, dat in de rouwmuts geen kant werd verwerkt.

Volgen nu een afbeelding van een rouwmuts en een rouwmuts met rouwpoffer.

Bij rouw droeg men ook geen goud, bijvoorbeeld gouden oorbellen werden vervangen door zwarte of zilveren.
Trees Dorenbosch zegt hierover: Bij rouw werd de gewone muts vervangen door de rouwmuts. Dit was een effen witte muts van tule, soft books, gaas of neteldoek, dus zonder kant.

De rouwpoffer.
Wat het model betreft was de rouwpoffer precies als de zondagse poffer. Ze was echter geheel uit de hand vervaardigd. De rouwpoffer kwam alleen voor in Midden- en Oost-Brabant.
Trees Dorenbosch zegt hierover: Als poffer werd dan de rouwpoffer gedragen, die gegarneerd was met bloemen en blaadjes van dezelfde soort stof als waaruit de rouwmuts was vervaardigd, voorts met stroken gaas, waar een korte franje aan werd geknipt en randen neteldoek, waar kleine gaatjes in geponst werden. In de Peel werd als rouw ook een geheel zwarte poffer op de muts gedragen. Een poffer in zwart en wit was ook niet onbekend.

Halve rouwpoffer. In sommige plaatsen van Brabant droeg men bij lichte of halve rouw, de halve rouwpoffer. Deze was gemaakt zoals de gewone poffer; het verschil lag hierin, dat de bloemen niet, zoals bij de gewone poffer, in lichte pastelkleuren waren gekleurd, maar allemaal wit waren. Onder de halve rouwpoffer droeg men de rouwmuts en soms ook de kanten muts. Er kwamen ook kleine mutsjes voor lichte of halve rouw.

Ga naar boven