Luiden van doodsklok

Het gebruik en betekenis van het luiden van de doodsklok wordt in dit hoofdstuk uit de doeken gedaan in de volgende hoofdstukken:

1. De doodsklok en het gebruik ervan
2. De doodsklok en de duivel
3. De doodsklok in Noord-Brabant
4. De doodsklok in Vlaanderen
5. De doodsklok in ‘s-Hertogenbosch
6. Verschil in opvatting over het luiden van de doodsklok bij katholieken en gereformeerden
7. Synoniemen voor het luiden van de doodsklok

1. De doodsklok en het gebruik ervan

In het Liturgisch woordenboek schrijft W. De Wolf, o.praem., te Heeswijk over de doodsklok: Het Rituale Romanum van 1614 (zie het hoofdstuk over ‘bedienen’) raadt aan om, waar het gebruikelijk is, de doodsklok te luiden op het moment van sterven, na de dood en bij de uitvaart. In onze streken luidt men als regel enige tijd na het overlijden. Het aantal klokken en de wijze van luiden verschilt echter van plaats tot plaats.

We lezen verder nog in het Liturgisch Woordenboek: In de middeleeuwen werden de klokken ook geluid bij storm, onweer, brand en ten tijde van oorlog. De klokken dienden dan als een afweermiddel: een kracht die aan de klokwijding werd toegekend.

In dit verband is het interessant om te weten dat het luiden bij de bevolking af en toe onrust veroorzaakte. In plaatsen langs de rivieren werd het namelijk verboden om bij een uitvaart de klokken te luiden als er ijsgang of hoog water was, dit om de bevolking niet nodeloos te verontrusten, aldus Portegies. in zijn: Dood en begraven in ‘s-Hertogenbosch, 1629-1858.

In het vervolg van dit hoofdstuk zullen we zien dat het gebruik van de doodsklok vele varianten kende in de diverse gemeentes waar geluid werd. Niet alle varianten worden beschreven.

Het gebruik van de doodsklok. In de Klopkei, 4de kwartaal 1986, zegt Jeroen van Oss hierover: In Waalwijk en omgeving werd onmiddellijk na het overlijden de klok geluid. Iedere dag dat de overledene boven aarde stond werd dit gedurende een uur herhaald. Tijdens de begrafenis zelf werd niet geluid. Men vond dit ongepast aangezien deze ceremonie of ’s ochtends vroeg of ’s avonds plaatsvond. Als gevolg van het nieuwe provinciale reglement op het begraven van 16 juli 1831 diende de procedure te worden aangepast. Voortaan zouden de begrafenis en het uitluiden tussen 11 en 12 uur geschieden. De oude praktijk van ’s ochtends of ’s avonds begraven werd nog steeds toegestaan. Men noemde dit het bijzetten. Het diende tussen 6 en 7 uur ’s ochtends plaats te hebben of een uur vóór zonsondergang. Zoals gebruikelijk werd er dan niet geluid. Niet expliciet vermeld maar wel stilzwijgend aangenomen was het verbod om buiten het vastgestelde uur te luiden.

Grolman in: Volksgebruiken bij sterven en begraven in Nederland: Enige der buren gaan de morgen na het overlijden de dode verluiden d.w.z. de klok luiden. Er wordt wel eens beschreven dat men 6 mannen nodig had om de grote klok te luiden en twee voor de kleine. Dikwijls houdt het luiden een uur aan, soms wordt het elke dag herhaald tot aan de dag der begrafenis. Op die dag zelf beginnen de klokkenluiders te luiden zodra zij de begrafenisstoet zien aankomen, op het platteland ligt het kerkhof gewoonlijk vlak bij de kerk. Het gelui houdt aan totdat de teraardebestelling is afgelopen en de deelnemers weer vertrokken zijn.

