Stro in de kerk

Je zou al gauw geneigd zijn hier strikt symbolische waarde aan te hechten, dat is echter niet juist. Van Coppenolle citeert uit: Koudekerke, in kerkelijk leven, Brugge 1947 van de hand van Michiel English: Waar men goed voor zorgde in de oude tijd, was voor het bedekken van de koude kerkvloeren. Kerkvloeren kunnen ijzig koud zijn. Zo wordt beschreven dat in een kerk te Brugge de vloer met grote matten wordt bedekt in de wintertijd. Dit schijnt dan een oeroud systeem te zijn. De gebruiken van de Benedictijnen in Cluny schrijven voor de kerkvloer te bestrooien met stro in de winter, voor de warmte; met groen en meien in de zomer voor de frisheid.

Het gebruik van stro op de kerkvloer was al bekend in het begin van de 17de eeuw en gold niet alleen voor een lijkdienst. Het werd ook gedaan op Kerstavond, met de Advent, Vasten, Palmzondag, Pasen en Pinksteren.

Van Coppenolle beweert dat het bestrooien van de kerkvloer met stro in de grote lijkdiensten nog gedaan werd in 1870 en met eigen ogen heeft hij het gebruik nog gezien in Gent, kort vóór 1914.

Over dit gebruik , om stro in de kerk te strooien o.a. bij een uitvaart lees je niet veel, je komt het niet veel tegen in de literatuur over begrafenisgebruiken. Alleen P. N. Panken schrijft er terloops over in zijn Volksgebruiken en gewoonten in Noord-Brabant uit 1898: Bijna overal waar het gebruik bestaat stro vóór een sterfhuis te leggen, wordt door een bijzonder teken aangeduid of de dode man of vrouw, jonkman of jongedochter ofwel kind is. Het bosje stro vóór het lijkhuis wordt tijdens ofwel onmiddellijk na de begrafenis weggenomen. Bij de uitvaart van adellijken in België, was geheel de vloer van de kerk met stro bedekt.

Renée Hirsch bespreekt in haar proefschrift Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700 , het gebruik en de betekenis van stro bij begrafenisrituelen. Het gebruik van stro bij het dodenritueel berust m.i. op twee geheel verschillende voorstellingen en betekent: 1. een reminiscens aan de brandstapel; 2. een afweermiddel tegen boze geesten, respectievelijk de ziel van de afgestorvene.

P. N. Panken schrijft in 1898 in zijn Volksgebruiken en gewoonten in Noord-Brabant: De gewoonte om lijkstro vóór het huis van een dode te leggen, beschouwen sommigen als een zwak overblijfsel van de lijkbrand van onze heidense voorouders, te meer daar, nog niet vele eeuwen geleden, dit lijkstro na de begrafenis verbrand werd. Stro weerde de betovering, en tot in de 13de eeuw spreidde men het op de vloer, om de gebouwen daardoor te beveiligen. Anderen zoeken de oorsprong van de lijkstro in de gewoonte, die tot over enige jaren hier algemeen en zelfs te Luiksgestel en elders nog kortelings bestond, om doden op stro neer te leggen. De zegswijze op stro liggen betekent wellicht van dààr, dood zijn. Niets was ook natuurlijker dan stro te bezigen tot een teken, dat wederom een medemens in zijn laatste rustplaats nederlag.

Schrijnen zegt in Nederlandse Volkskunde dat men vroeger en ook thans nog de dode, wanneer hij afgelegd werd, van het bed op het stro legde, en dat deze gewoonte als algemeen verspreid te beschouwen is. Vandaar de uitdrukking: van het bed op het stro komen, wat wil zeggen: van kwaad tot erger vervallen. Wanneer een lijk werd afgelegd heette dat ook : van het bed op het stro komen. In Limburg sprak men overigens van schoofstro en in België van reeuwstro.

Dit stro, ook wel beddestro genoemd, werd onder de kist op de lijkwagen geplaatst. Hiervan werd dan op de viersprongen (plaats waar boze geesten en die der afgestorvenen zich bij voorkeur ophouden), op weg naar het kerkhof, een hoeveelheid afgenomen, om 4 strowissen te maken. Op elk der 4 wegen werd dan een strowis geworpen; zodat de terugkerende geest niet meer weet van welke weg hij gekomen is, zegt het volk. Maar klaarblijkelijk is het stro ook hier een afweermiddel. Als bewijs hiervoor: bossen stro aan de deur van het sterfhuis en men strooit het op de weg naar het kerkhof alwaar het dient om de dode het terugkeren naar huis te verhinderen.

Boxmeer e.o.: Ook was het tot voor een dertig jaren geleden ( dat was dan rond 1865, B.H.) gebruikelijk, dat als de kar van het kerkhof naar het sterfhuis terugreed, de bosjes stro, die daarop onder de kist gelegen hadden, teneinde haar niet te doen schokken, bij het passeren van een kruisweg aldaar op de kant van een sloot werden geworpen en daarin bleven liggen, totdat het stro vergaan was. Het gebruik van bosjes stro langs de kruiswegen te werpen werd reeds een jaar of dertig geleden (rond de jaren 1865, B.H.) door het toedoen der R.K. geestelijkheid afgeschaft.

Ga naar boven