In sommige streken, Grolman noemt drie gemeentes die niet in Noord-Brabant liggen, wel in Drenthe en Overijssel, luidt men de eerste keer op een bijzondere manier namelijk: Men klept of klopt, drie maal als het een man betreft, twee maal voor een vrouw en één keer voor een kind, daarna begint het eigenlijke luiden. Kleppen of kloppen wil zeggen de klepel één keer tegen de klok slaan. Ook maakt men wel verschil tussen man en vrouw door bijv. voor de eerste met de grote klok te beginnen, daarna de kleine te laten invallen, het omgekeerde doet men dan voor de vrouw, voor kinderen luidt men wel alleen de kleine klok of één klok. Voor pasgeboren kinderen wordt gewoonlijk niet geluid, dikwijls worden zij tegen de avond begraven, men noemt dit wel een stille begrafenis. Grolman zegt hierover: Pasgeboren, niet gedoopte kinderen tellen niet mee, ze hebben nog geen ziel, die ontwikkelt zich pas langzamerhand in het lichaam, men behoeft hen dus nog niet te beschermen tegen de boze geesten door klokkengelui.

Ga naar boven

2. De doodsklok en de duivel

Ook dominee Hanewinckel in zijn Op reis door de Meierij, zegt iets over het luiden in zijn 17de brief, uit 1799: Men luidt ook terstond over enen dode, zodra hij gestorven is, dit verdrijft de duivel, en degenen die dit horen kunnen dan voor de ziel van de gestorvene bidden.

Grolman: De plechtigheid van een gebeurtenis wordt voor ons gevoel verhoogd door klokkengelui. De oorspronkelijke bedoeling is dit echter niet geweest. In de Middeleeuwen dacht men zich een strijd tussen duivels en engelen om het bezit der ziel, nu trachtte men door lawaai maken, o.a. klokkengelui de duivel te weren. Dit laatste blijkt uit verschillende opschriften van doodsklokken: * In de St.Clemenskerk te Steenwijk: Daemones fugito, d.i. ik jaag de duivels op de vlucht. * Op de grote klok in Erfurt: Die grosse Susanne treibt die Teufel von danne. * Te Stuttgart: Osanna heiss ich, der böse Feind feucht mich.

Hirsch in: Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700, geeft aan dat het beluiden der doden al bekend was in het begin van de 13de eeuw. Verder geeft zij aan: Weer een ander middel om boze geesten te verjagen bestond in het luiden der klokken. Hierdoor echter wordt niet de ziel van de dode, die het de levende zou kunnen lastig maken verjaagd, maar is het de ziel van de gestorvene zelf, die beschermd moet worden tegen andere demonen.

Ga naar boven

3. De doodsklok in Noord-Brabant

We gaan eens bekijken wat Van Sasse van Ysselt in: Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant, over het luiden van de doodsklok heeft kunnen optekenen in Noord-Brabant.

Bokhoven: Op de dag van het overlijden wordt voor de afgestorvene van 11-12 uren ´s middags geluid en in drie tussenpozen wordt driemaal met de kerkklok getikt om de gelovigen aan te manen driemaal het Wees Gegroet voor de overledene te bidden.

Budel: Bij de begrafenis van volwassenen wordt driemaal door de buren de kerkklok geluid: 1. als het lijk bij de kerk gekomen is, 2. als het grafwaarts gedragen wordt, 3. als de lijkstoet voor de tweede maal naar het kerkhof gaat, wat geschied als het graf dicht is.

Cuyk e.o.: Het overlijden wordt ook onmiddellijk bericht aan de koster, opdat deze de afgestorvene zal overluiden; het is hier toch gebruikelijk om de morgen na het overlijden de kerkklokken gedurende een uur voor de dode te luiden.

Tongerle e.o.: De buren luiden daags na het overlijden na afloop der eerste Mis met twee tussenpozen de kerkklok voor de overledene en wel de kleine voor een kind en de grote met de kleine klok voor een volwassene.

In hetzelfde periodiek waarin Van Sasse van Ysselt zijn begrafenisgebruiken in Noord-Brabant publiceerde, kunnen we een bijdrage lezen uit de 25ste jaargang van Taxandria, 1918: Over het luiden bij het begraven. Het gebruik bestond, dat zolang een overledene boven aarde stond door de buurlui driemaal per dag werd geluid: ’s morgens na de H. Mis, ’s middags en tegen de avond. Ze kregen daarvoor geen betaling, doch ze werden na de bijzetting van het lijk getrakteerd op een halve ton bier, soms een hele ton. Dat bier heette luibier. Dit gebruik leidde vaak tot verregaand misbruik. Er wordt nu een pastoor genoemd ( Verhoeven 1828-1875) die dit gebruik afschafte. Op sommige plaatsen, o.a. te Duizel, bestaat heden (1918, B.H.) bij overlijden nog het volgende eigenaardige gebruik. Sterft er iemand, dan luidt de gebuur van de overledene onmiddellijk driemaal met de torenklokken, als om de gemeente van het overlijden kennis te geven. Zolang ’t lijk niet is begraven wordt het luiden tweemaal per dag, telkens driemaal herhaald namelijk ’s morgens en tegen de avond.(Vroeger jaren ook ’s middags om 12 uur). Is de overledene een kind dat zijne plechtige H. Communie nog niet heeft gedaan (plm 11 jaar) dan wordt slechts met één klok geluid en wel met de kleine, als ’t een meisje en met de grote, als ’t een jongen geldt. Is daarentegen het lijk van iemand die ouder is, dan luidt men twee klokken. Men begint dan met de kleine of met de grote, al naar mate de overledene een vrouw of een man is. telkens als het luiden is afgelopen wordt driemaal met de kleine of met de grote klok geklept.

Ga naar boven

4. De doodsklok in Vlaanderen

Over het luiden van de doodsklok bij onze zuiderburen vinden we nog interessante gegevens in een bijdrage van Mts Van Coppenolle in Volkskunde, 52ste jaargang, 1951: Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen. Van Coppenolle geeft vier manieren aan hoe je in Westvlaanderen te weten kwam als er iemand was overleden. • De nodere of de biddere, zij laten aan de buren en medeparochianen weten wie er gestorven is. • De doodbrief. • De rouwplakbrief. • Het luiden van de doodsklok. (men luidt over dood). Over dit laatste gaan we het nu wat uitgebreider hebben.

Van Coppenolle: Aan het langzaam luiden of wenen, aan het kleppen met de kleine klok of schelleken, of het bonzen met de zware klok of het luiden met de drie klokken, aan het tijdspanne dat er geluid wordt en het uur, ’s morgens, ’s middags en/of ’s avonds, kunnen onze buitenmensen aanstonds zeggen met welke dienst de afgestorvene zal uitgevaard worden.

Het ogenschijnlijk eenvoudig gebruik van het luiden van de doodsklok herbergt toch een interessant protocol in zich, dat beschreven wordt in de bijdrage van Van Coppenolle. De kerkklokken dienden echt als communicatiemiddel bij het overlijden van een inwoner van een dorpsgemeente. We laten Van Coppenolle weer aan woord:

Aan het luiden van de klokken kan men weten welke dienst het is: kleine, middelbare of grote dienst, daar er respectievelijk geluid wordt met de kleine, middelbare of grote klok en ook gedurende een kwartier, een half uur of een uur. Dit luiden wordt herhaald daags vóór de begrafenis, ’s middags, ’s avonds, en ’s morgens de dag van de uitvaart.

Men luidt de doodsklok tot de begrafenisdag, • voor een hoogste dienst: drie maal 1 uur ’s morgens, ’s middags en ‘s avonds. • voor een middelbare dienst: 3 maal 40 minuten op dezelfde tijdstippen. • voor een laagste dienst: 2 maal 30 minuten: ’s morgens en ’s avonds.

Het is inmiddels wel duidelijk dat men erg geconcentreerd en oplettend naar de kerkklokken moest luisteren om optimaal geïnformeerd te willen zijn over een recent sterfgeval in jouw gemeente. De mensen konden aan het luiden horen of er een hoogste dienst was om negen uur ’s morgens, of een middelbare of laagste dienst respectievelijk om 7 en 8 uur ’s morgens! Hoewel een eerste klas begrafenis ook om half elf of om elf uur kan plaatsvinden.

Volgens Van Coppenolle zijn er ook nog gradaties in het luiden: Je kunt spreken over kleppen, luiden en wenen! Het luiden geldt de zware klok, het kleppen geldt voor de kleine klok en het wenen wil zeggen dat je met de hand de zware klok luidt!

Ga naar boven

5. De doodsklok in ‘s-Hertogenbosch

Portegies: In ’s-Hertogenbosch gold het volgende gebruik: In ’s-Hertogenbosch was het de koster of zijn vervanger die de klokken luidde. De nabestaanden hadden de keuze uit het groot- (4 klokken), middel- (2 klokken) en kleingelui (één klok). Volgens Portegies moesten Bosschenaren betalen voor het luiden op zowel de sterf- als begraafdag. De koster noteerde precies hoelang hij geluid had en dit werd doorberekend aan de nabestaande van de overledene.

In Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, van H.Kok staat een begrafenisrekening uit de 15de eeuw en daarin staat omschreven welke kosten er verbonden waren aan het ‘over te luyden’ van een gestorvene. In datzelfde naslagwerk staat een tarievenlijst met betrekking tot het luiden van de doodsklok, samengesteld door de overheid van Winterswijk in 1750.

Ga naar boven

6. Verschil in opvatting over het luiden van de doodsklok bij katholieken en gereformeerden

Het klokkenluiden uit Rituele Repertoires, Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853 van Gerard Rooijakkers: Het katholieke gebruik om bij een sterfgeval de klokken te luiden, behoorde in gereformeerde ogen tot de roomse superstitiën. De protestanten dachten over de functie van klokken als afweermiddel heel anders: Zowel de oproep tot gebed voor het zieleheil als het idee van de afwerende werking werd door de gereformeerden als aanstootgevend beschouwd. Bij de protestanten diende het klokgelui bij overlijden niet voor de opwekking tot gebed voor de overledene, maar was het een bekendmaking van het overlijden en een herinnering aan het feit dat iedereen eens zou moeten sterven. Deze verschillen in liturgische opvatting veroorzaakten in de vroeg-moderne Meierij in nagenoeg elke parochie en gemeente conflicten en ergernis.

Maar ook om een andere reden kon er een conflict ontstaan tussen een dominee en het katholieke klokgelui. Het conflict in Bakel, waar de dominee problemen had met het zondagse luiden van de doodsklok wordt uit de doeken gedaan in een artikel in Taxandria I, 1894 van de hand van H.N. Ouwerling en heet: Klokkengelui en begrafenissen te Bakel. In de vergadering der Classis van Peel- en Kempenland, gehouden te Helmond, in juni 1767, las dominee J. De Keesel, predikant te Bakel, een klacht voor over het zondagse klokkenluiden: Hij klaagde o.a. Over de overlast, superstitie, wanorde, met en benevens over het schenden van des Heeren dagen door het gestadig overluiden en begraven der doden, schoon dezelven aan gene besmettelijke ziekte gestorven zijn; welk overluiden gewoonlijk zijn aanvang nam om elf uren, half twaalf of twaalf uren, gelijk nog geschied was den 31 mei des lopenden jaars 1767 omtrent ene dode, die donderdags of vrijdags gestorven was. Dat de pastorie onmiddellijk onder de toren lag en de predikant, vanwege dat onophoudelijk gebrom der klokken niet alleen grote overlast ondervond, maar ook buiten staat gesteld was om zijne namiddaagse leerreden behoorlijk te bemediteren; Hij was van mening: dat, wanneer de misbruiken niet tegengegaan werden, de werkgierige roomse inwoner van Bakel steeds zijne lijken op zondag begraven zou; waardoor ’s Herendag niet alleen gedurig moest ontheiligd worden; maar ook de predikant alle zondagen aan het voor hem onverdraaglijk klokkengebrom zou geëxposeerd en blootgesteld wezen. Hierbij kwam nog: Dat een begrafenis op de zondag wezenlijker en voor de ziel des verstorven troostrijker is dan op een andere dag. De predikant meende, dat het begraven der doden op zondag ook nadelig was; 1. Omdat men het geklep voor de godsdienstoefeningen niet onderscheiden kon en 2. Omdat door dat klokkenluiden de roomse gemeente ( de kwalijkgezinden en de ondeugende jongens niet uitgezonderd ) occasie had om in de geopende kerk te dringen, de boeken te affronteren, te scheuren enz. waarover al voor jaren aan den heer Stadhouder van Peelland geklaagd was, doch zonder effect.

Er zijn m.i. duidelijke parallellen tussen de ergernis van de dominee van Bakel en de omwonenden van de kerk in Tilburg waar Harm Schilders elke ochtend vroeg de klokken laat luiden om zijn parochianen uit te nodigen naar de mis te komen.

Ga naar boven

7. Synoniemen voor het luiden van de doodsklok

Het luiden van de torenklok, dadelijk na het overlijden, om een sterfgeval kenbaar te maken noemde men ook wel:

Overluiden. Uitluiden. Beluiden. Verluiden. In Groningen spreekt men van: hij is verluid, om aan te geven hij is dood.

 

Ga naar boven